Language of document : ECLI:EU:C:2020:1042

Zaak C416/20 PPU

TR

(Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht Hamburg)

 Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 december 2020

„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel – Artikel 4 bis, lid 1 – Procedures van overlevering tussen de lidstaten – Voorwaarden voor tenuitvoerlegging – Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging – Uitzonderingen – Verplichte tenuitvoerlegging – Bij verstek opgelegde straf – Vlucht van de beklaagde – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikelen 8 en 9 – Recht om bij zijn proces aanwezig te zijn – Vereisten in geval van veroordeling bij verstek – Toetsing bij de overlevering van de veroordeelde”

1.        Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Beginsel van wederzijdse erkenning – Draagwijdte

(Kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, overweging 6 en art. 1, lid 2, art. 3, 4, 4 bis en 5)

(zie punten 30, 32)

2.        Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd voor de uitvoering van een bij verstek opgelegde straf – Vlucht van de veroordeelde in het stadium van de strafvervolging – Weigering dat bevel uit te voeren bij gebreke van waarborgen van de uitvaardigende lidstaat inzake de eerbiediging van het recht op een nieuw proces als bedoeld in richtlijn 2016/343 – Ontoelaatbaarheid – Mogelijkheid om zich voor de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat te beroepen op de niet-naleving van de rechtstreeks werkende bepalingen van deze richtlijn

(Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad, art. 8 en 9; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 4 bis, lid 1)

(zie punten 36, 37, 39, 40, 45, 46, 54, 55 en dictum)

3.        Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een bij verstek opgelegde straf – Mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een bevel ondanks omstandigheden die onder de gronden tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging vallen – Voorwaarden – Geen schending van de rechten van verdediging van de betrokkene in geval van zijn overlevering – Beoordelingscriteria

(Kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 4 bis, lid 1)

(zie punten 50‑52)

Samenvatting

Wanneer een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en de betrokkene door zijn vlucht naar de uitvoerende lidstaat niet in persoon kon worden gedagvaard en evenmin in persoon op het proces is verschenen, mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel niet worden geweigerd alleen maar omdat de uitvaardigende lidstaat niet de zekerheid heeft geboden dat het recht van de betrokkene op een nieuw proces zal worden geëerbiedigd.

Dit doet niet af aan het feit dat de uitvaardigende lidstaat de Unierechtelijke bepalingen ter waarborging van het recht op een nieuw proces moet naleven

Tegen de Roemeense onderdaan TR is in Roemenië in twee afzonderlijke procedures strafvervolging ingesteld. Omdat de betrokkene naar Duitsland is gevlucht, hebben de tegen hem gevoerde procedures in eerste aanleg en in hoger beroep in zijn afwezigheid plaatsgevonden. Hij was echter op de hoogte van ten minste een van deze procedures en werd tijdens deze procedures in eerste aanleg vertegenwoordigd door advocaten die hij zelf had gekozen, en in hoger beroep door advocaten die de rechterlijke instanties ambtshalve hadden aangewezen. In beide processen werd hij tot een vrijheidsstraf veroordeeld. Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze straffen hebben de Roemeense autoriteiten Europese aanhoudingsbevelen (hierna: „EAB”) uitgevaardigd. TR bevindt zich in Hamburg (Duitsland), waar hij sinds 31 maart 2020 van zijn vrijheid is beroofd.

Op 28 mei 2020 heeft het Hanseatische Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van Hamburg, Duitsland) beslist om gevolg te geven aan de EAB’s. TR heeft zich daartegen verzet met het argument dat de Roemeense autoriteiten weigeren te waarborgen dat de betrokken strafprocedures worden heropend, wat volgens hem onverenigbaar is met het recht van beklaagden om bij hun proces aanwezig te zijn(1), en, in het geval dat zij niet op hun proces aanwezig zijn, met hun recht op een nieuw proces(2). De Duitse rechter moet dus uitspraak doen over de rechtmatigheid van de overlevering van TR op basis van de nationale bepalingen die uitvoering geven aan artikel 4 bis van het kaderbesluit betreffende het EAB.(3) Krachtens dit artikel mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB negeren als dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die in afwezigheid van de betrokkene is opgelegd, tenzij zich bepaalde limitatief opgesomde gevallen voordoen. In deze context heeft deze rechter besloten het Hof de vraag voor te leggen wat de eventuele gevolgen zijn wanneer de vereisten inzake het recht op een nieuw proces niet worden nageleefd in de uitvaardigende lidstaat, waarbij hij opmerkt dat deze omstandigheid niet valt onder de in artikel 4 bis bedoelde gevallen.

Beoordeling door het Hof

In het kader van de prejudiciële spoedprocedure oordeelt het Hof dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet op grond van artikel 4 bis van het kaderbesluit betreffende het EAB de tenuitvoerlegging van een EAB mag weigeren alleen maar omdat zij niet de zekerheid heeft dat bij overlevering aan de uitvaardigende lidstaat het recht van de betrokkene op een nieuw proces(4) zal worden geëerbiedigd, wanneer de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat is gevlucht en daardoor niet in persoon kon worden gedagvaard en niet op het proces is verschenen.

Het Hof baseert deze vaststelling op de overweging dat de gevallen waarin de lidstaten kunnen weigeren om een EAB ten uitvoer te leggen, limitatief zijn vastgelegd(5) en dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB niet afhankelijk mag stellen van andere voorwaarden.

Na deze verduidelijking merkt het Hof in de eerste plaats op dat de afwezigheid van de betrokkene op het proces dat heeft geleid tot de veroordeling op basis waarvan vervolgens een EAB tegen hem is uitgevaardigd, een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van dit EAB vormt. Sinds een wijziging van het kaderbesluit betreffende het EAB(6) is de reikwijdte van deze grond echter beperkter, aangezien artikel 4 bis een uitputtende opsomming geeft van de gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een dergelijk EAB moet worden geacht geen afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging. In dergelijke gevallen is de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus verplicht het EAB ten uitvoer te leggen. Deze situatie doet zich met name voor wanneer de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een door hemzelf of door de staat aangewezen raadsman heeft gemachtigd en daadwerkelijk door die raadsman is verdedigd.(7)

In de tweede plaats bevestigt het Hof dat het feit dat de uitvaardigende lidstaat de Unierechtelijke bepalingen ter waarborging van het recht op een nieuw proces niet naleeft, de tenuitvoerlegging van een EAB niet kan verhinderen. Was dat wel zo, dan zou de regeling van het kaderbesluit betreffende het EAB namelijk worden omzeild. Het Hof benadrukt echter dat dit niets afdoet aan de verplichting van de uitvaardigende lidstaat om deze bepalingen te eerbiedigen. Indien deze lidstaat de bepalingen niet op tijd of onjuist heeft omgezet, kan de betrokkene zich bij overlevering dus voor de rechterlijke instanties van die lidstaat beroepen op deze rechtstreeks werkende bepalingen.

In de derde plaats benadrukt het Hof dat de onderzochte grond een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging is. Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat zich geen van de gevallen voordoet waarin zij niet de tenuitvoerlegging kan weigeren van een EAB dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek uitgesproken veroordeling, mag deze autoriteit dus andere omstandigheden in aanmerking nemen op basis waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de betrokkene niet tot schending van zijn rechten van verdediging leidt. In voorkomend geval kan zij dan tot diens overlevering overgaan. In dit verband wijst het Hof erop dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rekening kan houden met het gedrag van de betrokkene. In het kader van de beoordeling door deze rechterlijke autoriteit is het met name relevant dat de betrokkene heeft trachten te vermijden dat hem informatie betreffende de strafprocedures zou worden betekend en dat hij tevens elk contact met de ambtshalve aangewezen advocaten heeft vermeden.


1      Dit recht is neergelegd in artikel 8 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2016/343”). De lidstaten kunnen evenwel onder bepaalde voorwaarden vaststellen dat een proces in afwezigheid van de betrokkene mag plaatsvinden.


2      Dit recht is neergelegd in artikel 9 van richtlijn 2016/343.


3      Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - Verklaringen van sommige lidstaten over de aanneming van het kaderbesluit (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24).


4      Zoals omschreven in de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343.


5      Het kaderbesluit betreffende het EAB maakt onderscheid tussen de in artikel 3 genoemde gevallen waarin de tenuitvoerlegging verplicht moet worden geweigerd en de in de artikelen 4 en 4 bis genoemde gevallen waarin de weigering van de tenuitvoerlegging facultatief is.


6      In de oorspronkelijke versie was deze grond opgenomen in artikel 5, punt 1. Deze bepaling is ingetrokken bij kaderbesluit 2009/299 en in het kaderbesluit betreffende het EAB vervangen door artikel 4 bis.


7      Artikel 4 bis, lid 1, onder b), van het kaderbesluit betreffende het EAB.