Language of document :

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 24 september 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof - Duitsland) – Strafzaak tegen XC

(Zaak C-195/20 PPU)1

(Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Gevolgen van de overlevering – Artikel 27 – Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten – Specialiteitsbeginsel)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partij in de strafzaak

XC

in tegenwoordigheid van: Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof

Dictum

Artikel 27, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het in lid 2 van dit artikel geformuleerde specialiteitsbeginsel zich niet verzet tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die tegen een persoon jegens wie een eerste Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt genomen op grond van andere feiten dan die welke de reden voor zijn overlevering op grond van dat bevel zijn geweest, en die vóór die feiten zijn gepleegd, wanneer die persoon het grondgebied van de lidstaat die het eerste bevel had uitgevaardigd vrijwillig heeft verlaten en daaraan is overgeleverd op grond van een tweede Europees aanhoudingsbevel, dat na dat vertrek is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, voor zover de rechterlijke autoriteit die dat bevel uitvoert, in het kader van het tweede Europees aanhoudingsbevel heeft ingestemd met uitbreiding van de strafvervolging tot de feiten waarvoor die vrijheidsbeperkende maatregel wordt genomen.

____________

1 PB C 230 van 13.7.2020.