Language of document : ECLI:EU:C:2020:677

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

8 september 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Naburige rechten – Richtlijn 2006/115/EG – Artikel 8, lid 2 – Gebruik van fonogrammen in de Unie – Recht van uitvoerende kunstenaars op een billijke vergoeding die wordt gedeeld met de producenten van de fonogrammen – Toepasselijkheid op onderdanen van derde staten – Verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen – Artikelen 4 en 15 – Voorbehouden waarvan kennis is gegeven door derde staten – Beperkingen van het recht op een billijke vergoeding die in de Unie op basis van wederkerigheid uit die voorbehouden kunnen voortvloeien voor de onderdanen van derde staten – Artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Grondrecht op bescherming van intellectuele eigendom – Vereiste dat elke beperking bij wet wordt gesteld, de wezenlijke inhoud van het grondrecht eerbiedigt en evenredig is – Verdeling van de bevoegdheden om die beperkingen vast te stellen tussen de Unie en de lidstaten – Verdeling van de bevoegdheden in de betrekkingen met derde staten – Artikel 3, lid 2, VWEU – Exclusieve bevoegdheid van de Unie”

In zaak C‑265/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 11 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 29 maart 2019, in de procedure

Recorded Artists Actors Performers Ltd

tegen

Phonographic Performance (Ireland) Ltd,

Minister for Jobs, Enterprise and Innovation,

Ireland,

Attorney General,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.-C. Bonichot, M. Vilaras, E. Regan, M. Safjan, P. G. Xuereb, L. S. Rossi en I. Jarukaitis, kamerpresidenten, M. Ilešič (rapporteur), L. Bay Larsen, T. von Danwitz, C. Toader, D. Šváby en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 februari 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        Recorded Artists Actors Performers Ltd, vertegenwoordigd door Y. McNamara, BL, L. Scales, solicitor, en M. Collins, SC,

–        Phonographic Performance (Ireland) Ltd, vertegenwoordigd door H. Sheehy, solicitor, P. Gallagher en J. Newman, SC, en J. O’Connell, BL,

–        Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, P. Clifford en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door P. McCann en J. Bridgeman, SC,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda, J. Norris, É. Gippini Fournier en A. Biolan als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juli 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8 van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28), in het licht van met name het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake uitvoeringen en fonogrammen, dat op 20 december 1996 in Genève is aangenomen en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB 2000, L 89, blz. 6) (hierna: „WPPT”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Recorded Artists Actors Performers Ltd (hierna: „RAAP”) enerzijds en Phonographic Performance (Ireland) Ltd (hierna: „PPI”), de Minister for Jobs, Enterprise and Innovation (minister voor Werkgelegenheid, Ondernemingen en Innovatie, Ierland), Ireland (Ierland) en de Attorney General (procureur-generaal, Ierland) anderzijds, over het recht van onderdanen van derde staten op één enkele billijke vergoeding wanneer zij hebben bijgedragen aan een fonogram dat in Ierland wordt gebruikt.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht

3        In artikel 19 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331) staat te lezen:

„Een staat kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van een verdrag of toetreding tot een verdrag een voorbehoud maken [...].”

4        Artikel 21 van dat verdrag bepaalt:

„1.      Een voorbehoud, gemaakt ten aanzien van een andere partij overeenkomstig de artikelen 19, 20 en 23:

a)      wijzigt voor de staat die het voorbehoud heeft gemaakt in zijn betrekkingen met deze andere partij de bepalingen van het verdrag waarop het voorbehoud betrekking heeft, in de mate voorzien in dit voorbehoud; en

b)      wijzigt deze bepalingen in dezelfde mate voor deze andere partij in haar betrekkingen met de staat die het voorbehoud heeft gemaakt.

2.      Het voorbehoud wijzigt niet de bepalingen van het verdrag voor de andere partijen bij het verdrag inter se.

[...]”

 Verdrag van Rome

5        Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties is op 26 oktober 1961 gesloten in Rome (hierna: „Verdrag van Rome”).

6        De Europese Unie is geen partij bij dit verdrag. Alle lidstaten van de Unie, met uitzondering van de Republiek Malta, zijn dat daarentegen wel.

7        Artikel 2 van het Verdrag van Rome bepaalt:

„1.      Voor de toepassing van dit verdrag wordt onder nationale behandeling verstaan de behandeling toegekend door de nationale wetgeving van de verdragsluitende staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt:

a)      aan uitvoerende kunstenaars die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van uitvoeringen die op zijn grondgebied plaatsvinden, worden uitgezonden of voor het eerst zijn vastgelegd;

b)      aan producenten van fonogrammen die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd of openbaar gemaakt op zijn grondgebied;

[...]

2.      De nationale behandeling is onderworpen aan de in dit verdrag speciaal gewaarborgde bescherming en speciaal voorziene beperkingen.”

8        In artikel 4 van dat verdrag staat te lezen:

„Elke verdragsluitende staat kent uitvoerende kunstenaars een nationale behandeling toe indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      de uitvoering vindt plaats in een andere verdragsluitende staat;

b)      de uitvoering is opgenomen op een fonogram dat wordt beschermd ingevolge artikel 5 van dit verdrag;

[...]”

9        Artikel 5 van het Verdrag van Rome luidt:

„1.      Elke verdragsluitende staat kent een nationale behandeling toe aan producenten van fonogrammen indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      de producent van het fonogram is onderdaan van een andere verdragsluitende staat (nationaliteitscriterium);

b)      de eerste vastlegging van de klanken werd verricht in een andere verdragsluitende staat (vastleggingscriterium);

c)      het fonogram werd voor het eerst openbaar gemaakt in een andere verdragsluitende staat (openbaarmakingscriterium).

2.      Indien een fonogram voor het eerst werd openbaar gemaakt in een niet-verdragsluitende staat, maar indien [dit] ook binnen dertig dagen na de eerste openbaarmaking, openbaar werd gemaakt in een verdragsluitende staat (gelijktijdige openbaarmaking), wordt [het] beschouwd als voor het eerst openbaar gemaakt in de verdragsluitende staat.

3.      Iedere verdragsluitende staat kan, door middel van een bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties nedergelegde kennisgeving, verklaren dat hij het openbaarmakingscriterium of het vastleggingscriterium niet zal toepassen. Deze kennisgeving kan worden nedergelegd op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna; in het laatste geval wordt zij van kracht zes maanden nadat zij is nedergelegd.”

10      Artikel 17 van dat verdrag bepaalt:

„Een staat die op 26 oktober 1961 aan producenten van fonogrammen uitsluitend op basis van het vastleggingscriterium bescherming toekent, kan, door middel van een op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties nedergelegde kennisgeving, verklaren dat hij, voor de toepassing van artikel 5, uitsluitend het vastleggingscriterium zal toepassen [...].”

 WPPT

11      De Unie en haar lidstaten zijn partij bij het WPPT. Deze internationale overeenkomst is voor de Unie en voor bepaalde lidstaten, waaronder Ierland, in werking getreden op 14 maart 2010. Voor de andere lidstaten is zij op een eerdere datum in werking getreden. In totaal zijn ongeveer honderd staten partij bij het WPPT.

12      Artikel 1, lid 1, WPPT luidt:

„Niets in dit verdrag houdt een afwijking in van bestaande verplichtingen die de verdragsluitende partijen met elkaar zijn aangegaan krachtens het [Verdrag van Rome].”

13      In artikel 2 WPPT staat te lezen:

„Voor de toepassing van dit verdrag:

a)      wordt onder ‚uitvoerende kunstenaars’ verstaan acteurs, zangers, musici, dansers en andere personen die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen, vertolken of anderszins werken van letterkunde of kunst of uitingen van folklore uitvoeren;

b)      wordt onder ‚fonogram’ verstaan de vastlegging van de geluiden van een uitvoering of van andere geluiden, of van een weergave van geluiden anders dan in de vorm van een vastlegging, opgenomen in een cinematografisch werk of een ander audiovisueel werk;

c)      wordt onder ‚vastlegging’ verstaan de opname van geluiden of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of medegedeeld door middel van een toestel;

d)      wordt onder ‚producent van een fonogram’ verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die het initiatief neemt tot en verantwoordelijk is voor de eerste vastlegging van de geluiden van een uitvoering of andere geluiden, of van de weergave van geluiden;

[...]”

14      Artikel 3 WPPT, met als opschrift „Gerechtigden tot de in dit verdrag voorziene bescherming”, luidt:

„1.      De verdragsluitende partijen verlenen de in dit verdrag voorziene bescherming aan de uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van andere verdragsluitende partijen.

2.      Onder ‚onderdanen van andere verdragsluitende partijen’ dient te worden verstaan de uitvoerende kunstenaars of producenten van fonogrammen die zouden voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor de in het Verdrag van Rome voorziene bescherming, indien alle verdragsluitende partijen bij dit verdrag verdragsluitende staten bij dat verdrag zouden zijn. Met betrekking tot deze criteria passen de verdragsluitende partijen de relevante begripsbepalingen van artikel 2 van dit verdrag toe.

3.      Iedere verdragsluitende partij die gebruikmaakt van de mogelijkheden voorzien in artikel 5, lid 3, van het Verdrag van Rome of, voor de toepassing van artikel 5 van dat verdrag, in artikel 17 daarvan, richt een kennisgeving als voorzien in die bepalingen aan de directeur-generaal van de [WIPO].”

15      Artikel 4 WPPT, met als opschrift „Nationale behandeling”, bepaalt:

„1.      Iedere verdragsluitende partij verleent aan onderdanen van andere verdragsluitende partijen overeenkomstig artikel 3, lid 2, [van het onderhavige verdrag] de behandeling die zij verleent aan haar eigen onderdanen met betrekking tot de uitsluitende rechten die in dit verdrag uitdrukkelijk worden toegekend, en met betrekking tot het recht op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 15 van dit verdrag.

2.      De in lid 1 [van dit artikel] bedoelde verplichting is niet van toepassing voor zover een andere verdragsluitende partij gebruikmaakt van de voorbehouden die ingevolge artikel 15, lid 3, van dit verdrag zijn toegestaan.”

16      In artikel 15 WPPT, met als opschrift „Recht op vergoeding voor uitzending en mededeling aan het publiek”, staat te lezen:

„1.      Uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op één enkele billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen ten behoeve van uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek.

2.      De verdragsluitende partijen kunnen in hun nationale wetgeving bepalen dat de enkele billijke vergoeding door de gebruiker is verschuldigd aan de uitvoerend kunstenaar, aan de producent van een fonogram of aan beiden. De verdragsluitende partijen kunnen in hun nationale wetgeving de voorwaarden bepalen volgens welke uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke vergoeding verdelen wanneer hierover geen overeenstemming tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram is bereikt.

3.      Iedere verdragsluitende partij kan in een bij de directeur-generaal van de WIPO nedergelegde kennisgeving verklaren dat zij de bepalingen van lid 1 [van het onderhavige artikel] slechts ten aanzien van bepaalde vormen van gebruik zal toepassen, of dat zij toepassing hiervan op een andere wijze zal beperken, of dat zij deze bepalingen in het geheel niet zal toepassen.

4.      Voor de toepassing van dit artikel worden fonogrammen die per draad of langs draadloze weg aan het publiek beschikbaar worden gesteld op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek toegankelijk zijn vanaf een door hen gekozen plaats en op een door hen gekozen tijdstip, geacht voor commerciële doeleinden te zijn gepubliceerd.”

17      Artikel 23, lid 1, WPPT bepaalt:

„De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen, overeenkomstig hun wetgeving, teneinde de toepassing van dit verdrag te verzekeren.”

18      Artikel 33 WPPT luidt:

„De directeur-generaal van de WIPO is de depositaris van dit verdrag.”

19      De lidstaten van de Unie, de Unie zelf en een groot aantal derde staten hebben het WPPT bekrachtigd zonder daarbij een voorbehoud te maken overeenkomstig artikel 15, lid 3, van die internationale overeenkomst. Door onder meer de volgende derde staten is een dergelijk voorbehoud daarentegen wél gemaakt: de Verenigde Staten van Amerika, de Republiek Chili, de Republiek Singapore, de Volksrepubliek China, het Gemenebest Australië, de Russische Federatie, de Republiek Korea, Canada, de Republiek India en Nieuw-Zeeland.

20      Zo bevatten met name de kennisgevingen nrs. 8, 66 en 92 betreffende het WPPT de volgende verklaringen:

„Overeenkomstig artikel 15, lid 3, [WPPT] zullen de Verenigde Staten van Amerika artikel 15, lid 1, van [dit verdrag] slechts toepassen ten aanzien van bepaalde handelingen van uitzending en mededeling aan het publiek via digitale middelen, waarvoor een rechtstreekse of indirecte vergoeding wordt geïnd voor het ontvangen, of anderszins relayeren en verstrekken op digitaal fonogram, zoals dat in de wetgeving van de Verenigde Staten van Amerika is bepaald.”

„[...] De Volksrepubliek China acht zich niet gebonden door artikel 15, lid 1, [WPPT]. [...]”

„[...] Overeenkomstig artikel 15, lid 3, [WPPT] [...], verklaart de Republiek India dat artikel 15, lid 1, van [dit verdrag] betreffende één enkele billijke vergoeding voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen niet zal worden toegepast in India.”

 Richtlijn 2006/115

21      In de overwegingen 5 tot en met 7, 12 en 13 van richtlijn 2006/115 staat te lezen:

„(5)      Het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk en de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, zijn bijzonder hoog en riskant en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.

(6)      Deze scheppende, artistieke en ondernemersactiviteiten worden grotendeels door zelfstandigen verricht; het verrichten van dergelijke activiteiten moet worden vergemakkelijkt door een geharmoniseerde rechtsbescherming in de [Unie]. [...]

(7)      De wetgeving van de lidstaten moet zodanig worden geharmoniseerd, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.

[...]

(12)      Een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs en uitvoerende kunstenaars, die de mogelijkheid moeten behouden om het beheer van dit recht toe te vertrouwen aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die hen vertegenwoordigen.

(13)      Deze billijke vergoeding kan uitgekeerd worden op basis van een of meer betalingen op ongeacht welk moment, bij het sluiten van het contract of later. Rekening dient te worden gehouden met het belang van de bijdrage van de betrokken auteurs en uitvoerende kunstenaars aan de productie en de exploitatie van het fonogram of de film.”

22      Artikel 8 van die richtlijn, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II, „Naburige rechten”, bepaalt in lid 2:

„De lidstaten stellen een recht in om ervoor te zorgen dat één enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. Bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen kunnen de lidstaten bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen beide partijen wordt verdeeld.”

23      Artikel 11 van richtlijn 2006/115, met als opschrift „Toepassing in de tijd”, bepaalt:

„1.      Deze richtlijn geldt met betrekking tot alle erin genoemde auteursrechtelijk beschermde werken, uitvoeringen, fonogrammen, uitzendingen en eerste vastleggingen van films die, op 1 juli 1994, nog door de wetgeving van de lidstaten op het gebied van auteursrecht en de naburige rechten werden beschermd, of die op die datum aan de beschermingscriteria van deze richtlijn voldeden.

2.      Deze richtlijn laat alle vóór 1 juli 1994 verrichte exploitatiehandelingen onverlet.

[...]”

24      Richtlijn 2006/115 heeft richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 1992, L 346, blz. 61) gecodificeerd en ingetrokken. In eerstvermelde richtlijn is geen omzettingstermijn vastgesteld, maar in artikel 14 ervan en bijlage I, deel B, erbij wordt verwezen naar de termijnen voor de omzetting van richtlijn 92/100 en de richtlijnen waarbij richtlijn 92/100 is gewijzigd. Die termijnen zijn verstreken op respectievelijk 1 juli 1994, 30 juni 1995 en 21 december 2002.

25      De bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 zijn identiek aan de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100.

 Iers recht

26      De Copyright and Related Rights Act 2000 (wet van 2000 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „CRR Act”), bepaalt in section 38, lid 1:

„[...] [H]ij die voornemens is om

(a)      een geluidsopname in het openbaar ten gehore te brengen, of

(b)      een geluidsopname op te nemen in een uitzending of een kabelprogrammadienst,

[is] gerechtigd dit te doen wanneer hij

(i)      ermee instemt om voor dit in het openbaar ten gehore brengen van een geluidsopname of het opnemen ervan in een uitzending of een kabelprogrammadienst betalingen te verrichten aan een vergunningverlenende instantie, en

(ii)      voldoet aan de vereisten van deze section.”

27      Section 184 CRR Act, die is opgenomen in deel II van deze Act, luidt:

„(1)      Een literair, dramatisch, muzikaal of artistiek werk, geluidsopname, film, typografische opmaak van een openbaar gemaakte editie of een originele database, komt in aanmerking voor auteursrechtelijke bescherming wanneer dit respectievelijk die voor het eerst op rechtmatige wijze beschikbaar wordt gemaakt voor het publiek

(a)      op het nationale grondgebied, of

(b)      in elk land of gebied, elke staat of regio waartoe de betrokken bepaling van dit deel zich uitstrekt.

(2)      Voor de toepassing van deze section wordt de rechtmatige terbeschikkingstelling van een werk aan het publiek in een land, gebied, staat of regio beschouwd als de eerste rechtmatige terbeschikkingstelling ervan aan het publiek, zelfs wanneer het werk tegelijkertijd elders rechtmatig ter beschikking van het publiek wordt gesteld; hiertoe wordt de rechtmatige terbeschikkingstelling van een werk aan het publiek die elders plaatsvindt binnen een voorafgaande periode van dertig dagen als gelijktijdig beschouwd.”

28      In section 208, lid 1, CRR Act, die behoort tot deel III van deze Act, staat te lezen:

„Een kunstenaar heeft recht op een billijke vergoeding van de houder van het auteursrecht op een geluidsopname wanneer de geluidsopname van het geheel of een wezenlijk deel van een in aanmerking komende uitvoering die voor commerciële doeleinden ter beschikking is gesteld van het publiek

(a)      in het openbaar ten gehore wordt gebracht, of

(b)      wordt opgenomen in een uitzending of een kabelprogrammadienst.”

29      Section 287 CRR Act, die eveneens behoort tot deel III van deze Act, bepaalt:

„In dit deel en in deel IV wordt verstaan onder

‚in aanmerking komend land’:

(a)      Ierland,

(b)      een andere lidstaat van de [Europese Economische Ruimte (EER)], of

(c)      voor zover een besluit op grond van section 289 hierin voorziet, een krachtens die section aangewezen land;

‚in aanmerking komend individu’: een burger of onderdaan van, dan wel een persoon die zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft in een in aanmerking komend land, en

‚in aanmerking komend persoon’: een Iers staatsburger of een persoon die zijn woon- of zijn gewone verblijfplaats heeft in Ierland.”

30      In section 288 CRR Act staat te lezen:

„Voor de toepassing van de bepalingen van [deel III] en deel IV wordt onder een in aanmerking komende uitvoering verstaan een uitvoering die wordt gegeven door een in aanmerking komend individu of een in aanmerking komend persoon, of die plaatsvindt in een in aanmerking komend land of gebied, dan wel in een in aanmerking komende staat of regio, in overeenstemming met dit hoofdstuk.”

31      Section 289, lid 1, CRR Act luidt:

„De regering kan besluiten om elk land of gebied, elke staat of regio aan te wijzen als een in aanmerking komend land dat krachtens [deel III] en deel IV bescherming geniet, indien zij er zeker van is dat het recht van dat land of gebied, die staat of regio voorziet of zal voorzien in bepalingen die Ierse uitvoeringen op gepaste wijze beschermen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

32      Verzoekster in het hoofdgeding, RAAP, een onderneming naar Iers recht, is een maatschappij die zich bezighoudt met het collectieve beheer van de rechten van uitvoerende kunstenaars.

33      Eerste verweerster in het hoofdgeding, PPI, eveneens een onderneming naar Iers recht, is een maatschappij die zich bezighoudt met het collectieve beheer van de rechten van producenten van fonogrammen.

34      RAAP en PPI hebben een overeenkomst gesloten waarin is bepaald hoe de vergoedingen die in Ierland verschuldigd zijn voor het in het openbaar, in bars of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen ten gehore brengen of uitzenden van opgenomen muziek, nadat deze door de gebruikers aan PPI zijn betaald, tussen de producenten van fonogrammen en de uitvoerende kunstenaars moeten worden verdeeld, en met het oog daarop door PPI gedeeltelijk aan RAAP moeten worden overgemaakt. RAAP en PPI zijn het echter oneens over de draagwijdte van die overeenkomst wat de vergoedingen betreft die aan PPI zijn betaald voor uitgezonden muziek die is uitgevoerd door een kunstenaar die geen onderdaan of inwoner van een lidstaat van de EER is.

35      In dit verband is RAAP van mening dat alle verschuldigde vergoedingen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en de internationale overeenkomsten waarnaar deze richtlijn verwijst, moeten worden verdeeld tussen de producent van het fonogram en de uitvoerend kunstenaar. De nationaliteit en de verblijfplaats van de kunstenaar zijn volgens haar in dit verband niet relevant.

36      Volgens PPI daarentegen, is de bij de CRR Act ingevoerde regeling – waarin is bepaald dat uitvoerende kunstenaars die geen onderdaan of inwoner zijn van een lidstaat van de EER en wier uitvoeringen evenmin afkomstig zijn van een geluidsopname die in de EER is gemaakt, geen recht hebben op een aandeel in de vergoedingen die verschuldigd zijn wanneer die uitvoeringen in Ierland worden uitgezonden – zowel verenigbaar met richtlijn 2006/115 als met de internationale overeenkomsten waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen. Indien die kunstenaars zouden worden vergoed voor het gebruik dat in Ierland wordt gemaakt van fonogrammen waaraan zij hebben bijgedragen, zou dat in strijd zijn met de benadering van internationale wederkerigheid die Ierland rechtmatig heeft besloten te volgen. Indien het standpunt van RAAP wordt gevolgd, zou dat er met name toe leiden dat uitvoerende kunstenaars uit de Verenigde Staten in Ierland worden vergoed ook al kent die derde staat het recht op een billijke vergoeding volgens PPI slechts zeer gedeeltelijk toe aan Ierse uitvoerende kunstenaars.

37      In het kader van die onenigheid is RAAP van mening dat de bedragen die PPI haar betaalt ontoereikend zijn en heeft zij een rechtsvordering tegen PPI ingesteld bij de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland), de verwijzende rechter.

38      Die rechter merkt op dat de CRR Act door het gecombineerde effect van de sections 38, 184, 208, 287 en 288 ervan – behalve in de situatie waarin een besluit wordt vastgesteld krachtens section 289 ervan, wat zich nog niet heeft voorgedaan – de mogelijkheid uitsluit dat uitvoerende kunstenaars die onderdaan zijn van staten die niet tot de EER behoren en die hun woon- of verblijfplaats niet in de EER hebben, een aandeel ontvangen in de vergoedingen die verschuldigd zijn wanneer hun buiten de EER opgenomen uitvoeringen in Ierland ten gehore worden gebracht, met als gevolg dat producenten van fonogrammen, met inbegrip van degenen die buiten de EER zijn gevestigd, het volledige bedrag van die vergoedingen ontvangen.

39      In het geval van geluidsopnamen waarbij producenten van fonogrammen en uitvoerende kunstenaars uit de Verenigde Staten betrokken zijn, zouden de vergoedingen die in Ierland door de gebruikers moeten worden betaald dus volledig aan die producenten kunnen toekomen.

40      De verwijzende rechter zet uiteen dat dit toe te schrijven is aan het feit dat de in de CRR Act opgenomen criteria om in aanmerking te komen voor een vergoeding verschillend zijn voor producenten van fonogrammen en voor uitvoerende kunstenaars. Of een dergelijke nationale wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 valt volgens hem te betwijfelen, aangezien die bepaling vereist dat de lidstaten voorzien in één enkele billijke vergoeding die door de gebruiker wordt betaald en die tussen de producent van het fonogram en de uitvoerend kunstenaar moet worden verdeeld.

41      De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat de CRR Act, die alle uitvoerende kunstenaars die onderdaan of inwoner zijn van een lidstaat van de Unie of van de EER gelijk behandelt, de regels van het VWEU eerbiedigt die elke vorm van discriminatie verbieden. Dit neemt niet weg dat de CRR Act eveneens verenigbaar moet zijn met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, waarin in algemene bewoordingen is bepaald dat elke lidstaat ervoor moet zorgen dat er een billijke vergoeding wordt verdeeld „tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen”. Vastgesteld moet worden in hoeverre en hoe deze richtlijn moet worden uitgelegd in het licht van het Verdrag van Rome, waarbij Ierland partij is, en van het WPPT, waarbij zowel Ierland als de Unie partij is.

42      Voorts is het van belang te preciseren wat de gevolgen zijn van de voorbehouden die door bepaalde derde staten, zoals de Verenigde Staten van Amerika, krachtens het WPPT zijn gemaakt. Deze problematiek werpt met name de vraag op of een lidstaat van de Unie discretionaire bevoegdheid heeft om op die voorbehouden te reageren.

43      Gelet op wat er in het hoofdgeding op het spel staat, zijn de minister voor Werkgelegenheid, Ondernemingen en Innovatie, alsook Ierland en de procureur-generaal bij de procedure betrokken als tweede, derde en vierde verweerder in het hoofdgeding.

44      In deze omstandigheden heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is de verplichting van een nationale rechter om richtlijn [2006/115] uit te leggen in het licht van het doel van het Verdrag van Rome en/of het WPPT beperkt tot begrippen waarnaar in die richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen of strekt zij zich, subsidiair, uit tot begrippen die alleen in die twee internationale overeenkomsten te vinden zijn? In hoeverre moet, in het bijzonder, artikel 8 van richtlijn 2006/115 worden uitgelegd in het licht van het vereiste van ‚nationale behandeling’ krachtens artikel 4 WPPT?

2)      Heeft een lidstaat discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van criteria om te bepalen welke uitvoerende kunstenaars als ‚betrokken uitvoerende kunstenaars’ in de zin van artikel 8 van richtlijn 2006/115 kunnen worden beschouwd? Kan, in het bijzonder, een lidstaat het recht op een aandeel in een billijke vergoeding beperken tot omstandigheden waarin ofwel i) de uitvoering plaatsvindt in een land van de [EER], ofwel ii) de uitvoerende kunstenaars wonen of verblijven in een land van de [EER]?

3)      Welke beoordelingsmarge heeft een lidstaat bij zijn reactie op een voorbehoud dat door een andere verdragsluitende partij is gemaakt krachtens artikel 15, lid 3, WPPT? Geldt voor de lidstaat met name het vereiste om de voorwaarden van het door de andere verdragsluitende partij gemaakte voorbehoud nauwkeurig te weerspiegelen? Is een verdragsluitende partij verplicht om de dertigdagenregel van artikel 5 van het Verdrag van Rome buiten toepassing te laten wanneer die regel ertoe kan leiden dat wel een producent van de voorbehoud makende partij een vergoeding krachtens artikel 15, lid 1, ontvangt maar niet de kunstenaars die dezelfde opname uitvoeren? Is, subsidiair, de reagerende partij gerechtigd de onderdanen van de voorbehoud makende partij gunstiger rechten te verlenen dan de voorbehoud makende partij heeft gedaan, dat wil zeggen kan de reagerende partij rechten verlenen die niet op gelijke wijze door de voorbehoud makende partij worden verleend?

4)      Is het onder alle omstandigheden toegestaan om het recht op een billijke vergoeding te beperken tot de producenten van een geluidsopname, dat wil zeggen om dit recht te ontzeggen aan de uitvoerende kunstenaars van wie de uitvoeringen in die geluidsopname zijn vastgelegd?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

45      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, in het licht van het Verdrag van Rome en/of het WPPT, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving van de term „betrokken uitvoerende kunstenaars” die in deze bepaling is opgenomen en waarmee de kunstenaars worden aangeduid die recht hebben op een deel van de daarin bedoelde enkele billijke vergoeding, kunstenaars uitsluit die onderdaan zijn van staten die niet tot de EER behoren, met als enige uitzondering kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd.

46      In dit verband zij om te beginnen in herinnering gebracht dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 19 september 2000, Linster, C‑287/98, EU:C:2000:468, punt 43; 22 september 2011, Budějovický Budvar, C‑482/09, EU:C:2011:605, punt 29, en 1 oktober 2019, Planet49, C‑673/17, EU:C:2019:801, punt 47).

47      Overeenkomstig deze rechtspraak heeft het Hof benadrukt dat het niet aan de lidstaten staat om de in de richtlijnen betreffende het auteursrecht en de naburige rechten opgenomen begrippen te definiëren waarvoor niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten wordt verwezen, zoals de begrippen „publiek” en „billijke vergoeding” (arresten van 6 februari 2003, SENA, C‑245/00, EU:C:2003:68, punt 24; 7 december 2006, SGAE, C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 31, en 30 juni 2011, VEWA, C‑271/10, EU:C:2011:442, punten 25 en 26).

48      Hetzelfde geldt voor de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 opgenomen term „betrokken uitvoerende kunstenaars”. Aangezien deze richtlijn voor de draagwijdte van deze term niet verwijst naar het nationale recht, moet die in de gehele Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van die richtlijn.

49      Wat de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 betreft, moet worden opgemerkt dat die bepaling niet uitdrukkelijk preciseert of de term „betrokken uitvoerende kunstenaars” enkel verwijst naar uitvoerende kunstenaars die de nationaliteit hebben van een staat waar die richtlijn van toepassing is dan wel eveneens verwijst naar uitvoerende kunstenaars met de nationaliteit van een andere staat.

50      Wat de context van die bepaling en de doelstellingen van richtlijn 2006/115 betreft, moet worden opgemerkt dat uit de overwegingen 5 tot en met 7 van deze richtlijn blijkt dat deze beoogt te waarborgen dat auteurs en uitvoerende kunstenaars hun creatief en artistiek werk ononderbroken kunnen voortzetten door te voorzien in geharmoniseerde rechtsbescherming waarmee de mogelijkheid om een passend inkomen veilig te stellen en hun investeringen terug te verdienen zodanig wordt gegarandeerd dat zij „niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd”.

51      Hieruit volgt dat de in richtlijn 2006/115 opgenomen begrippen moeten worden uitgelegd op een wijze die strookt met de in die verdragen vervatte overeenstemmende begrippen (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 55; 10 november 2016, Vereniging Openbare Bibliotheken, C‑174/15, EU:C:2016:856, punt 33, en 29 juli 2019, Pelham e.a., C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 53).

52      Een van die verdragen is het WPPT, waarbij de Unie en al haar lidstaten partij zijn.

53      Volgens artikel 2, onder a), WPPT verwijst het begrip „uitvoerende kunstenaars” naar alle personen „die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen, vertolken of anderszins werken van letterkunde of kunst of uitingen van folklore uitvoeren”. Uit artikel 2, onder b), van die internationale overeenkomst blijkt verder dat een fonogram de vastlegging is van onder meer de geluiden van een dergelijke uitvoering.

54      Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verleent die personen een recht van vergoedende aard waarbij de aanleiding voor dat recht bestaat in de mededeling aan het publiek van de uitvoering van een werk dat is vastgelegd op een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram (zie in die zin arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punten 30 en 32).

55      Meer in het bijzonder volgt uit die bepaling dat de wetgeving van elke lidstaat moet waarborgen dat door de gebruiker één enkele billijke vergoeding wordt betaald wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat die vergoeding vervolgens wordt verdeeld tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van het fonogram.

56      Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 laat elke lidstaat weliswaar de mogelijkheid om bij gebreke van overeenstemming tussen de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen de wijze te bepalen waarop die vergoeding wordt verdeeld, maar bevat niettemin een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting om die kunstenaars en producenten het recht toe te kennen op een billijke vergoeding die tussen beide partijen moet worden verdeeld. Zoals volgt uit de overwegingen 5, 12 en 13 van die richtlijn moet het aan de uitvoerend kunstenaar uitgekeerde aandeel in de vergoeding passend zijn en het belang van zijn bijdrage aan het fonogram weergeven.

57      Dat recht van vergoedende aard is, zoals blijkt uit het opschrift van hoofdstuk II van richtlijn 2006/115, waar artikel 8 toe behoort, een naburig recht.

58      Zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 bedoelde verplichting om te zorgen voor een billijke vergoeding die wordt verdeeld tussen de producent van het fonogram en de uitvoerend kunstenaar van toepassing wanneer het gebruik van het fonogram of een reproductie daarvan plaatsvindt in de Unie.

59      Dat is het geval wanneer de mededeling van het fonogram als aanleiding voor het bovengenoemde naburige recht gericht is aan een publiek dat zich in een of meer lidstaten bevindt. Aangezien richtlijn 2006/115 haar territoriale toepassingsgebied niet preciseert, komt dat gebied overeen met het in artikel 52 VEU neergelegde territoriale toepassingsgebied van de Verdragen (arrest van 4 mei 2017, El Dakkak en Intercontinental, C‑17/16, EU:C:2017:341, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak) dat, onder voorbehoud van artikel 355 VWEU, bestaat uit het grondgebied van de lidstaten.

60      Opdat de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 bedoelde verplichting van toepassing is, moet het fonogram voorts voldoen aan de in artikel 11 ervan genoemde criteria voor toepassing in de tijd.

61      In richtlijn 2006/115, die zonder nadere precisering verwijst naar „uitvoerende kunstenaars” en „producenten van fonogrammen”, wordt daarentegen niet de voorwaarde gesteld dat de uitvoerend kunstenaar of de producent van het fonogram de nationaliteit van een lidstaat van de EER dan wel zijn woon- of verblijfplaats in een dergelijke lidstaat heeft, noch dat de plaats waar het creatieve of artistieke werk is verricht tot het grondgebied van een lidstaat van de EER behoort.

62      Integendeel, de context van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en de in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van deze richtlijn, alsook de uit artikel 216, lid 2, VWEU voortvloeiende voorrang van de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten op de andere categorieën van handelingen van afgeleid recht (arrest van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C‑366/10, EU:C:2011:864, punt 50), gebieden dat artikel 8, lid 2, zoveel mogelijk in overeenstemming met het WPPT wordt uitgelegd (zie naar analogie arrest van 18 maart 2014, Z, C‑363/12, EU:C:2014:159, punt 72). Deze internationale overeenkomst, die een integrerend bestanddeel vormt van de rechtsorde van de Unie (zie met name arresten van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, EU:C:1974:41, punt 5, en 11 april 2013, HK Danmark, C‑335/11 en C‑337/11, EU:C:2013:222, punten 28-30), verplicht de Unie en haar lidstaten in beginsel om het recht op één enkele billijke vergoeding toe te kennen aan zowel uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van lidstaten van de Unie als aan uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van andere partijen bij het WPPT.

63      Ten eerste dienen de partijen bij het WPPT uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen overeenkomstig artikel 15, lid 1, daarvan immers het recht op één enkele billijke vergoeding toe te kennen wanneer voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen worden gebruikt ten behoeve van uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek. Zoals de advocaat-generaal in de punten 72 en 73 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, was de omzetting van die verplichting in het Unierecht, toen het WPPT op 14 maart 2010 voor de Unie in werking trad, reeds gewaarborgd door artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100 ongewijzigd heeft overgenomen.

64      Ten tweede bepaalt artikel 4, lid 1, WPPT dat iedere verdragsluitende partij dit recht zonder onderscheid aan haar eigen onderdanen en aan „onderdanen van andere verdragsluitende partijen” in de zin van artikel 3, lid 2, WPPT dient toe te kennen.

65      In artikel 3, lid 2, WPPT staat te lezen dat de uitdrukking „onderdanen van andere verdragsluitende partijen” verwijst naar kunstenaars en producenten die zouden voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor de in het Verdrag van Rome vastgelegde bescherming, indien alle verdragsluitende partijen bij het WPPT ook verdragsluitende staten bij dat verdrag zouden zijn, waarbij de in deze criteria vervatte termen de in artikel 2 WPPT gedefinieerde draagwijdte hebben.

66      Aangezien het WPPT aldus, door het gecombineerde effect van artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 1, ervan de criteria van het Verdrag van Rome overneemt, zijn die criteria relevant om de draagwijdte te bepalen van artikel 15 WPPT, waarmee artikel 4, lid 1, uitdrukkelijk verband houdt.

67      In dit opzicht moet worden opgemerkt dat volgens artikel 4 van het Verdrag van Rome elke uitvoerend kunstenaar die onderdaan is van een staat die partij is bij dit verdrag aanspraak moet kunnen maken op de nationale behandeling die door de andere verdragsluitende staten aan hun eigen onderdanen wordt toegekend, met name wanneer de uitvoering is opgenomen op een fonogram dat wordt beschermd ingevolge artikel 5 van dat verdrag. Zoals blijkt uit artikel 5, lid 1, onder a), is dit met name het geval wanneer de producent van het fonogram onderdaan is van een andere partij bij het Verdrag van Rome dan de staat op het grondgebied waarvan het fonogram wordt gebruikt.

68      Uit al die overwegingen volgt dat het recht op één enkele billijke vergoeding – dat wordt erkend in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, waardoor de toepassing van artikel 15, lid 1, WPPT in het Unierecht wordt gewaarborgd – door de nationale wetgever niet enkel aan de onderdanen van de lidstaten van de EER kan worden voorbehouden.

69      Het klopt dat volgens artikel 15, lid 3, WPPT iedere partij bij die internationale overeenkomst, onder kennisgeving van een voorbehoud aan de directeur-generaal van de WIPO, kan verklaren dat zij het in artikel 15, lid 1, van die overeenkomst vastgestelde recht op een billijke vergoeding niet erkent of dat zij dat recht weliswaar erkent, maar de toepassing hiervan op haar grondgebied zal beperken. Zoals in artikel 4, lid 2, WPPT is bepaald, is de in artikel 15, lid 1, van die internationale overeenkomst bedoelde verplichting niet van toepassing voor zover van dergelijke voorbehouden kennis is gegeven.

70      Zoals echter blijkt uit het WIPO-register van de kennisgevingen hebben de Unie, haar lidstaten en een groot aantal derde staten die partij zijn bij het WPPT niet kennisgegeven van een voorbehoud krachtens artikel 15, lid 3, WPPT, zodat zij wederzijds gebonden zijn door artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 1, van die internationale overeenkomst.

71      Wil een lidstaat die overeenkomst niet schenden, dan kan hij artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 bijgevolg niet aldus uitvoeren dat alle uitvoerende kunstenaars die onderdaan zijn van staten die niet tot de EER behoren van het recht op een billijke vergoeding worden uitgesloten, met als enige uitzondering uitvoerende kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd.

72      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat bepaalde lidstaten krachtens artikel 5, lid 3, of artikel 17 van het Verdrag van Rome kennis hebben gegeven van een voorbehoud en dat voorbehoud overeenkomstig artikel 3, lid 3, WPPT aan de directeur-generaal van de WIPO hebben gericht. Uit artikel 1 WPPT vloeit immers voort dat hoewel de bepalingen van het WPPT de lidstaten niet kunnen ontslaan van de krachtens het Verdrag van Rome op hen rustende verplichtingen (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 50), dit niet wegneemt dat een dergelijk voorbehoud het naar de aard ervan enkel mogelijk maakt om de door een lidstaat op grond van dat verdrag aangegane verbintenissen te beperken, en geen verplichting met zich meebrengt voor de betrokken lidstaat. Hieruit volgt dat een dergelijk voorbehoud in geen geval kan worden beschouwd als een verplichting voor die lidstaat waaraan afbreuk kan worden gedaan door de in punt 68 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115.

73      Aan de conclusie in punt 71 van het onderhavige arrest wordt evenmin afgedaan door de omstandigheid die Ierland in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen heeft aangevoerd dat particulieren, zoals de uitvoerende kunstenaars of de maatschappij die zich bezighoudt met het collectieve beheer van hun rechten, zich voor de Ierse rechterlijke instanties niet rechtstreeks op de artikelen 4 en 15 WPPT kunnen beroepen, omdat die bepalingen, zoals het Hof heeft opgemerkt (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 48), geen rechtstreekse werking hebben.

74      Zoals de advocaat-generaal in punt 127 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verandert die omstandigheid immers niets aan de noodzaak om artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 in overeenstemming met die internationale overeenkomst uit te leggen (zie naar analogie arrest van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punten 48, 51 en 52). Iedere belanghebbende particulier kan zich voor de Ierse rechterlijke instanties op artikel 8, lid 2, van deze richtlijn beroepen om in een geding, zoals het hoofdgeding, waarbij Ierland overigens betrokken is als verweerder, de verenigbaarheid van de Ierse wetgeving met deze bepaling ter discussie te stellen. In het kader van een dergelijk geding zijn de Ierse rechterlijke instanties verplicht om die bepaling in overeenstemming met het WPPT uit te leggen.

75      Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, in het licht van artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 1, WPPT, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving van de term „betrokken uitvoerende kunstenaars” die in artikel 8, lid 2, van die richtlijn is opgenomen en waarmee de kunstenaars worden aangeduid die recht hebben op een deel van de daarin bedoelde enkele billijke vergoeding, kunstenaars uitsluit die onderdaan zijn van staten die niet tot de EER behoren, met als enige uitzondering kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd.

 Derde vraag

76      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 3, WPPT en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 aldus moeten worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, WPPT kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, WPPT neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, er in de Unie toe leiden dat elke lidstaat aan het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten beperkingen kan stellen.

77      Zoals in de verwijzingsbeslissing is uiteengezet, is de relevantie van deze vraag voor de beslechting van het hoofdgeding erin gelegen dat de voorbehouden waarvan door bepaalde derde staten, waaronder de Verenigde Staten van Amerika, in overeenstemming met artikel 15, lid 3, WPPT kennis is geven, de omvang van de verplichtingen van Ierland zouden kunnen beperken en daardoor een factor zouden kunnen zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek of het Unierecht zich verzet tegen de door de CRR Act in het leven geroepen situatie waarin het gebruik in Ierland van fonogrammen die geluidsopnamen bevatten van kunstenaars die onderdaan zijn van derde staten, aanleiding kan geven tot een vergoeding voor de producent zonder dat die vergoeding wordt gedeeld met de kunstenaar. De CRR Act zou met name tot gevolg hebben dat het naburige recht van kunstenaars uit de Verenigde Staten op het Ierse grondgebied wordt beperkt.

78      In dit verband zij er allereerst op gewezen dat, zoals in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest is opgemerkt, verschillende derde staten door middel van een voorbehoud op grond van artikel 15, lid 3, WPPT hebben verklaard dat zij zich niet gebonden achten door artikel 15, lid 1, WPPT, terwijl andere derde staten, waaronder de Verenigde Staten van Amerika, hebben verklaard dat zij artikel 15, lid 1, WPPT in beperkte mate zouden toepassen.

79      Elk van die voorbehouden reduceert in dezelfde mate, voor de Unie en haar lidstaten, de in artikel 15, lid 1, WPPT bedoelde verplichting ten aanzien van de derde staat die het voorbehoud heeft gemaakt. Dit gevolg is neergelegd in artikel 4, lid 2, WPPT, dat moet worden uitgelegd in het licht van de ter zake dienende regels van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de verdragsluitende partijen kunnen worden toegepast (zie in die zin arresten van 25 februari 2010, Brita, C‑386/08, EU:C:2010:91, punt 43, en 27 februari 2018, Western Sahara Campaign, C‑266/16, EU:C:2018:118, punt 58). Tot die regels behoort ook het in artikel 21, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht gecodificeerde wederkerigheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel wijzigt een voorbehoud dat een verdragsluitende partij ten aanzien van de andere verdragsluitende partijen heeft gemaakt, voor de staat die het voorbehoud heeft gemaakt in zijn betrekkingen met die andere partijen de bepaling van de overeenkomst waarop het voorbehoud betrekking heeft en wijzigt dat voorbehoud deze bepaling in dezelfde mate voor die partijen in hun betrekkingen met de staat die het voorbehoud heeft gemaakt.

80      Hieruit volgt dat de Unie en haar lidstaten op grond van de ter zake dienende regels van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de verdragsluitende partijen kunnen worden toegepast, niet gehouden zijn om het in artikel 15, lid 1, WPPT vastgestelde recht op één enkele billijke vergoeding onbeperkt toe te kennen aan de onderdanen van een derde staat die door middel van een voorbehoud waarvan in overeenstemming met artikel 15, lid 3, van die internationale overeenkomst kennis is gegeven, de toekenning van een dergelijk recht op zijn grondgebied uitsluit of beperkt.

81      De Unie en haar lidstaten zijn evenmin gehouden om het recht op één enkele billijke vergoeding onbeperkt toe te kennen aan de onderdanen van een derde staat die geen partij is bij het WPPT.

82      In dit verband moet worden opgemerkt dat de weigering van derde staten om het recht op één enkele billijke vergoeding voor alle of bepaalde vormen van gebruik op hun grondgebied van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen toe te kennen aan producenten van fonogrammen en aan de uitvoerende kunstenaars die aan die fonogrammen hebben bijgedragen, tot gevolg kan hebben dat onderdanen van lidstaten die actief zijn in de – vaak internationale – handel van muziekopnamen geen passend inkomen ontvangen en het moeilijker zullen hebben om hun investeringen terug te verdienen.

83      Een dergelijke weigering kan bovendien afbreuk doen aan de mogelijkheid voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen uit de lidstaten van de Unie om aan die handel deel te nemen op voet van gelijkheid met uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen uit de derde staat die in overeenstemming met artikel 15, lid 3, WPPT kennis heeft gegeven van een voorbehoud, doordat een situatie in het leven wordt geroepen waarin de uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen van die derde staat in alle gevallen waarin hun opgenomen muziek ten gehore wordt gebracht in de Unie inkomsten ontvangen, terwijl de betrokken derde staat zich, door de kennisgeving van dat voorbehoud op grond van artikel 15, lid 3, WPPT, niet enkel distantieert van artikel 15, lid 1, van deze internationale overeenkomst, maar eveneens van artikel 4, lid 1 daarvan, waarin de verplichting van gelijke behandeling met betrekking tot het recht op een billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen is vastgesteld.

84      Hieruit volgt dat de noodzaak om een gelijk speelveld te bewaren voor deelname aan de handel in opgenomen muziek een doelstelling van algemeen belang vormt die een beperking van het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde naburige recht kan rechtvaardigen ten aanzien van de onderdanen van een derde staat die dit recht niet of slechts gedeeltelijk toekent.

85      Het recht op één enkele billijke vergoeding is binnen de Unie evenwel een naburig recht, zoals blijkt uit punt 57 van het onderhavige arrest. Dit recht vormt bijgevolg een integrerend bestanddeel van het door artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom (zie naar analogie arresten van 27 maart 2014, UPC Telekabel Wien, C‑314/12, EU:C:2014:192, punt 47; 7 augustus 2018, Renckhoff, C‑161/17, EU:C:2018:634, punt 41, en 29 juli 2019, Pelham e.a., C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 32).

86      Derhalve is krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest vereist dat elke beperking op de uitoefening van dat naburige recht bij wet wordt gesteld, wat inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in dat recht toestaat zelf op duidelijke en nauwkeurige wijze moet bepalen in hoeverre de uitoefening van dat recht wordt beperkt [zie in die zin arrest van 17 december 2015, WebMindLicenses, C‑419/14, EU:C:2015:832, punt 81; advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 139, en arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C‑311/18, EU:C:2020:559, punten 175 en 176].

87      Het loutere bestaan van een voorbehoud waarvan naar behoren kennis is gegeven in overeenstemming met artikel 15, lid 3, WPPT voldoet niet aan dat vereiste omdat de onderdanen van de derde staat in kwestie op basis van een dergelijk voorbehoud niet kunnen weten hoe hun recht op één enkele billijke vergoeding dientengevolge precies wordt beperkt in de Unie. Daartoe is een duidelijke regel van het Unierecht zelf vereist.

88      Aangezien artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 een geharmoniseerde regel is, staat het uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers om te bepalen of de toekenning van dit naburige recht in de Unie moet worden beperkt ten aanzien van de onderdanen van derde staten en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen. Zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft benadrukt, bevat noch die bepaling, noch enige andere bepaling van het Unierecht bij de huidige stand van het Unierecht een dergelijke beperking.

89      Hieraan moet worden toegevoegd dat de Unie beschikt over de in artikel 3, lid 2, VWEU bedoelde exclusieve externe bevoegdheid om in het kader van het WPPT of daarbuiten met derde staten te onderhandelen over nieuwe wederzijdse verbintenissen die betrekking hebben op het recht op één enkele billijke vergoeding voor producenten van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen en de uitvoerende kunstenaars die tot deze fonogrammen bijdragen.

90      Elke overeenkomst daarover zou immers de draagwijdte kunnen wijzigen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, dat een gemeenschappelijke regel van de Unie is. De materie van een dergelijke doelgerichte overeenkomst en de – identieke – materie van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn zouden volledig samenvallen. Een situatie waarin de materie van een dergelijke overeenkomst volledig samenvalt met door de Unieregelgeving bestreken materie vormt een van de situaties waarin de Unie beschikt over de in artikel 3, lid 2, VWEU bedoelde exclusieve externe bevoegdheid [zie met name arresten van 4 september 2014, Commissie/Raad, C‑114/12, EU:C:2014:2151, punten 68‑70, en 20 november 2018, Commissie/Raad (AMP Antarctique), C‑626/15 en C‑659/16, EU:C:2018:925, punt 113].

91      Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 15, lid 3, WPPT en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 bij de huidige stand van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, WPPT kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, WPPT neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, er in de Unie niet toe leiden dat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten wordt beperkt. Dergelijke beperkingen kunnen evenwel door de Uniewetgever worden ingevoerd mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verzet zich er dus tegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van die derde staten.

 Vierde vraag

92      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op één enkele billijke vergoeding waarin deze bepaling voorziet op zodanige wijze wordt beperkt dat enkel de producent van het fonogram een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar die aan het fonogram heeft bijgedragen.

93      Aangezien uit de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 voortvloeit dat zowel uitvoerende kunstenaars als producenten van fonogrammen recht hebben op één enkele billijke vergoeding, doet de uitsluiting van bepaalde categorieën uitvoerende kunstenaars van enige vergoeding voor het gebruik van fonogrammen of reproducties daarvan waaraan die kunstenaars hebben bijgedragen, noodzakelijkerwijs afbreuk aan de eerbiediging van dat recht.

94      Aangezien deze vergoeding als essentieel kenmerk heeft dat zij wordt „verdeeld” tussen de producent van het fonogram en de uitvoerend kunstenaar, moeten beide partijen een deel ervan toegewezen krijgen. Zoals in punt 56 van het onderhavige arrest is vastgesteld, laat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 elke lidstaat weliswaar de mogelijkheid om te bepalen volgens welke voorwaarden die verdeling plaatsvindt, maar staat die bepaling een lidstaat niet toe om bepaalde categorieën uitvoerende kunstenaars van de verdeling van de vergoeding uit te sluiten en aldus de producenten van de fonogrammen waaraan die kunstenaars hebben bijgedragen de volledige vergoeding toe te kennen die door het gebruik van die fonogrammen of reproducties daarvan wordt gegenereerd.

95      Overigens zij opgemerkt dat een dergelijke uitsluiting de in punt 50 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstelling van richtlijn 2006/115 zou ondermijnen, die erin bestaat te waarborgen dat auteurs en uitvoerende kunstenaars hun creatief en artistiek werk ononderbroken kunnen voortzetten door te voorzien in geharmoniseerde rechtsbescherming waarmee hun de mogelijkheid wordt gegarandeerd om een passend inkomen te ontvangen en hun investeringen terug te verdienen.

96      Derhalve dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op één enkele billijke vergoeding waarin deze bepaling voorziet op zodanige wijze wordt beperkt dat enkel de producent van het fonogram in kwestie een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar die aan dat fonogram heeft bijgedragen.

 Kosten

97      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom moet, in het licht van artikel 4, lid 1, en artikel 15, lid 1, van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake uitvoeringen en fonogrammen, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat bij de omzetting in zijn wetgeving van de term „betrokken uitvoerende kunstenaars” die in artikel 8, lid 2, van die richtlijn is opgenomen en waarmee de kunstenaars worden aangeduid die recht hebben op een deel van de daarin bedoelde enkele billijke vergoeding, kunstenaars uitsluit die onderdaan zijn van staten die niet tot de Europese Economische Ruimte (EER) behoren, met als enige uitzondering kunstenaars die hun woon- of verblijfplaats in de EER hebben en die welke hun bijdrage aan het fonogram in de EER hebben geleverd.

2)      Artikel 15, lid 3, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 moeten bij de huidige stand van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat voorbehouden waarvan door derde staten krachtens artikel 15, lid 3, van dat verdrag kennis is gegeven en die tot gevolg hebben dat het in artikel 15, lid 1, van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen neergelegde recht op één enkele billijke vergoeding op hun grondgebied wordt beperkt, er in de Europese Unie niet toe leiden dat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 neergelegde recht ten aanzien van de onderdanen van die derde staten wordt beperkt. Dergelijke beperkingen kunnen evenwel door de Uniewetgever worden ingevoerd mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 verzet zich er dus tegen dat een lidstaat het recht op één enkele billijke vergoeding beperkt ten aanzien van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van die derde staten.

3)      Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op één enkele billijke vergoeding waarin deze bepaling voorziet op zodanige wijze wordt beperkt dat enkel de producent van het fonogram in kwestie een vergoeding ontvangt, zonder deze te moeten delen met de uitvoerend kunstenaar die aan dat fonogram heeft bijgedragen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.