Language of document :

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

25 november 1999 (1)

„Niet-nakoming — Niet-uitvoering van richtlijn 93/83/EEG”

In zaak C-212/98,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Ierland, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d'Arlon 28,

verweerder,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15), de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, L. Sevón, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), P. Jann en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger


griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 oktober 1999,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15; hierna: „richtlijn”), de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.
    Volgens artikel 14, lid 1, van de richtlijn moesten de lidstaten voor 1 januari 1995 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie daar onverwijld van in kennis stellen.

3.
    Daar de Commissie geen mededeling van de Ierse regering had ontvangen over de tenuitvoerlegging van die richtlijn en over geen enkele andere informatie beschikte waaruit zij kon opmaken dat Ierland zijn verplichtingen was nagekomen, nodigde zij die lidstaat bij aanmaningsbrief van 16 mei 1995 uit, binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen kenbaar te maken.

4.
    De Ierse regering antwoordde bij brief van 28 juli 1995, dat de Ierse autoriteiten een complete herziening van de Copyright Act 1963 hadden aangevat en dat de bepalingen van de richtlijn in de gewijzigde wet zouden worden verwerkt.

5.
    Toen verder bericht uitbleef, deed de Commissie de Ierse regering op 17 juli 1996 een met redenen omkleed advies toekomen waarin zij haar uitnodigde binnen twee maanden na de betekening van het advies aan haar verplichtingen ingevolge de richtlijn te voldoen.

6.
    In antwoord op het met redenen omkleed advies deden de Ierse autoriteiten de Commissie bij brieven van 2 en 9 augustus 1996 weten, dat zij voornemens waren de vereiste wettelijke bepalingen zo spoedig mogelijk vast te stellen.

7.
    Omdat zij geen enkel bericht meer ontving over de tenuitvoerlegging van de richtlijn, besloot de Commissie het onderhavige beroep in te stellen.

8.
    De Commissie stelt, dat Ierland de richtlijn niet binnen de gestelde termijn heeft uitgevoerd en de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

9.
    De Ierse regering betwist niet, dat de richtlijn niet tijdig ten uitvoer is gelegd. Zij wijst er evenwel op, dat ingevolge een uitspraak van de Supreme Court de richtlijn slechts door middel van primaire wetgeving in Iers recht kan worden omgezet. Daarvoor was een herziening van de Copyright Act 1963 noodzakelijk. De Ierse regering meent al het nodige te hebben gedaan om de procedures die voor de omzetting van de richtlijn in Iers recht vereist zijn, tijdig in te leiden. Daarom verzoekt zij het Hof de behandeling van de zaak te schorsen, teneinde de Commissie de gelegenheid te geven om na onderzoek van de Ierse wettelijke regeling afstand van instantie te doen.

10.
    Met betrekking tot het schorsingsverzoek van de Ierse regering wijst de Commissie erop, dat er al vier jaar zijn verstreken sinds het tijdstip waarop Ierland de wettelijke bepalingen ter uitvoering van de richtlijn in werking moest doen treden. De onderhavige procedure is eerst drieënhalf jaar na dat tijdstip ingeleid. Indien

de Commissie niet binnen de door het Hof bepaalde normale termijnen handelde, zou zij stellig tekortschieten in haar taak van hoedster van het Verdrag.

11.
    Wat de door de Ierse regering aangevoerde problemen voor de tijdige uitvoering van de richtlijn betreft, moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen om de niet-nakoming van uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen en termijnen te rechtvaardigen (zie, onder meer, arrest van 14 september 1999, Commissie/Griekenland, C-401/98, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 9).

12.
    Met betrekking tot het verzoek van de Ierse regering om de behandeling van de zaak te schorsen, zij opgemerkt, dat wanneer aan het einde van de ingevolge artikel 169, tweede alinea, van het Verdrag door de Commissie vast te stellen termijn de lidstaat tot wie het met redenen omkleed advies is gericht, geen einde aan de hem verweten niet-nakoming heeft gemaakt, de Commissie vrij kan beslissen zich al dan niet tot het Hof te wenden (zie arrest van 6 december 1989, Commissie/Griekenland, C-329/88, Jurispr. blz. 4159). Aangezien de Commissie in haar repliek heeft verklaard dat zij het beroep handhaafde, bestaat er geen aanleiding de behandeling ervan te schorsen.

13.
    Nu de richtlijn niet binnen de gestelde termijn ten uitvoer is gelegd, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.

14.
    Mitsdien moet worden vastgesteld dat Ierland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

15.
    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Daar Ierland in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in die zin in de kosten worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1)    Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel, is Ierland de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)    Ierland wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Edward
Sevón
Kapteyn

            Jann                        Ragnemalm

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 november 1999.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

D. A. O. Edward


1: Procestaal: Engels.