Language of document : ECLI:EU:C:2020:672

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

3 september 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft – Artikel 18, lid 2 – Door de ondernemer tegen de consument ingestelde rechtsvordering – Begrip ‚woonplaats van de consument’ – Relevant tijdstip voor de vaststelling van de woonplaats van de consument – Overbrenging van de woonplaats van de consument na sluiting van de overeenkomst en vóór de instelling van het beroep”

In zaak C‑98/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Obvodní soud pro Prahu 8 (rechter voor de stad Praag – stadsdeel 8, Tsjechië) bij beslissing van 27 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 26 februari 2020, in de procedure

mBank S.A.

tegen

PA,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: M. Safjan, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen mBank S.A., een in Polen gevestigde bank die via een filiaal online activiteiten uitoefent in Tsjechië, en PA over een schuldvordering die voortvloeit uit niet-betaalde termijnen van een consumentenkredietovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        In de overwegingen 15 en 34 van verordening nr. 1215/2012 staat het volgende te lezen:

„(15)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. [...]

[...]

(34)      De continuïteit tussen het verdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32)], verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van [dat] verdrag [...] en de verordeningen ter vervanging daarvan.”

4        Hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid”, bevat tien afdelingen. Afdeling 1, „Algemene bepalingen”, bevat artikel 4 van deze verordening, dat in lid 1 ervan bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5        Afdeling 2 van dit hoofdstuk II, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bevat artikel 7 van deze verordening, dat luidt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]”

6        Afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, omvat de artikelen 17 tot en met 19.

7        Artikel 17, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalt:

„1.      Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling [...] wanneer:

a)      het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;

b)      het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of

c)      in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

2.      Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat maar in een lidstaat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die lidstaat.”

8        Artikel 18, lid 2, van deze verordening luidt als volgt:

„De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

9        Artikel 26, dat is opgenomen in afdeling 7 van dit hoofdstuk II, met als opschrift „Door partijen aangewezen bevoegd gerecht”, luidt:

„1.      Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd is.

2.      In aangelegenheden als bedoeld in afdelingen 3, 4 of 5, waarin de polishouder, de verzekerde, een begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, de benadeelde partij, de consument of de werknemer verweerder is, vergewist het gerecht zich ervan, alvorens bevoegdheid op grond van lid 1 te aanvaarden, dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen.”

10      Hoofdstuk V van deze verordening, met als opschrift „Algemene bepalingen”, bevat met name artikel 62 van die verordening, dat in lid 1 bepaalt:

„Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht zijn intern recht toe.”

 Tsjechisch recht

11      Uit § 11, lid 1, van zákon č. 99/1963 Sb., Občanský soudní řád (wet nr. 99/1963 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) volgt dat de omstandigheden op het tijdstip van de aanhangigmaking bij een gerecht relevant blijven om de materiële en territoriale bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen tot de afsluiting van de zaak. Wat de territoriale bevoegdheid betreft, blijkt uit § 85 van dit wetboek dat het rechtsgebied van een natuurlijke persoon gewoonlijk het rechtsgebied is waarin zich zijn woonplaats bevindt, tenzij de wet anders bepaalt.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      Op 21 juli 2014 is tussen partijen in het hoofdgeding elektronisch een consumentenkredietovereenkomst gesloten op grond waarvan aan PA, een natuurlijke persoon met de hoedanigheid van consument, een krediet van 50 000,00 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 1 820,00 EUR) is verleend.

13      Volgens de nationale rechter heeft PA herhaaldelijk vertraging opgelopen bij de betaling van de termijnen van die overeenkomst en verzuimd deze termijnen te voldoen, ondanks meerdere betalingsherinneringen in die zin en een door de bank in de precontentieuze fase gedaan schikkingsvoorstel.

14      Op 7 maart 2018 heeft mBank bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld tot veroordeling van PA tot betaling aan haar van de hoofdsom van de schuld, van de rente over dit bedrag en van de gekapitaliseerde rente.

15      Ter rechtvaardiging van de bevoegdheid van de Obvodní soud pro Prahu 8 (rechter voor de stad Praag – stadsdeel 8, Tsjechië) heeft mBank zich gebaseerd op het feit dat PA moet worden geacht haar woonplaats in Praag (Tsjechië) te hebben, zoals bleek uit het adres dat verweerster in de kredietaanvraag en in de overeenkomst zelf had opgegeven.

16      De verwijzende rechter merkt evenwel op dat PA op de datum van de instelling van het beroep haar woonplaats op Slowaaks grondgebied had en niet in Tsjechië. Naast het feit dat alle pogingen om de gerechtelijke stukken in laatstgenoemde lidstaat aan de belanghebbende partij te betekenen, waren mislukt, heeft deze, na overeenkomstig artikel 26, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 op de hoogte te zijn gebracht van haar rechten, onder overlegging van bewijsmateriaal immers betoogd dat zij op de datum van de instelling van het beroep haar woonplaats in Slowakije had, en bijgevolg de bevoegdheid van het Tsjechische gerecht waarbij de zaak aanhangig was gemaakt, betwist.

17      Hoewel de verwijzende rechter stelt dat het begrip „woonplaats van de consument” in de zin van verordening nr. 1215/2012 volgens hem moet worden begrepen als een verwijzing naar de woonplaats van de consument op de datum waarop het beroep is ingesteld, vraagt hij het Hof of dit daadwerkelijk het geval is, dan wel of dit begrip betrekking heeft op de woonplaats van de consument op de datum waarop de contractuele betrekkingen zijn ontstaan; dat wil zeggen, in een geval als in het hoofdgeding, de datum waarop de betrokken kredietovereenkomst is gesloten.

18      De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst noch betrekking heeft op een koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken, noch op een lening ter financiering van roerende lichamelijke zaken in de zin van artikel 17, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 1215/2012, en dat volgens hem krachtens artikel 17, lid 1, onder c), slechts sprake kan zijn van een door een consument gesloten overeenkomst indien de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft.

19      Daarop heeft de Obvodní soud pro Prahu 8 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet onder het begrip ‚woonplaats van de consument’ in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening [nr. 1215/2012] worden verstaan de woonplaats van de consument op de datum van instelling van de vordering dan wel op de datum waarop de verbintenis tussen de consument en zijn contractpartner is aangegaan (bijvoorbeeld op de datum van sluiting van de overeenkomst), dat wil zeggen, is er ook sprake van een door een consument gesloten overeenkomst in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van deze verordening wanneer de consument op de datum van instelling van de vordering woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar zijn contractpartner zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit?

2)      Kan een consument met woonplaats in een andere lidstaat overeenkomstig artikel 7 van verordening [nr. 1215/2012] worden opgeroepen voor de rechterlijke instantie van de plaats waar de verbintenis ten uitvoer is gelegd of waar deze ten uitvoer had moeten worden gelegd (ongeacht artikel 18, lid 2, en artikel 26, lid 2, van deze verordening), op grond dat de contractpartner van de consument op de datum van instelling van de vordering geen commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

20      Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat wanneer het antwoord op een vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op de prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking.

21      Deze bepaling dient in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing te worden toegepast.

22      Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, volgens vaste rechtspraak de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (zie met name arrest van 28 mei 2020, World Comm Trading Gfz, C‑684/18, EU:C:2020:403, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus in essentie te vernemen of artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde begrip „woonplaats van de consument” verwijst naar de woonplaats van de consument op de datum waarop de betrokken overeenkomst is gesloten dan wel op de datum waarop het beroep in rechte is ingesteld.

24      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst is gesloten door een natuurlijke persoon met de hoedanigheid van consument, en dat uit geen enkel ander element van het dossier waarover het Hof beschikt, kan worden opgemaakt dat PA die overeenkomst heeft gesloten voor een gebruik dat als bedrijfs‑ of beroepsmatig kan worden beschouwd in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012.

25      Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst volgens die bepaling kan vallen onder de categorie „door consumenten gesloten overeenkomsten” in de zin van die bepaling.

26      Wat de bijzondere bevoegdheidsregels voor door een consument gesloten overeenkomsten betreft, voorziet artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 in een exclusieve bevoegdheidsregel ingeval de rechtsvordering door een ondernemer tegen een consument wordt ingesteld, zoals in casu, op grond waarvan de rechtsvordering slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.

27      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat PA, die ten tijde van de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst haar woonplaats op het grondgebied van Tsjechië had, sindsdien van woonplaats is veranderd zonder deze wijziging aan haar medecontractant of aan de Tsjechische autoriteiten mee te delen.

28      Niettemin is de nationale rechter, zoals uiteengezet in punt 16 van deze beschikking, bij de toepassing van de lex fori overeenkomstig artikel 62, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 tot de conclusie gekomen dat PA haar laatste bekende woonplaats op Slowaaks grondgebied had.

29      In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, met name in de Tsjechische, Duitse, Engelse, Poolse, Roemeense en Finse taalversie ervan, duidelijk zijn voor zover daarin sprake is van „de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft”. Een letterlijke uitlegging van deze bepaling leidt dan ook tot de conclusie dat een beroep van een ondernemer dat tegen een consument wordt ingesteld, slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument op de datum van de instelling van de vordering zijn woonplaats heeft.

30      In de tweede plaats; zoals blijkt uit het rapport van P. Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1), was de werkelijke woonplaats op de datum van instelling van de vordering, en niet het in de overeenkomst vermelde adres, ten tijde van het sluiten van dat verdrag al de voorkeursoplossing. Op bladzijde 33 van dit rapport gaf Jenard namelijk aan dat „[d]e rechterlijke bevoegdheid [...] in geval van een vordering van de verkoper of de uitlener tamelijk moeilijk vast te stellen [is] wanneer de koper of de lener zich na sluiting van het contract in het buitenland vestigt”, en preciseerde hij dat „[d]e wens deze personen te beschermen [...] ertoe [leidt] dat zij uitsluitend zouden moeten worden gedagvaard voor de gerechten van het land waar zij hun nieuwe woonplaats hebben gevestigd”.

31      In de derde plaats zou een andere interpretatie leiden tot rechtsonzekerheid ten aanzien van het bevoegde gerecht in situaties waarin de consument tijdens de duur van de betrokken rechtsbetrekking een of meerdere malen van woonplaats is veranderd. Een dergelijke cumulatie van gerechten die kunnen worden aangezocht, zou immers in strijd zijn met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 genoemde doelstelling dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn.

32      In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof in punt 47 van zijn arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka (C‑327/10, EU:C:2011:745), dat betrekking had op verordening nr. 44/2001 maar kan worden toegepast op verordening nr. 1215/2012, voor recht heeft verklaard dat „in een situatie [...] waar een consument die partij is bij een overeenkomst voor een [...] lening [...], zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wordt ingesteld wegens schending van zijn contractuele verplichtingen, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatst bekende woonplaats van de consument bevindt, bevoegd zijn”. In het geval van opeenvolgende woonplaatsen is dus alleen de laatste bekende woonplaats van de consument op de datum waarop de betrokken rechtsvordering werd ingesteld, bepalend voor de vaststelling van de internationale bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat.

33      Hieruit volgt dat de gerechten van een lidstaat niet bevoegd zijn om kennis te nemen van een geschil over een door een consument gesloten overeenkomst volgens de voorwaarden van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, wanneer de laatste bekende woonplaats van de consument niet op het grondgebied van deze lidstaat is gelegen, zoals in casu.

34      Opgemerkt dient nog te worden dat die oplossing wordt gesteund door – in de eerste plaats – de opzet van de regels in afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 met betrekking tot de bevoegdheid voor „door consumenten gesloten overeenkomsten”, die restrictief dienen te worden uitgelegd aangezien ze afwijken van zowel de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van deze verordening, waarbij bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, als de in artikel 7, punt 1, van deze verordening geformuleerde bijzondere bevoegdheidsregel inzake overeenkomsten, volgens welke de bevoegdheid toekomt aan het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (zie naar analogie met betrekking tot verordening nr. 44/2001, arrest van 6 september 2012, Mühlleitner, C‑190/11, EU:C:2012:542, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Zoals wordt vermeld in het rapport van Jenard, genoemd in punt 30 van de onderhavige beschikking, strookt een dergelijke oplossing in de tweede plaats met de specifieke doelstelling van afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 met betrekking tot de „[b]evoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, waarin bijzondere bevoegdheidsregels zijn neergelegd ten gunste van consumenten, die economisch zwakker en juridisch minder ervaren worden geacht dan hun professionele contractpartij (zie naar analogie arrest van 23 december 2015, Hobohm, C‑297/14, EU:C:2015:844, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      Derhalve moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat het in artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 bedoelde begrip „woonplaats van de consument” aldus moet worden uitgelegd dat het verwijst naar de woonplaats van de consument op de datum waarop het beroep in rechte is ingesteld.

 Kosten

37      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Het begrip „woonplaats van de consument” in artikel 18, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het verwijst naar de woonplaats van de consument op de datum waarop het beroep in rechte is ingesteld.

ondertekeningen


*      Procestaal: Tsjechisch.