Language of document : ECLI:EU:C:2020:808

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

8 oktober 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 2011/83/EU – Artikel 2, punt 11, artikel 14, lid 3, en artikel 16, onder m) – Overeenkomst op afstand – Levering van digitale inhoud en digitale diensten – Herroepingsrecht – Verplichtingen van de consument bij herroeping – Bepaling van het door de consument te betalen bedrag voor prestaties die zijn verricht vóór de uitoefening van het herroepingsrecht – Uitzondering op het herroepingsrecht bij levering van digitale inhoud”

In zaak C‑641/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 23 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 30 augustus 2019, in de procedure

EU

tegen

PE Digital GmbH,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. Toader, waarnemend voor de kamerpresident, M. Safjan (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        EU, vertegenwoordigd door T. Meier-Bading, Rechtsanwalt,

–        PE Digital GmbH, vertegenwoordigd door C. Rohnke, Rechtsanwalt,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en S. Baeyens als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 11, artikel 14, lid 3, en artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen EU, als consument, en PE Digital GmbH over het bedrag dat EU laatstgenoemde verschuldigd is nadat zij haar herroepingsrecht voor de met deze onderneming gesloten overeenkomst heeft uitgeoefend.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 4, 19 en 50 van richtlijn 2011/83 luiden:

„(4)      [...] Harmonisatie van bepaalde aspecten van overeenkomsten op afstand [...] is noodzakelijk voor de bevordering van een echte interne markt voor de consument, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

[...]

(19)      Onder digitale inhoud wordt verstaan gegevens die in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden, zoals computerprogramma’s, toepassingen, spellen, muziek, video’s en teksten, ongeacht of de toegang tot deze gegevens wordt verkregen via downloaden of streaming, vanaf een materiële drager of langs een andere weg. Overeenkomsten inzake de levering van digitale inhoud dienen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen. [...] [O]vereenkomsten betreffende digitale inhoud die niet op een materiële drager wordt geleverd, [dienen] voor de toepassing van deze richtlijn niet te worden aangemerkt als verkoop- of dienstenovereenkomst. Ten aanzien van dergelijke overeenkomsten dient de consument een herroepingsrecht te hebben, tenzij de consument tijdens de herroepingsperiode heeft ingestemd met het begin van de uitvoering van de overeenkomst en aanvaard heeft dat hij vervolgens het recht om de overeenkomst te herroepen, zal verliezen. [...]

[...]

(50)      Enerzijds moeten consumenten over een herroepingsrecht beschikken, ook als zij hebben verzocht om verrichting van de dienst voor het verstrijken van de herroepingstermijn. Anderzijds dient de handelaar, indien de consument zijn herroepingsrecht uitoefent, ook te kunnen rekenen op een passende betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Bij de berekening van het evenredige bedrag dient te worden uitgegaan van de in de overeenkomst vastgestelde prijs, tenzij de consument kan aantonen dat die totale prijs zelf onevenredig is; in dat geval dient het te betalen bedrag te worden berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde dienst. De marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst. Daarom moet de consument het verzoek dat een dienst vóór het verstrijken van de herroepingstermijn wordt verricht uitdrukkelijk formuleren en, bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, op een duurzame gegevensdrager. Van zijn kant dient de handelaar de consument op een duurzame gegevensdrager te informeren over de verplichting om de pro rata kosten voor de reeds verrichte dienst te betalen. [...]”

4        Artikel 2 van deze richtlijn heeft als opschrift „Definities” en luidt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

6.      ‚dienstenovereenkomst’: iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst levert of zich ertoe verbindt een dienst te leveren en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs daarvan te betalen;

[...]

11.      ‚digitale inhoud’: gegevens die in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden;

[...]”

5        Artikel 7 van die richtlijn, met als opschrift „Formele vereisten voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”, bepaalt in lid 3:

„Indien de consument wenst dat de verrichting van diensten of de levering van water, gas of elektriciteit, die niet zijn gereed voor verkoop gemaakt in een beperkt volume of in een bepaalde hoeveelheid, of van stadsverwarming aanvangt tijdens de in artikel 9, lid 2, bedoelde herroepingstermijn, eist de handelaar dat de consument daar uitdrukkelijk om verzoekt op een duurzame gegevensdrager.”

6        Artikel 9 van de richtlijn heeft als opschrift „Herroepingsrecht” en bepaalt in lid 1:

„Behoudens wanneer de in artikel 16 bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn, beschikt de consument over een termijn van 14 dagen om de overeenkomst op afstand of de buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst zonder opgave van redenen te herroepen, en zonder andere kosten te moeten dragen dan die welke in artikel 13, lid 2, en artikel 14 zijn vastgesteld.”

7        Artikel 14 van richtlijn 2011/83, met als opschrift „Verplichtingen van de consument bij herroeping”, luidt:

„[...]

3.      Indien een consument het herroepingsrecht uitoefent nadat hij een verzoek overeenkomstig artikel 7, lid 3, of artikel 8, lid 8, heeft gedaan, betaalt de consument de handelaar een bedrag dat evenredig is aan hetgeen reeds is geleverd op het moment dat de consument de handelaar ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn herroepingsrecht uitoefent, vergeleken met de volledige uitvoering van de overeenkomst. Het evenredige bedrag dat de consument aan de handelaar moet betalen wordt berekend op grondslag van de totale prijs zoals vastgelegd in de overeenkomst. Als de totale prijs excessief is, wordt het evenredige bedrag berekend op grondslag van de marktwaarde van het geleverde.

4.      De consument draagt geen kosten voor:

a)      de uitvoering van diensten, of de levering van water, gas of elektriciteit, wanneer deze niet in beperkte volumes of in een bepaalde hoeveelheid gereed voor verkoop zijn gemaakt, of van stadsverwarming, die geheel of ten dele tijdens de herroepingstermijn zijn verleend, indien:

i)      de handelaar heeft nagelaten de informatie overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder h) of j), te verstrekken, of

ii)      de consument er niet uitdrukkelijk om heeft verzocht met de uitvoering van de dienst te beginnen tijdens de herroepingstermijn overeenkomstig artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 8, of

b)      de volledige of gedeeltelijke levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, indien:

i)      de consument er van tevoren niet uitdrukkelijk mee heeft ingestemd dat de uitvoering kan beginnen vóór het einde van de in artikel 9 bedoelde periode van 14 dagen;

ii)      de consument niet heeft erkend zijn recht op herroeping te verliezen bij het verlenen van zijn toestemming, of

iii)      de handelaar heeft nagelaten bevestiging te verstrekken overeenkomstig artikel 7, lid 2, of artikel 8, lid 7.

[...]”

8        Artikel 16 van deze richtlijn heeft als opschrift „Uitzonderingen op het herroepingsrecht” en bepaalt:

„De lidstaten voorzien niet in het in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde herroepingsrecht voor overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten betreffende:

[...]

m)      de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, als de uitvoering is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de consument en mits de consument heeft erkend dat hij zijn herroepingsrecht daarmee verliest.”

 Duits recht

9        § 312f, lid 3, van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) definieert digitale inhoud als „gegevens die zich niet op een materiële drager bevinden en die in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden”.

10      § 356 BGB, met als opschrift „Herroepingsrecht bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten en op afstand gesloten overeenkomsten”, bepaalt in lid 5:

„Bij een overeenkomst voor de levering van digitale inhoud die zich niet op een materiële drager bevindt, vervalt het herroepingsrecht ook wanneer de handelaar de overeenkomst is beginnen uit te voeren en de consument

1.      er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd dat de handelaar de overeenkomst vóór het einde van de herroepingstermijn begint uit te voeren, en

2.      heeft bevestigd kennis te hebben genomen van het feit dat hij, door daarmee in te stemmen, zijn herroepingsrecht verliest op het tijdstip van de uitvoering van de overeenkomst.”

11      § 357 BGB bepaalt in de leden 8 en 9:

„(8)      Wanneer de consument een overeenkomst voor de verrichting van diensten of de levering van water, gas of elektriciteit in onbepaalde hoeveelheden of onbeperkte volumes of van stadsverwarming herroept, betaalt hij een schadevergoeding voor de prestatie die reeds is verricht vóór de herroeping, wanneer hij de handelaar uitdrukkelijk heeft verzocht om met de uitvoering van de prestatie te beginnen vóór het einde van de herroepingstermijn. Het uit de eerste volzin voortvloeiende recht bestaat alleen als de handelaar de consument naar behoren heeft geïnformeerd overeenkomstig artikel 246a, §1, lid 2, eerste volzin, punten 1 tot en met 3, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek). Bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten bestaat het uit de eerste volzin voortvloeiende recht alleen als de consument zijn verzoek, in de zin van de eerste volzin, heeft geformuleerd op een duurzame gegevensdrager. De schadevergoeding moet worden berekend op basis van de overeengekomen totale prijs. Als de totale overeengekomen prijs excessief is, wordt de schadevergoeding berekend op basis van de marktwaarde van de geleverde prestatie.

(9)      De consument dient geen schadevergoeding te betalen wanneer hij een overeenkomst herroept voor de levering van digitale inhoud die zich niet op een materiële drager bevindt.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      PE Digital, een onderneming met zetel in Duitsland, exploiteert de datingwebsite „Parship” (www.parship.de). Zij biedt haar gebruikers twee soorten lidmaatschap aan: het basislidmaatschap (gratis) met zeer beperkte mogelijkheden om contact op te nemen met andere gebruikers en het premiumlidmaatschap (tegen betaling) voor de duur van 6, 12 of 24 maanden. Het premiumlidmaatschap biedt gebruikers de mogelijkheid om tijdens de duur van hun lidmaatschap met elk ander premiumlid – in Duitsland zijn dit er meer dan 186 000 – contact op te nemen, en berichten en foto’s aan elkaar te versturen.

13      Het premiumlidmaatschap omvat onder meer de zogenoemde „contactgarantie”, waarbij de gebruiker wordt gegarandeerd dat een bepaald aantal contacten met andere gebruikers tot stand komt. Als contact geldt in dit verband elk door de betrokken gebruiker gelezen antwoord op een door hem verzonden bericht, en elk door deze gebruiker ontvangen bericht, waarna hij minstens twee berichten aan de andere gebruiker schrijft en minstens twee berichten van deze andere gebruiker leest.

14      Gemiddeld worden in de eerste week van het premiumlidmaatschap 31,3 berichten verzonden en ontvangen, in de tweede week 8,9 berichten, in de derde week 6,1 berichten, in de vierde week 5,1 berichten en vanaf de vijfde week minder dan 5 berichten.

15      Voor iedere gebruiker die een lidmaatschap afsluit, wordt meteen na de aanmelding op basis van een ongeveer dertig minuten durende persoonlijkheidstest over eigenschappen, gewoonten en interesses die relevant zijn voor een relatie, automatisch een aantal mogelijke partners uit dezelfde deelstaat voorgesteld. Bij een premiumlidmaatschap van twaalf maanden beslaat dit aantal al bijna de helft van alle mogelijke partners die gedurende de looptijd van de overeenkomst worden voorgesteld. Het algoritme voor de persoonlijkheidstest is opgesteld en ontwikkeld onder leiding van een gediplomeerd psycholoog. Premiumleden ontvangen het per computer gegenereerde testresultaat in de vorm van een „persoonlijkheidsrapport” van vijftig bladzijden, dat basisleden tegen betaling kunnen verkrijgen als deelprestatie.

16      Op 4 november 2018 heeft EU, als consument, met PE Digital een overeenkomst voor een premiumlidmaatschap van twaalf maanden gesloten tegen een prijs van 523,95 EUR (hierna: „betrokken overeenkomst”). Deze prijs is meer dan twee keer zo hoog als de prijs die PE Digital aan sommige andere gebruikers in rekening heeft gebracht voor een in datzelfde jaar gesloten overeenkomst van dezelfde duur. PE Digital heeft EU overeenkomstig de vereisten van artikel 246a, § 1, lid 2, eerste volzin, punten 1 en 3, van de wet tot invoering van het burgerlijk wetboek geïnformeerd over haar herroepingsrecht, en EU heeft PE Digital bevestigd dat laatstgenoemde de overeengekomen prestatie moest beginnen te verrichten vóór het verstrijken van de herroepingstermijn.

17      Nadat EU de betrokken overeenkomst op 8 november 2018 heeft herroepen, heeft PE Digital haar een vergoeding van in totaal 392,96 EUR in rekening gebracht.

18      EU heeft de zaak aanhangig gemaakt bij het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) en terugbetaling gevorderd van alle aan PE Digital betaalde bedragen.

19      Op basis van de in juni 2014 door de Europese Commissie opgestelde leidraad bij richtlijn 2011/83, en met name punt 6.5.1 daarvan, betreffende artikel 14, lid 3, van deze richtlijn, meent de verwijzende rechter dat wanneer de dienst bestaat uit onderscheidbare deelprestaties die volgens de overeenkomst op verschillende tijdstippen worden verricht, de duur van elk van deze deelprestaties in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het bedrag van de aan de handelaar verschuldigde vergoeding.

20      Bij de berekening van het „bedrag dat evenredig is aan hetgeen reeds is geleverd op het moment dat de consument de handelaar ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn herroepingsrecht uitoefent, vergeleken met de volledige uitvoering van de overeenkomst” in de zin van artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83, moet volgens de verwijzende rechter niet alleen de door de handelaar verrichte prestatie in aanmerking worden genomen, maar ook de waarde die de prestatie voor de consument heeft gerealiseerd.

21      De vergoeding die de consument bij herroeping van de overeenkomst dient te betalen aan de handelaar, moet volgens die rechter overeenkomstig artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 en § 357, lid 8, BGB worden berekend door als eerste stap de verschillende deelprestaties van de overeenkomst van elkaar te onderscheiden. Als tweede stap dient de prijs van elk van de deelprestaties te worden bepaald naargelang hun waarde voor de gemiddelde consument, rekening houdend met de doelstelling van de overeenkomst en het statistische gebruikersgedrag. Als derde stap moeten de waardevergoedingscomponenten voor de afzonderlijke deelprestaties worden berekend op basis van de mate waarin de deelprestaties reeds zijn verricht en van de mate waarin hun waarde voor de (gemiddelde) consument reeds is gerealiseerd. Als vierde stap wordt dan het totale door de consument verschuldigde bedrag verkregen door de aldus berekende bedragen op te tellen.

22      De bezorging van het persoonlijkheidsrapport aan het begin van de uitvoering van de betrokken overeenkomst zou daarbij evenwel, als afzonderlijke deelprestatie, kunnen worden aangemerkt als levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager wordt geleverd, wat ertoe zou leiden dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 14, lid 4, onder b), ii), en artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83 en § 356, lid 5, en § 357, lid 9, BGB van toepassing zijn.

23      Deze uitlegging zou evenwel impliceren dat de consument geen herroepingsrecht heeft, hetgeen bijgevolg afbreuk zou doen aan zijn rechten.

24      Voorts meent de verwijzende rechter onder verwijzing naar artikel 14, lid 3, juncto overweging 50 van richtlijn 2011/83 dat een totaalprijs die twee keer zo hoog ligt als die welke voor dezelfde prestatie wordt gefactureerd aan andere gebruikers, niet „excessief” is in de zin van deze bepaling zolang die prijs de marktwaarde van de verleende dienst niet bereikt of slechts in geringe mate overschrijdt.

25      In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 14, lid 3, van [richtlijn 2011/83], gelet op overweging 50 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het door de consument te betalen ‚bedrag dat evenredig is aan hetgeen reeds is geleverd op het moment dat de consument de handelaar ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn herroepingsrecht uitoefent, vergeleken met de volledige uitvoering van de overeenkomst’, uitsluitend pro rata temporis dient te worden berekend bij een overeenkomst op grond waarvan niet één enkele prestatie maar een uit meerdere deelprestaties bestaande dienst moet worden verricht, wanneer de consument weliswaar voor de dienst als geheel pro rata temporis betaalt, maar de deelprestaties op verschillende tijdstippen worden verricht?

2)      Moet artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 aldus worden uitgelegd dat het door de consument te betalen ‚bedrag dat evenredig is aan hetgeen reeds is geleverd op het moment dat de consument de handelaar ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn herroepingsrecht uitoefent, vergeleken met de volledige uitvoering van de overeenkomst’, ook uitsluitend pro rata temporis moet worden berekend wanneer een (deel)prestatie weliswaar continu wordt verricht, maar aan het begin van de looptijd van de overeenkomst een hogere of lagere waarde heeft voor de consument?

3)      Moeten artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83 en artikel 2, punt 1, van richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 [betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten (PB 2019, L 136, blz. 1)] aldus worden uitgelegd dat ook bestanden die als deelprestatie worden geleverd in het kader van een dienst die voornamelijk wordt verricht als ‚digitale dienst’ in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2019/770, kunnen worden aangemerkt als ‚digitale inhoud’ in de zin van artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83 en artikel 2, punt 1, van richtlijn 2019/770, met als gevolg dat de handelaar het herroepingsrecht kan doen vervallen op grond van artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83 wat de deelprestatie betreft, maar de consument de overeenkomst als geheel kan herroepen en op grond van artikel 14, lid 4, onder b), ii), van richtlijn 2011/83 voor deze deelprestatie geen vergoeding hoeft te betalen wanneer de handelaar er niet in slaagt dat recht te doen vervallen?

4)      Moet artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83, gelet op overweging 50 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de voor een dienst contractueel overeengekomen totale prijs ‚excessief’ is in de zin van artikel 14, lid 3, derde volzin, van die richtlijn wanneer hij aanzienlijk hoger is dan de totale prijs die dezelfde handelaar voor een inhoudelijk identieke dienst is overeengekomen met een andere consument, waarbij de looptijd van de overeenkomst en ook de overige voorwaarden dezelfde zijn?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

26      Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat, om het evenredige bedrag te bepalen dat de consument de handelaar verschuldigd is wanneer hij deze uitdrukkelijk heeft verzocht om reeds met de uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst te beginnen tijdens de herroepingstermijn en hij de overeenkomst daarna herroept, de prijs in aanmerking moet worden genomen die daarin is overeengekomen voor de bedongen prestaties in hun geheel en het verschuldigde bedrag pro rata temporis moet worden berekend, dan wel rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de handelaar een van die prestaties reeds volledig heeft verricht op het moment dat de consument de overeenkomst herroept.

27      In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 bepaalt dat wanneer een consument het herroepingsrecht uitoefent nadat hij de handelaar heeft verzocht om met de uitvoering van de overeenkomst te beginnen vóór het einde van de herroepingstermijn, hij de handelaar een bedrag moet betalen „dat evenredig is aan hetgeen reeds is geleverd op het moment dat de consument de handelaar ervan in kennis heeft gesteld dat hij zijn herroepingsrecht uitoefent, vergeleken met de volledige uitvoering van de overeenkomst”. Deze bepaling preciseert tevens dat „het evenredige bedrag [...] wordt berekend op grondslag van de totale prijs zoals vastgelegd in de overeenkomst”.

28      Het evenredige bedrag dat de consument volgens artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 moet betalen, moet in beginsel worden berekend met inachtneming van alle prestaties die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken, te weten de hoofdprestatie en de nevenprestaties die nodig zijn om de hoofdprestatie te kunnen garanderen. Wanneer contractpartijen een prijs voor de te verrichten prestaties bepalen, slaat die in beginsel op het geheel van de prestaties, zowel de hoofdprestatie als de nevenprestaties.

29      Enkel wanneer een overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat een of meerdere prestaties meteen bij de aanvang van de uitvoering van de overeenkomst volledig worden verstrekt, afzonderlijk en tegen een apart te betalen prijs, kan de consument met kennis van zaken beslissen of hij de handelaar overeenkomstig artikel 7, lid 3, van richtlijn 2011/83 uitdrukkelijk wil verzoeken om de dienstverlening reeds aan te vangen tijdens de termijn voor de uitoefening van het herroepingsrecht. Het is dus alleen in dat geval dat de totale voor die prestatie(s) in de overeenkomst vastgelegde prijs in aanmerking moet worden genomen om het aan de handelaar verschuldigde bedrag te berekenen volgens artikel 14, lid 3, van deze richtlijn.

30      De in de punten 28 en 29 van dit arrest aan die bepaling gegeven uitlegging strookt met de doelstelling waarnaar wordt verwezen in overweging 4 van richtlijn 2011/83, namelijk het waarborgen van een juist evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven (zie naar analogie arresten van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C‑430/17, EU:C:2019:47, punt 41; 27 maart 2019, slewo, C‑681/17, EU:C:2019:255, punt 39, en 10 juli 2019, Amazon EU, C‑649/17, EU:C:2019:576, punt 44).

31      In casu voorzag de betrokken overeenkomst echter niet in een aparte prijs voor enige prestatie waarvan moest worden aangenomen dat deze kon worden afgescheiden van de overeengekomen hoofdprestatie.

32      Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat, om het evenredige bedrag te bepalen dat de consument de handelaar verschuldigd is wanneer hij deze uitdrukkelijk heeft verzocht om reeds met de uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst te beginnen tijdens de herroepingstermijn en hij de overeenkomst daarna herroept, in beginsel de prijs in aanmerking dient te worden genomen die daarin is overeengekomen voor de bedongen prestaties in hun geheel en het verschuldigde bedrag pro rata temporis moet worden berekend. Enkel ingeval een overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat een of meerdere prestaties meteen bij de aanvang van de uitvoering van de overeenkomst volledig worden verstrekt, afzonderlijk en tegen een apart te betalen prijs, moet de totale voor die prestatie(s) in de overeenkomst vastgelegde prijs in aanmerking worden genomen om het aan de handelaar verschuldigde bedrag te berekenen volgens artikel 14, lid 3, van die richtlijn.

 Vierde vraag

33      Met zijn vierde vraag, die vóór de derde moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke criteria moeten worden gehanteerd bij de beoordeling of de totale prijs excessief is in de zin van artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83.

34      In dit verband zij eraan herinnerd dat deze bepaling luidt dat „[a]ls de totale prijs excessief is, [...] het evenredige bedrag [wordt] berekend op grondslag van de marktwaarde van het geleverde”.

35      Deze bepaling moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van overweging 50 van richtlijn 2011/83, die preciseert dat de marktwaarde moet worden vastgesteld door vergelijking met de prijs van een gelijkwaardige dienst, uitgevoerd door andere handelaren op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst.

36      Hieruit volgt dat alle factoren die verband houden met de marktwaarde van de verleende dienst relevant zijn voor de vraag of de totale prijs excessief is. Met andere woorden, deze moet worden vergeleken met zowel de prijs die de betrokken handelaar in dezelfde omstandigheden heeft aangerekend aan andere consumenten als de prijs van een gelijkwaardige dienst die wordt verstrekt door andere handelaren.

37      Gelet op het voorgaande dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83, gelezen in het licht van overweging 50 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of de totale prijs excessief is in de zin van deze bepaling, rekening moet worden gehouden met de prijs die de betrokken handelaar in dezelfde omstandigheden aanbiedt aan andere consumenten en met de prijs van een gelijkwaardige dienst die op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst wordt verstrekt door andere handelaren.

 Derde vraag

38      Met zijn derde vraag, die als laatste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welk gevolg moet worden verbonden – teneinde het door de consument aan de handelaar te betalen bedrag te bepalen overeenkomstig artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83 – aan het feit dat een van de prestaties van de overeenkomst een levering betreft van digitale inhoud die niet op een materiële drager wordt geleverd, waarvoor de consument volgens artikel 16, onder m), van deze richtlijn geen herroepingsrecht heeft.

39      Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, bestaat de in de derde vraag bedoelde prestatie erin dat aan de consument het in punt 15 van dit arrest genoemde persoonlijkheidsrapport wordt verstrekt.

40      De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83 relevant is in het hoofdgeding. Volgens deze bepaling voorzien de lidstaten niet in een herroepingsrecht bij overeenkomsten op afstand voor de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, als de uitvoering is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de consument en mits de consument heeft erkend dat hij zijn herroepingsrecht daarmee verliest.

41      Met betrekking tot „digitale inhoud” moet eraan worden herinnerd dat deze in artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83 wordt gedefinieerd als „gegevens die in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden”.

42      Overweging 19 van deze richtlijn preciseert dat „[o]nder digitale inhoud wordt verstaan gegevens die in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden, zoals computerprogramma’s, toepassingen, spellen, muziek, video’s en teksten, ongeacht of de toegang tot deze gegevens wordt verkregen via downloaden of streaming, vanaf een materiële drager of langs een andere weg”.

43      Artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83, dat een uitzondering vormt op het herroepingsrecht, moet als bepaling van Unierecht die een beperking van de consumentenbescherming bevat, restrictief worden uitgelegd [zie naar analogie arrest van 14 mei 2020, NK (Ontwerp voor een eengezinswoning), C‑208/19, EU:C:2020:382, punten 40 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44      In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat een dienst als die welke wordt verleend door de datingwebsite in het hoofdgeding, die de consument in staat stelt gegevens in digitale vorm te creëren, te verwerken of op te slaan, of toegang tot dergelijke gegevens te verkrijgen, en die voorziet in de mogelijkheid van het delen van of andere interactie met gegevens in digitale vorm die door de consument of door andere gebruikers van die dienst worden geüpload of gecreëerd, op zich niet kan worden beschouwd als de levering van „digitale inhoud” in de zin van artikel 16, onder m), van richtlijn 2011/83, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 11, en in het licht van overweging 19 ervan.

45      Evenzo kan de opstelling – in het kader van een datingwebsite – van een persoonlijkheidsrapport als bedoeld in punt 15 van dit arrest niet worden geacht onder de uitzondering van artikel 16, onder m), juncto artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83 te vallen.

46      Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 16, onder m), gelezen in samenhang met artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een datingwebsite een persoonlijkheidsrapport genereert op basis van een door die website verrichte persoonlijkheidstest, geen sprake is van de levering van „digitale inhoud” in de zin van deze bepaling.

 Kosten

47      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat, om het evenredige bedrag te bepalen dat de consument de handelaar verschuldigd is wanneer hij deze uitdrukkelijk heeft verzocht om reeds met de uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst te beginnen tijdens de herroepingstermijn en hij de overeenkomst daarna herroept, in beginsel de prijs in aanmerking dient te worden genomen die daarin is overeengekomen voor de bedongen prestaties in hun geheel en het verschuldigde bedrag pro rata temporis moet worden berekend. Enkel ingeval een overeenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat een of meerdere prestaties meteen bij de aanvang van de uitvoering van de overeenkomst volledig worden verstrekt, afzonderlijk en tegen een apart te betalen prijs, moet de totale voor die prestatie(s) in de overeenkomst vastgelegde prijs in aanmerking worden genomen om het aan de handelaar verschuldigde bedrag te berekenen volgens artikel 14, lid 3, van die richtlijn.

2)      Artikel 14, lid 3, van richtlijn 2011/83, gelezen in het licht van overweging 50 ervan, moetaldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of de totale prijs excessief is in de zin van deze bepaling, rekening moet worden gehouden met de prijs die de betrokken handelaar in dezelfde omstandigheden aanbiedt aan andere consumenten en met de prijs van een gelijkwaardige dienst die op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst wordt verstrekt door andere handelaren.

3)      Artikel 16, onder m), gelezen in samenhang met artikel 2, punt 11, van richtlijn 2011/83, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een datingwebsite een persoonlijkheidsrapport genereert op basis van een door die website verrichte persoonlijkheidstest, geen sprake is van de levering van „digitale inhoud” in de zin van deze bepaling.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.