Language of document : ECLI:EU:C:2020:813

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

8 oktober 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Merken – Richtlijn 2008/95/EG – Artikel 3, lid 1, onder b) – Tekens die een merk kunnen vormen – Onderscheidend vermogen – Aanvraag tot inschrijving van een teken als merk voor een dienst, waarbij het teken bestaat uit kleurpatronen en bestemd is om te worden aangebracht op de goederen waarmee deze dienst wordt verricht – Beoordeling van het onderscheidend vermogen van dit teken – Criteria”

In zaak C‑456/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, zetelend als rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 14 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 14 juni 2019, in de procedure

Aktiebolaget Östgötatrafiken

tegen

Patent- och registreringsverket,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt:, M. Ilešič, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur) en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Aktiebolaget Östgötatrafiken, vertegenwoordigd door R. Berzelius en F. Weyde als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier, K. Simonsson en G. Tolstoy als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in wezen de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Aktiebolaget Östgötatrafiken en de Patent- och registreringsverk (Zweeds bureau voor intellectuele eigendom; hierna: „PRV”) over de afwijzing van een merkaanvraag.

 Toepasselijke bepalingen

 Richtlijn 2008/95

3        Artikel 2 van richtlijn 2008/95, met als opschrift „Tekens die een [merk] kunnen vormen”, luidt:

„Merken kunnen worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, met name [...] tekeningen, [...] vormen van waren of van verpakking, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden.”

4        Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Gronden voor weigering of nietigheid”, bepaalt:

„1.      Niet ingeschreven worden of, indien ingeschreven, nietig verklaard kunnen worden:

[...]

b)      merken die elk onderscheidend vermogen missen;

[...]

3.      Een merk wordt niet geweigerd of kan, indien ingeschreven, niet worden nietig verklaard overeenkomstig lid 1, onder b), c) of d), indien het merk, als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt, vóór de datum van de aanvrage om inschrijving onderscheidend vermogen heeft verkregen. De lidstaten kunnen voorts bepalen, dat deze bepaling ook van toepassing is, wanneer het onderscheidend vermogen verkregen is na de aanvrage om inschrijving of na de inschrijving.

[...]”

5        Richtlijn 2008/95 is met ingang van 15 januari 2019 ingetrokken en vervangen door richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1).

 Richtlijn 2015/2436

6        Artikel 3 van richtlijn 2015/2436, met als opschrift „Tekens die een merk kunnen vormen”, luidt:

„Merken kunnen worden gevormd door alle tekens, in het bijzonder [...] tekeningen, [...] kleuren, vormen van waren of verpakkingen van waren [...], mits deze:

a)      de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen, [...]

[...]”

7        Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Absolute gronden voor weigering of nietigheid”, bepaalt:

„1.      Worden niet ingeschreven of, indien ingeschreven, kunnen nietig worden verklaard:

[...]

b)      merken die elk onderscheidend vermogen missen;

[...]

4.      Een merk wordt niet geweigerd op grond van lid 1, onder b), c) of d), indien het merk, als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt, vóór de datum van de aanvraag om inschrijving onderscheidend vermogen heeft verkregen. Een merk wordt niet om dezelfde redenen nietig verklaard indien het, voor de datum van de vordering tot nietigverklaring, als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt, onderscheidend vermogen heeft verkregen.

5.      De lidstaat kan bepalen dat lid 4 ook van toepassing is wanneer het onderscheidend vermogen is verkregen na de datum van de aanvraag om inschrijving maar vóór de datum van inschrijving.”

8        Overeenkomstig artikel 54 („Omzetting”) van deze richtlijn waren de lidstaten verplicht om onder andere de artikelen 3 tot en met 6 ervan uiterlijk op 14 januari 2019 om te zetten in nationaal recht.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        Verzoekster in het hoofdgeding is houder van beeldmerken die bij de PRV zijn ingeschreven onder de nummers 363521 tot en met 363523 voor voertuig- en vervoersdiensten van klasse 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

10      Deze beeldmerken zijn weergegeven als volgt:

–        nr. 363521

Image not found

–        nr. 363522

Image not found

–        nr. 363523

Image not found

11      Op 23 november 2016 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de PRV drie merkaanvragen ingediend voor verschillende voertuig- en vervoersdiensten van klasse 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice van betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken.

12      In deze drie aanvragen zijn de merken omschreven als volgt: „Beschildering van voertuigen in de kleuren rood, wit en oranje, zoals aangeduid”. Verzoekster in het hoofdgeding heeft er bovendien op gewezen dat deze aanvragen geen betrekking hadden op de vorm zelf van de voertuigen of de zwart/grijze oppervlakken ervan.

13      Bij beslissing van 29 augustus 2017 heeft de PRV deze aanvragen afgewezen op grond dat de als merk aangevraagde tekens louter decoratief van aard waren, niet als aanduiding konden worden opgevat van de diensten waarop deze aanvragen betrekking hebben en derhalve elk onderscheidend vermogen misten.

14      Verzoekster in het hoofdgeding is tegen deze beslissing opgekomen bij de Patent- och marknadsdomstol (rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden).

15      Ter onderbouwing van haar beroep heeft zij erop gewezen dat de aangevraagde merken „positiemerken” zijn en bestaan uit ellipsvormige banden van verschillende omvang, in rood, oranje en wit, die in een bepaalde grootte en positie zijn aangebracht op bussen en treinen waarmee de vervoersdiensten kunnen worden verricht.

16      Verzoekster heeft de volgende afbeeldingen van de aangevraagde merken ingediend, waarbij de contouren van de voertuigen als stippellijnen zijn weergegeven teneinde duidelijk te maken dat de aangevraagde bescherming geen betrekking had op de vorm van deze voertuigen:

Image not found

Zijaanzicht


Image not found

Image not found

Vooraanzicht

Achteraanzicht