Language of document : ECLI:EU:C:1999:523

ARREST VAN HET HOF

26 oktober 1999 (1)

„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen —

Weigering, vrouw aan te stellen als kok bij Royal Marines”

In zaak C-273/97,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Industrial Tribunal, Bury St Edmunds (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

A. M. Sirdar

en

The Army Board,

Secretary of State for Defence,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het EG-Verdrag, met name artikel 224 (thans artikel 297 EG) daarvan, en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), met name artikel 2 daarvan,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward en R. Schintgen, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet (rapporteur), G. Hirsch, P. Jann, en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: A. La Pergola


griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

—    A. M. Sirdar, vertegenwoordigd door P. Duffy, QC, en D. Rose, barrister, geïnstrueerd door H. Slater, solicitor, The Equal Opportunities Commission,

—    de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door R. Plender, QC, S. Richards en R. McManus, barristers,

—    de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur internationaal economisch recht en gemeenschapsrecht bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij deze directie, als gemachtigden,

—    de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en Â. Seiça Neves, lid van deze dienst, als gemachtigden,

—    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper en M. Wolfcarius, juridisch adviseurs, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van A. M. Sirdar, vertegenwoordigd door P. Duffy en D. Rose, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door R. Cranston, QC, en R. Plender, de Franse regering, vertegenwoordigd door A. de Bourgoing, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper, ter terechtzitting van 27 oktober 1998,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 1999,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij beschikking van 28 april 1997, ingekomen bij het Hof op 29 juli daaraanvolgend, heeft het Industrial Tribunal, Bury St Edmunds, krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van dit Verdrag, met name artikel 224 (thans artikel 297 EG) daarvan, en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40, hierna: „richtlijn”), met name artikel 2 daarvan.

2.
    Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen A. M. Sirdar en The Army Board en de Secretary of State for Defence over de weigering om Sirdar als kok bij de Royal Marines aan te stellen.

De toepasselijke bepalingen

3.
    Artikel 224 van het Verdrag bepaalt:

„De lidstaten plegen onderling overleg ten einde gezamenlijk de regelingen te treffen noodzakelijk om te voorkomen dat de werking van de gemeenschappelijke markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen, in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van een ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.”

4.
    Artikel 2, leden 1 en 2, van de richtlijn luidt:

„1.    Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van

geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.

2.    Deze richtlijn vormt geen belemmering voor de bevoegdheid van de lidstaten om beroepsactiviteiten van de toepassing hiervan uit te sluiten en, in voorkomend geval, de hiervoor noodzakelijke opleidingen, waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is.”

5.
    Artikel 9, lid 2, van de richtlijn luidt: „De lidstaten onderzoeken op gezette tijden de in artikel 2, lid 2, bedoelde beroepsactiviteiten om na te gaan of het gezien de sociale ontwikkeling gerechtvaardigd is de desbetreffende uitzonderingen te handhaven. Zij stellen de Commissie in kennis van het resultaat van hun onderzoek.”

Het hoofdgeding

6.
    In het Verenigd Koninkrijk is de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen geregeld in de Sex Discrimination Act 1975. In Section 85(4) daarvan wordt bepaald: „Deze Act doet niet af aan de wettigheid van handelingen, verricht ter verzekering van de gevechtskracht van de Koninklijke zee-, land- of luchtmacht.”

7.
    Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de leiding van de Royal Marines als beleid, geen vrouwen in dienst te nemen, daar dit niet te verenigen zou zijn met het vereiste van „interoperabiliteit”, dat wil zeggen dat elke marinier, ongeacht zijn specialisatie, in staat moet zijn in een commando-eenheid te functioneren. Dit beleid is uiteengezet in een rapport van 10 juni 1994, getiteld „Nieuw aanwervingsbeleid voor vrouwen in het leger — Gevolgen voor de Royal Marines”, waar in paragraaf 2 b (aangehaald in punt 42 van de verwijzingsbeschikking) met

zoveel woorden staat: „In een klein team dient elke marinier in tijden van crisis en van personeelstekort in staat te zijn, te allen tijde overeenkomstig zijn rang en bekwaamheid in een commando-eenheid te functioneren (...) Bij aanstelling van vrouwen bij de Royal Marines is deze interoperabiliteit niet gewaarborgd.”

8.
    Sirdar maakte sinds 1983 deel uit van het personeel van de Britse landmacht en was sinds 1990 als kok werkzaam bij een commandoregiment van de Royal Artillery, toen zij in februari 1994 te horen kreeg dat zij met ingang van februari 1995 om economische redenen moest afvloeien. Deze afvloeiing, die het gevolg was van een kostenonderzoek bij defensie, betrof een groot aantal koks, in totaal meer dan 500.

9.
    In juli 1994 werd Sirdar overplaatsing aangeboden naar de Royal Marines, die koks nodig hadden. In de desbetreffende brief werd erop gewezen, dat de kandidaat om voor overplaatsing in aanmerking te komen eerst een voorselectie en daarna de commando-opleiding moest doorlopen. Toen het bevoegd gezag van de Royal Marines echter vernam, dat Sirdar een vrouw was, en zich realiseerde, dat het aanbod haar bij vergissing was gedaan, deelde het haar mee, dat zij in verband met het beleid van uitsluiting van vrouwen van dit legeronderdeel niet voor overplaatsing in aanmerking kwam.

10.
    Na haar ontslag stelde Sirdar een vordering in bij het Industrial Tribunal, Bury St Edmunds, wegens sexediscriminatie. Van oordeel dat voor de beslechting van het geschil de uitlegging van bepalingen van het Verdrag en de richtlijn noodzakelijk was, heeft het Tribunal het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)    Vallen beleidsbeslissingen die een lidstaat in vredestijd en/of ter voorbereiding op oorlog neemt ten aanzien van de toegang tot de arbeid, de beroepsopleiding, de arbeidsvoorwaarden of het inzetten van zijn strijdkrachten, indien deze beslissingen worden genomen in het belang van

de gevechtskracht, buiten de werkingssfeer van het EG-Verdrag en/of de afgeleide wetgeving, in het bijzonder richtlijn 76/207/EEG van de Raad?

2)    Vallen beslissingen die een lidstaat ter voorbereiding op oorlog en in vredestijd neemt met betrekking tot de aanwerving, opleiding en het inzetten van soldaten in marinecommando-eenheden van zijn strijdkrachten, die zijn bedoeld voor directe confrontatie met vijandelijke strijdkrachten in geval van oorlog, buiten de werkingssfeer van het EG-Verdrag of de afgeleide wetgeving, indien die beslissingen worden genomen ter verzekering van de gevechtskracht van zulke eenheden?

3)    Moet artikel 224 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het de lidstaten toestaat, discriminatie op grond van geslacht in verband met de toegang tot de arbeid, de beroepsopleiding, de arbeidsvoorwaarden, de ontslagvoorwaarden daaronder begrepen, binnen de strijdkrachten in vredestijd en/of ter voorbereiding op oorlog ter verzekering van de gevechtskracht uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG?

4)    Kan ingevolge artikel 224 het beleid van een lidstaat om in vredestijd en/of ter voorbereiding op oorlog alle vrouwen uit te sluiten van de dienst als interoperabele marinier, van de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG worden uitgesloten? Zo ja, volgens welke maatstaven of criteria moet worden beslist, of een dergelijk beleid aldus terecht op grond van artikel 224 is uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 76/207/EEG?

5)    Kan het beleid van een lidstaat om in vredestijd en/of ter voorbereiding op oorlog alle vrouwen uit te sluiten van de dienst als interoperabele marinier, worden gerechtvaardigd op grond van artikel 2, lid 2, van richtlijn 76/207/EEG?

6)    Zo ja, volgens welke criteria moet de nationale rechter dan beslissen, of de toepassing van dit beleid gerechtvaardigd is?”

De eerste en de tweede prejudiciële vraag

11.
    Met zijn eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de beslissingen op het gebied van de toegang tot de arbeid, de beroepsopleiding en de arbeidsvoorwaarden bij de strijdkrachten, die door de lidstaten worden genomen in het belang van de gevechtskracht, met name ten aanzien van commando-eenheden van de marine, buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen.

12.
    Sirdar geeft het Hof in overweging, de vraag ontkennend te beantwoorden. Volgens haar sluit geen bepaling de strijdkrachten uitdrukkelijk uit van de werkingssfeer van het Verdrag en kan een dergelijke algemene uitsluiting niet worden afgeleid uit de specifieke uitzonderingen die om verschillende redenen in het Verdrag of de richtlijn zijn opgenomen.

13.
    De Franse en de Portugese regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk daarentegen stellen, dat besluiten inzake de organisatie en het beheer van de strijdkrachten, met name besluiten die worden genomen ter verzekering van de gevechtskracht in het kader van de voorbereiding op oorlog, buiten de werkingssfeer van het Verdrag vallen. Zij beroepen zich daartoe vooral op algemene overwegingen ontleend aan het doel van het Verdrag of op specifieke bepalingen van het Verdrag als de artikelen 48, lid 4 (thans, na wijziging, artikel 39, lid 4, EG), en 224.

14.
    De Commissie is van mening, dat besluiten inzake de organisatie en het beheer van de strijdkrachten niet buiten de werkingssfeer van het Verdrag vallen, maar eventueel wel onder de uitzondering van artikel 224.

15.
    Vastgesteld dient te worden, dat het aan de lidstaten is, de maatregelen te nemen die geschikt zijn om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, en daartoe besluiten te nemen inzake de organisatie van hun strijdkrachten. Dat wil echter niet zeggen, dat dergelijke besluiten volledig aan de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken.

16.
    Zoals het Hof immers reeds eerder heeft geoordeeld, bevat het Verdrag enkel in de artikelen 36, 48, 56, 223 (thans, na wijziging, artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG en 296 EG) en 224 afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan niet een algemeen voorbehoud voor elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel worden afgeleid, dat inherent zou zijn aan het Verdrag en op grond waarvan deze maatregelen buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zouden vallen. Erkenning van het bestaan van een zodanig voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn voorzien, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht (zie in deze zin arrest van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 26).

17.
    Het begrip openbare veiligheid in de zin van de in het vorige punt bedoelde artikelen dekt zowel de interne veiligheid van een lidstaat — deze was aan de orde in de zaak Johnston, reeds aangehaald — als zijn externe veiligheid (zie in deze zin arresten van 4 oktober 1991, Richardt en „Les Accessoires Scientifiques”, C-367/89, Jurispr. blz. I-4621, punt 22, en 17 oktober 1995, Leifer e.a., C-83/94, Jurispr. blz. I-3231, punt 26).

18.
    Voorts hebben sommige in het Verdrag opgenomen uitzonderingen enkel betrekking op de regels betreffende het vrij verkeer van goederen, personen endiensten, en niet op de sociale bepalingen van het Verdrag, waartoe het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waarop Sirdar zich beroept,

behoort. Volgens vaste rechtspraak heeft dit beginsel een algemene strekking en geldt de richtlijn ook voor publiekrechtelijke dienstverhoudingen (zie arresten van 21 mei 1985, Commissie/Duitsland, 248/83, Jurispr. blz. 1459, punt 16, en 2 oktober 1997, Gerster, C-1/95, Jurispr. blz. I-5253, punt 18).

19.
    Daaruit volgt, dat ter zake van de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen algemeen voorbehoud geldt voor maatregelen inzake de organisatie van de strijdkrachten, die worden genomen om de openbare veiligheid te beschermen, onverminderd de eventuele toepassing van artikel 224 van het Verdrag, dat een hoogst uitzonderlijke situatie betreft; op dit artikel hebben de derde en de vierde vraag betrekking (zie arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 27).

20.
    Op de eerste en de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat beslissingen op het gebied van de toegang tot de arbeid, de beroepsopleiding en de arbeidsvoorwaarden bij de strijdkrachten, die door de lidstaten worden genomen in het belang van de gevechtskracht, niet in algemene zin aan de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken.

De vijfde en de zesde prejudiciële vraag

21.
    Met deze vragen, die vóór de derde en de vierde vraag moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of, en zo ja, onder welke voorwaarden, de uitsluiting van vrouwen van de dienst in commando-eenheden als de Royal Marines gerechtvaardigd kan zijn ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn.

22.
    Volgens Sirdar, de Commissie en, subsidiair, de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, moeten de voor een dergelijke uitsluiting gegeven rechtvaardigingsgronden worden getoetst aan de door het Hof in het arrest Johnston, reeds aangehaald, geformuleerde criteria en moet in het bijzonder worden nagegaan, of het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd. De regering van

het Verenigd Koninkrijk is evenwel van mening, dat het rechterlijk toezicht op dit gebied noodzakelijkerwijs beperkt is en alleen betrekking kan hebben op de vraag, of de nationale autoriteiten het betrokken beleid in redelijkheid passend en noodzakelijk konden achten.

23.
    Ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn hebben de lidstaten de bevoegdheid om beroepsactiviteiten van de toepassing van de richtlijn uit te sluiten waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan, het geslacht een bepalende factor is. Hierbij moet evenwel worden bedacht, dat deze bepaling, die een afwijking behelst van een in de richtlijn neergelegd individueel recht, strikt moet worden uitgelegd (zie arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 36).

24.
    Zo heeft het Hof erkend, dat het geslacht een bepalende factor kan zijn voor een beroep als bewaker of hoofdbewaker in een gevangenis (arrest van 30 juni 1988, Commissie/Frankrijk, 318/86, Jurispr. blz. 3559, punten 11-18) of voor bepaalde activiteiten zoals politietaken die worden verricht in een situatie van ernstige binnenlandse onlusten (arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 37).

25.
    Een lidstaat mag dergelijke activiteiten en de desbetreffende beroepsopleiding voorbehouden aan mannen of aan vrouwen, al naar gelang het geval. Wel zijn de lidstaten dan ingevolge artikel 9, lid 2, van de richtlijn verplicht, die activiteiten op gezette tijden te onderzoeken om na te gaan of het gezien de sociale ontwikkeling gerechtvaardigd is de desbetreffende afwijking van de algemene regeling van de richtlijn te handhaven (arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 37).

26.
    Voorts moet bij de vaststelling van de draagwijdte van een afwijking van een individueel recht, zoals de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het evenredigheidsbeginsel, een van de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de communautaire rechtsorde, worden geëerbiedigd (arrest Johnston, reeds aangehaald, punt 38). Op grond van dit beginsel mogen afwijkingen niet

verder gaan dan passend en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel, en moet zoveel mogelijk een evenwicht tot stand worden gebracht tussen het beginsel van gelijke behandeling en de eisen van openbare veiligheid die beslissend zijn voor de voorwaarden van uitoefening van de betrokken beroepsactiviteit.

27.
    De nationale autoriteiten beschikken evenwel, afhankelijk van de omstandigheden, over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de maatregelen die zij ter bescherming van de openbare veiligheid van een lidstaat noodzakelijk achten (zie arrest Leifer, reeds aangehaald, punt 35).

28.
    Derhalve moet worden nagegaan, of in de omstandigheden van het onderhavige geval de maatregelen die door de nationale autoriteiten in de uitoefening van de hun toegekende beoordelingsmarge zijn vastgesteld, werkelijk gericht zijn op het doel de openbare veiligheid te verzekeren, en of zij passend en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van dat doel.

29.
    Zoals in punt 7 van dit arrest is opgemerkt, wordt de weigering verzoekster in het hoofdgeding aan te stellen als kok bij de Royal Marines, gerechtvaardigd met de algehele uitsluiting van vrouwen bij dit legeronderdeel op grond van de zogenoemde „interoperabiliteit”-sregel, die is bedoeld ter verzekering van de gevechtskracht.

30.
    Blijkens de stukken is de organisatie van de Royal Marines, zoals door de verwijzende rechter reeds is vastgesteld, wezenlijk anders dan die van de andere onderdelen van het Britse leger, waarvan zij de speerpunt vormen. Het is een kleine strijdmacht die in de voorste linies moet opereren. Vaststaat, dat ook de koks als commando in de voorste linie moeten dienen, dat alle leden van het corps voor dat doel worden aangenomen en opgeleid, en dat er bij de recrutering geen enkele uitzondering op die regel wordt gemaakt.

31.
    In die omstandigheden kon het bevoegd gezag zich, gebruikmakend van de beoordelingsmarge waarover het ten aanzien van de mogelijkheid om de betrokken uitsluiting gelet op de sociale ontwikkeling te handhaven, beschikt, zonder in strijd te handelen met het evenredigheidsbeginsel op het standpunt stellen, dat de specifieke voorwaarden waaronder de aanvalsteams van de Royal Marines opereren, en in het bijzonder de regel van de „interoperabiliteit” die voor hen geldt, rechtvaardigden dat zij uitsluitend uit mannen moesten blijven samengesteld.

32.
    Derhalve moet op de vijfde en de zesde vraag worden geantwoord, dat de uitsluiting van vrouwen van de dienst in bijzondere commando-eenheden als de Royal Marines, gerechtvaardigd kan zijn ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn wegens de aard van en de voorwaarden waaronder de betrokken activiteiten worden verricht.

De derde en de vierde prejudiciële vraag

33.
    Gezien het antwoord op de vijfde en de zesde vraag behoeven de derde en de vierde vraag geen beantwoording.

Kosten

34.
    De kosten door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Portugal en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Industrial Tribunal, Bury St Edmunds, bij beschikking van 28 april 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)    Beslissingen op het gebied van de toegang tot de arbeid, de beroepsopleiding en de arbeidsvoorwaarden bij de strijdkrachten, die door de lidstaten worden genomen in het belang van de gevechtskracht, zijn niet in algemene zin onttrokken aan de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht.

2)    De uitsluiting van vrouwen van de dienst in commando-eenheden als de Royal Marines kan wegens de aard van en de voorwaarden waaronder de betrokken activiteiten worden verricht, gerechtvaardigd zijn ingevolge artikel 2, lid 2, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

Rodríguez Iglesias
Moitinho de Almeida
Edward

Schintgen

Kapteyn
Puissochet

Hirsch

Jann
Ragnemalm

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 oktober 1999.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Engels.