Language of document : ECLI:EU:C:2001:304

ARREST VAN HET HOF

31 mei 2001 (1)

„Hogere voorziening - Ambtenaar - Kostwinnerstoelage - Gehuwd ambtenaar - Geregistreerd partnerschap naar Zweeds recht”

In de gevoegde zaken C-122/99 P en C-125/99 P,

D, ambtenaar bij de Raad van de Europese Unie, woonachtig te Arvika (Zweden), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, G.-F. Parmentier en V. Peere, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door L. Nordling als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

rekwiranten,

ondersteund door

Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

en

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra en J. van Bakel als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënten in de hogere voorzieningen,

betreffende twee hogere voorzieningen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 28 januari 1999, D/Raad (T-264/97, JurAmbt. blz. I-A-1 en II-1), strekkende tot vernietiging van dat arrest,

andere partij bij de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en E. Karlsson als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola, M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr, J. N. Cunha Rodrigues en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: J. Mischo,


griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 januari 2001, waarbij D werd vertegenwoordigd door J.-N. Louis, het Koninkrijk Zweden door A. Kruse als gemachtigde, de Raad door M. Bauer en E. Karlsson, en het Koninkrijk Denemarken door J. Molde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2001,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij twee verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 13 en 14 april 1999, hebben D en het Koninkrijk Zweden krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 januari 1999, D/Raad (T-264/97, JurAmbt. blz. I-A-1 en II-1; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep van D, ondersteund door het Koninkrijk Zweden, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Raad van de EuropeseUnie houdende niet-toekenning van de kostwinnerstoelage aan verzoeker, heeft verworpen.

Toepasselijke regeling

2.
    Artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) bepaalt:

„De volgende ambtenaren hebben recht op de kostwinnerstoelage:

a)    de gehuwde ambtenaar;

b)    de ambtenaar die weduwnaar, van echt gescheiden, wettelijk gescheiden of ongehuwd is, en die een of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, heeft;

c)    krachtens een bijzonder en gemotiveerd besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, de ambtenaar die hoewel hij niet voldoet aan de sub a en b, gestelde voorwaarden, in feite gezinslasten draagt.”

3.
    Artikel 1 van afdeling 1 van de lag (1994:1117) om registrerat partnerskap van 23 juni 1994 (Zweedse wet inzake het geregistreerd partnerschap) bepaalt: „Twee personen van hetzelfde geslacht kunnen verzoeken om registratie van hun partnerschap.” Volgens artikel 1 van afdeling 3 van dezelfde wet „[heeft] het geregistreerd partnerschap (...) dezelfde rechtsgevolgen als het huwelijk, behoudens de uitzonderingen (...)”.

De aan het geding ten grondslag liggende feiten

4.
    D is ambtenaar van de Europese Gemeenschappen in dienst van de Raad en heeft de Zweedse nationaliteit. Op 23 juni 1995 liet hij in Zweden een partnerschap met eenandere Zweedse onderdaan van hetzelfde geslacht registreren. Bij nota's van 16 en 24 september 1996 verzocht hij de Raad om zijn staat van geregistreerd partnerschap met het huwelijk gelijk te stellen ter verkrijging van de in het Statuut voorziene kostwinnerstoelage.

5.
    De Raad wees het verzoek bij nota van 29 november 1996 af op grond dat de bepalingen van het Statuut niet toelieten om via uitlegging de staat van „geregistreerd partnerschap” gelijk te stellen met de huwelijkse staat.

6.
    De klacht die D op 1 maart 1997 tegen dit besluit indiende, werd door de secretaris-generaal van de Raad bij nota van 30 juni 1997 op dezelfde grond afgewezen (hierna: „bestreden besluit”).

7.
    Daarop stelde D bij op 2 oktober 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep in tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering om zijn wettelijke staat van partnerschap te erkennen en om hem en zijn partner de bezoldiging toe te kennen waarop hij beweert recht te hebben ingevolge het Statuut, de verordeningen en de andere algemene bepalingen die van toepassing zijn op de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

Het bestreden arrest

8.
    In de punten 14 tot 18 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld, dat het verzoek om toekenning van de kostwinnerstoelage het enige voorwerp van de precontentieuze procedure was, en dat het beroep dus alleen kon strekken tot nietigverklaring van de weigering om aan dit verzoek te voldoen.

9.
    In de punten 19 tot 21 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid die door de Raad tegen bepaalde middelen tot nietigverklaring van rekwirant was opgeworpen, afgewezen.

10.
    Inzake het eerste middel, te weten schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, heeft het Gerecht in de punten 23 tot en met 25 van het bestreden arrest om te beginnen vastgesteld, dat verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 781/98 van de Raad van 7 april 1998 tot wijziging van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen alsmede van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen met betrekking tot de gelijke behandeling (PB L 113, blz. 4), die in het Statuut een artikel 1 bis heeft ingevoegd waardoor ambtenaren gelijke behandeling zonder onderscheid ten aanzien van hun seksuele geaardheid wordt gewaarborgd, onverminderd de statutaire bepalingen op grond waarvan een bepaalde burgerlijke staat is vereist, pas in werking is getreden na de vaststelling van het bestreden besluit, zodat deze verordening niet in aanmerking moest worden genomen.

11.
    Voorts heeft het Gerecht er in de punten 26 en 27 van het bestreden arrest aan herinnerd, dat volgens zijn rechtspraak het begrip huwelijk in de zin van het Statuut verwijst naar een relatie die is gebaseerd op het burgerlijk huwelijk in de traditionele zin van het woord (arrest Gerecht van 17 juni 1993, Arauxo-Dumay/Commissie, T-65/92, Jurispr. blz. II-597, punt 28), en dat niet te rade hoeft te worden gegaan met het recht van de lidstaten wanneer de relevante bepalingen van het Statuut autonoom kunnen worden uitgelegd (arrest Gerecht van 18 december 1992, Díaz García/Parlement, T-43/90, Jurispr. blz. II-2619, punt 36).

12.
    Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens en die van het Hof van Justitie (arrest van 17 februari 1998, Grant, C-249/96, Jurispr. blz. I-621, punten 34 en 35), heeft het Gerecht tenslotte in de punten 28 tot 30 van het bestreden arrest geoordeeld, dat de Raad niet gehouden was, de situatie van een persoon die een duurzame relatie heeft met een partner van hetzelfde geslacht, ook al is die relatie door een nationale administratie officieel geregistreerd, gelijk te stellen met het huwelijk in de zin van de statutaire bepalingen. In de punten 31 en 32 van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieraan toegevoegd, dat de Commissie was uitgenodigd voorstellen inzake de erkenning van situaties van geregistreerdpartnerschap in te dienen, en dat het aan de Raad was om, als wetgever en niet als werkgever, naar aanleiding van deze voorstellen eventueel de gepaste wijzigingen in het Statuut aan te brengen.

13.
    In de punten 36 en 37 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het tweede middel, volgens hetwelk rekwirant recht had op eerbiediging van de unieke aard van zijn persoonlijke, van de staat van ongehuwde te onderscheiden staat van geregistreerde partner, irrelevant verklaard.

14.
    Inzake het derde middel, ontleend aan schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft het Gerecht in de punten 39 tot 41 van het bestreden arrest overwogen, dat de Raad deze bepaling niet heeft kunnen schenden, omdat duurzame homoseksuele relaties niet vallen onder het door deze bepaling beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven.

15.
    Wat het vierde middel betreft, te weten schending van het in artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136-143 EG) geformuleerde beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, heeft het Gerecht in de punten 42 tot en met 44 van het bestreden arrest slechts beklemtoond, dat de relevante statutaire bepalingen op dezelfde wijze gelden voor vrouwelijke en mannelijke ambtenaren en derhalve geen ingevolge artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie opleveren.

16.
    Om deze redenen heeft het Gerecht het beroep verworpen.

De hogere voorzieningen

17.
    D en het Koninkrijk Zweden concluderen dat het het Hof behage, het bestreden arrest te vernietigen, het besluit van de Raad houdende afwijzing van het verzoek van Dnietig te verklaren en de Raad te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof en in de aan het Koninkrijk Zweden voor het Hof opgekomen proceskosten.

18.
    De Raad verzoekt het Hof, de hogere voorzieningen ongegrond te verklaren en D en het Koninkrijk Zweden in de kosten te verwijzen.

19.
    Bij beschikking van de president van het Hof van 20 mei 1999 zijn de twee zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.

20.
    Bij beschikkingen van de president van het Hof van 24 september 1999 zijn het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van D en het Koninkrijk Zweden. Zij verzoeken het Hof, het bestreden arrest te vernietigen.

Het middel betreffende de draagwijdte van het beroep

21.
    D stelt, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen, dat alleen een geschil inzake de toekenning van de kostwinnerstoelage aan het Gerecht was voorgelegd, terwijl zijn beroep ertoe strekte, dat hem krachtens zijn geregistreerd partnerschap alle statutaire voordelen van de gehuwde ambtenaar zouden worden toegekend. Het Gerecht zou ten onrechte hebben geoordeeld, dat het verzoek om toekenning van de kostwinnerstoelage het enige voorwerp van de precontentieuze procedure was. De door D aan zijn administratie gerichte nota's van 16 en 24 september 1996 bevatten een dergelijke beperking niet, terwijl zijn klacht van 1 maart 1997, die deel uitmaakt van de precontentieuze procedure, uitdrukkelijk verwees naar andere rechten en voordelen dan de kostwinnerstoelage.

22.
    Het Gerecht heeft het precieze voorwerp van het verzoek dat de ambtenaar aan zijn administratie had gericht, vastgesteld op basis van de stukken van het dossier in eerste aanleg. Het Gerecht heeft zonder verdraaiing van de feiten kunnen oordelen, dat hetaanvankelijke verzoek van D strekte tot toekenning van de kostwinnerstoelage, zoals belanghebbende zelf in zijn nota van 16 oktober 1996 heeft bevestigd. Hieraan doet niet af dat zijn handgeschreven nota's van 16 en 24 september 1996 dit niet uitdrukkelijk vermeldden en dat in zijn klacht van 1 maart 1997, ingediend na het bestreden besluit, andere aspecten werden aangesneden zonder dat daarmee evenwel de draagwijdte van het verzoek kon worden uitgebreid.

23.
    Het middel betreffende de draagwijdte van het beroep dient derhalve te worden verworpen.

Het middel betreffende gebrekkige motivering van het bestreden arrest

24.
    D betoogt, dat het bestreden arrest onvoldoende is gemotiveerd doordat het Gerecht in punt 36 enkel het tweede middel, inzake schending van het beginsel van de „unieke aard van de persoonlijke staat”, „gesteld dat het kan worden onderscheiden van het eerste [middel van het beroep]”, „irrelevant” verklaart. Volgens D kan bij lezing van het bestreden arrest door dit antwoord niet worden achterhaald, of dit middel is verworpen omdat het ingeroepen beginsel niet bestaat, niet van toepassing is of niet is geschonden.

25.
    Dienaangaande zij opgemerkt dat rekwirant met het tweede middel van het beroep, waarop onvoldoende zou zijn geantwoord, in hoofdzaak betoogde dat het bestreden besluit, houdende gelijkstelling van zijn situatie met die van een ongehuwde, schending opleverde van het recht van een onderdaan van een lidstaat op eerbiediging van zijn burgerlijke staat op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Dit middel volgde op het eerste middel, waarin rekwirant klaagde over aantasting van de gelijke behandeling en discriminatie op grond van seksuele geaardheid doordat de Raad niet had erkend, dat de rechtsgevolgen van het in Zweden geregistreerd partnerschap tot gelijkstelling ervan met het huwelijk, ook voor de toepassing van het Statuut, moesten leiden.

26.
    Uit een en ander blijkt dat het Gerecht, gelet op de aangevoerde motivering, het tweede middel achtereenvolgens vanuit twee verschillende invalshoeken heeft bekeken. Zo in dit middel de gedachte werd herhaald, dat het nationale recht moet prevaleren bij de uitlegging van het in het Statuut vervatte begrip „gehuwde ambtenaar”, heeft het Gerecht terecht geoordeeld, dat het hierop reeds had geantwoord bij het onderzoek van het eerste middel van het beroep. Zo in het middel op autonome wijze een beroep werd gedaan op een regel volgens welke de burgerlijke staat van personen dezelfde moet zijn op het gehele grondgebied van de Gemeenschap, heeft het Gerecht geantwoord, dat de beoordeling van het recht op toekenning van een in het Statuut voorziene toelage hoe dan ook de burgerlijke staat van rekwirant niet wijzigde en dus dat de ingeroepen regel, gesteld dat deze bestaat, irrelevant was.

27.
    De - beknopt geformuleerde - motivering van het bestreden arrest volstaat niettemin om de feitelijke en juridische gronden waarop het Gerecht zich voor de verwerping van het tweede middel heeft gebaseerd, ter kennis te brengen.

28.
    Het middel betreffende gebrekkige motivering moet dus worden verworpen.

De middelen betreffende de uitlegging van het Statuut

29.
    D en het Koninkrijk Zweden, ondersteund door het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden, voeren aan, dat voor in het Statuut gebruikte begrippen als „gehuwde ambtenaar” of „echtgenoot” te rade moet worden gegaan met het recht van de lidstaten en dat deze begrippen niet autonoom moeten worden gedefinieerd, aangezien de burgerlijke staat een materie is waarvoor de lidstaten uitsluitend bevoegd zijn. Wanneer de wetgeving van een lidstaat een wettelijke staat als het geregistreerd partnerschap heeft ingevoerd, die voor de betrokken rechten en plichten wordt gelijkgesteld met de huwelijkse staat, dan moet deze gelijkstelling ook prevaleren bij de toepassing van het Statuut.

30.
    Een dergelijke uitlegging is volgens hen niet in strijd met de communautaire rechtspraak, waarin het geval van wettelijk partnerschap tot dusver niet is behandeld en alleen een onderscheid is gemaakt tussen het huwelijk en duurzame relaties tussen personen die feitelijk samenleven, welke relaties wezenlijk verschillen van de wettelijke regeling van geregistreerd partnerschap. De voorgestane uitlegging zou voorts in overeenstemming zijn met het doel van het Statuut, te weten de instellingen van de Gemeenschap op basis van een brede aardrijkskundige spreiding de aanwerving te verzekeren van ambtenaren die aan hoge eisen voldoen. Dit veronderstelt de vergoeding van de werkelijke gezinslasten die de installatie van de personeelsleden met zich brengt.

31.
    De Raad verdedigt de restrictievere uitlegging door het Gerecht. Hij voert daartoe hoofdzakelijk aan, dat de in het Statuut gebruikte begrippen ondubbelzinnig zijn, dat het begrip geregistreerd partnerschap zelfs in het recht van de lidstaten die dit begrip kennen, verschilt van het huwelijk en slechts wat de gevolgen betreft, en behoudens uitzonderingen, hiermee is gelijkgesteld, en ten slotte dat de regeling van geregistreerd partnerschap slechts in bepaalde lidstaten bestaat en dat bij een gelijkstelling ervan met het huwelijk voor de toepassing van het Statuut het toepassingsgebied van de toe te kennen voordelen zou worden uitgebreid. Vóór een dergelijke uitbreiding moeten eerst de juridische en budgettaire gevolgen ervan worden beoordeeld en moet veeleer een beslissing van de gemeenschapswetgever dan een rechterlijke uitlegging van de bestaande regelgeving worden afgewacht.

32.
    De Raad merkt in dit verband op, dat bij de vaststelling van verordening nr. 781/98 geen gevolg is gegeven aan een door het Koninkrijk Zweden geformuleerd verzoek om gelijkstelling van het geregistreerd partnerschap met het huwelijk. De gemeenschapswetgever heeft er de voorkeur aan gegeven, de Commissie op te dragen de gevolgen, in het bijzonder de financiële gevolgen, van een dergelijke maatregel te bestuderen en hem in voorkomend geval voorstellen voor te leggen, en beslist om zichvoorlopig voor de bepalingen die een bepaalde burgerlijke staat vereisen aan de bestaande regeling te houden.

33.
    Het is in dit opzicht juist, dat het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag, of de begrippen huwelijk en geregistreerd partnerschap voor de uitlegging van het Statuut moeten worden onderscheiden dan wel gelijkgesteld. Zoals rekwiranten beklemtonen, is een duurzame, evenwel alleen feitelijk bestaande relatie tussen partners van hetzelfde geslacht - de in het reeds aangehaalde arrest Grant onderzochte hypothese - niet noodzakelijkerwijs gelijkwaardig aan een wettelijke staat als het geregistreerd partnerschap, die, wanneer men een vergelijking maakt met het huwelijk, tussen de belanghebbenden en ten opzichte van derden soortgelijke gevolgen heeft als het huwelijk.

34.
    Vaststaat, dat volgens de door de lidstaten in het algemeen aanvaarde definitie van het begrip „huwelijk”, dit een verbintenis tussen twee personen van verschillend geslacht is.

35.
    Voorts hebben sinds 1989 steeds meer lidstaten naast het huwelijk wettelijke regelingen ingevoerd die rechtens erkenning verlenen aan verschillende vormen van verbintenissen tussen partners van hetzelfde of van verschillend geslacht en zowel tussen de partners als ten opzichte van derden bepaalde gevolgen hebben die identiek zijn aan die van het huwelijk of daarmee vergelijkbaar zijn.

36.
    Afgezien van hun grote verscheidenheid, verschillen deze stelsels van registratie van voorheen niet door de wet erkende relaties tussen koppels in de betrokken lidstaten evenwel van het huwelijk.

37.
    In die omstandigheden kan de gemeenschapswetgever het Statuut niet in dier voege uitleggen, dat wettelijke situaties die verschillen van het huwelijk, hiermee worden gelijkgesteld. De gemeenschapswetgever heeft immers alleen aan gehuwden dekostwinnerstoelage op basis van artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Statuut willen toekennen.

38.
    Het kan slechts aan de wetgever staan om, in voorkomend geval, op die situatie toepasselijke maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door de bewoordingen van het Statuut te wijzigen. De gemeenschapswetgever heeft evenwel niet alleen niet het voornemen tot het treffen van dergelijke maatregelen te kennen gegeven, maar heeft in dit stadium, zoals hiervóór in punt 32 is vermeld, elk idee van gelijkstelling met het huwelijk van andere vormen van partnerschap voor de toekenning van door het Statuut aan gehuwde ambtenaren voorbehouden voordelen uitdrukkelijk uitgesloten en er de voorkeur aan gegeven, zich aan de bestaande regeling te houden zolang de diverse gevolgen van een dergelijke gelijkstelling niet beter bekend zijn.

39.
    Derhalve kan de - overigens onvolledige - gelijkstelling van het geregistreerd partnerschap met het huwelijk in een beperkt aantal lidstaten niet tot gevolg hebben, dat personen die aan een van het huwelijk onderscheiden wettelijke regeling zijn onderworpen, door eenvoudige uitlegging onder het statutaire begrip „gehuwde ambtenaar” komen te vallen.

40.
    Blijkens het voorgaande heeft het Gerecht terecht geoordeeld, dat de Raad het Statuut niet aldus kon uitleggen dat de situatie van D voor de toekenning van de kostwinnerstoelage moet worden gelijkgesteld met die van een gehuwd ambtenaar.

41.
    De middelen betreffende de uitlegging van het Statuut moeten dus worden verworpen.

Het middel betreffende schending van het „beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat”

42.
    Met dit middel betoogt rekwirant, dat het bestreden besluit om hem als „ongehuwd” te beschouwen, schending oplevert van het beginsel dat elke onderdaan van een lidstaatop het gehele grondgebied van de Gemeenschap recht heeft op eerbiediging van de burgerlijke staat die hij in zijn lidstaat van oorsprong heeft.

43.
    Het volstaat dienaangaande vast te stellen, zoals het Gerecht dit in punt 35 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat de bevoegde instelling, door op verzoeker een in het Statuut neergelegde bepaling inzake een vergoeding toe te passen, hoe dan ook geen besluit heeft genomen dat zijn situatie met betrekking tot de burgerlijke staat raakt.

44.
    Het middel betreffende schending van het „beginsel van de unieke aard van de persoonlijke staat” moet dus worden verworpen.

De middelen betreffende aantasting van de gelijke behandeling, discriminatie op grond van geslacht en nationaliteit, en belemmering van het vrije verkeer van werknemers

45.
    Volgens D vormt het bestreden besluit, waarbij hem een toelage waarop zijn gehuwde collega's recht hebben wordt ontzegd op de enkele grond dat de partner met wie hij samenleeft van hetzelfde geslacht is, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld een discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 119 van het Verdrag alsook een aantasting van de gelijke behandeling.

46.
    In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het voor de toekenning van de kostwinnerstoelage geen verschil maakt of de ambtenaar een man of een vrouw is. De relevante bepaling van het Statuut, die de toelage aan de gehuwde ambtenaar voorbehoudt, kan dus niet worden beschouwd als een discriminatie op grond van het geslacht van de belanghebbende, en bijgevolg evenmin als een schending van artikel 119 van het Verdrag.

47.
    Wat in de tweede plaats de gestelde aantasting van de gelijke behandeling van ambtenaren op grond van hun seksuele geaardheid betreft, moet worden opgemerkt dat niet het geslacht van de partner de voorwaarde is voor toekenning van dekostwinnerstoelage, maar de juridische aard van de banden die deze partner met de ambtenaar verbinden.

48.
    Het beginsel van gelijke behandeling kan slechts toepassing vinden op personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Derhalve moet worden beoordeeld, of de situatie van een ambtenaar die een partnerschap tussen personen van hetzelfde geslacht, zoals het door D aangegane partnerschap naar Zweeds recht, heeft laten registreren, vergelijkbaar is met die van een gehuwd ambtenaar.

49.
    Om die vraag te beoordelen mag de gemeenschapsrechter de in de gehele Gemeenschap heersende opvattingen niet buiten beschouwing laten.

50.
    Zoals hiervóór in de punten 35 en 36 reeds is opgemerkt, wordt de situatie in de lidstaten van de Gemeenschap op het gebied van de erkenning van partnerschappen tussen personen van hetzelfde of van verschillend geslacht, gekenmerkt door een grote verscheidenheid in de wetgevingen en door een algemeen ontbreken van gelijkstelling tussen het huwelijk enerzijds en andere vormen van wettelijke verbintenissen anderzijds.

51.
    In deze omstandigheden kan de situatie van een ambtenaar die zijn partnerschap in Zweden heeft laten registreren, voor de toepassing van het Statuut niet worden beschouwd als vergelijkbaar met die van een gehuwd ambtenaar.

52.
    Derhalve moet het middel betreffende aantasting van de gelijke behandeling en discriminatie op grond van geslacht worden verworpen.

53.
    D stelt voorts, dat een besluit als het bestreden besluit, doordat het partners die overeenkomstig de in sommige lidstaten geldende wettelijke bepalingen geregistreerd zijn, uitsluit van de bij hun nationale staat behorende rechten, een discriminatie op grond van nationaliteit oplevert en het vrije verkeer van werknemers belemmert.

54.
    Volgens de Raad betreft het hier een nieuw middel, dat voor het eerst in hogere voorziening is opgeworpen en derhalve niet-ontvankelijk is. D antwoordt, dat het hier geen nieuw middel betreft, maar een onderdeel van een reeds eerder aangevoerd middel, te weten schending van het beginsel van non-discriminatie.

55.
    Evenwel staat vast, dat nooit in een eerder stadium van de procedure aan de orde is gesteld, dat door een besluit als het bestreden besluit onderdanen van het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden anders zouden worden behandeld dan onderdanen van andere lidstaten, en dat onderdanen van deze drie lidstaten door deze maatregel zouden worden ontmoedigd, hun recht op vrij verkeer uit te oefenen.

56.
    Deze vragen vormen van het middel betreffende aantasting van de gelijke behandeling en discriminatie op grond van geslacht te onderscheiden middelen, die het bestreden besluit vanuit een ander gezichtspunt benaderen en de wettigheid daarvan op grond van andere bepalingen en beginselen ter discussie stellen.

57.
    Derhalve moeten de middelen betreffende discriminatie op grond van nationaliteit en belemmering van het vrije verkeer van werknemers niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het middel betreffende het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

58.
    Volgens D is de door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde bescherming van het privéleven van toepassing op homoseksuele relaties en verbiedt deze, door de erkenning van het bestaan en de gevolgen van een rechtmatig verworven burgerlijke staat voor te schrijven, inmenging in de vorm van overdracht van onjuiste gegevens aan derden.

59.
    In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen, dat de weigering van de gemeenschapsadministratie om een van haar ambtenaren een kostwinnerstoelage toe tekennen, de situatie van deze laatste met betrekking tot de burgerlijke staat niet raakt, en op zich niet leidt tot enige overdracht van persoonlijke inlichtingen aan personen buiten de gemeenschapsadministratie, aangezien zij alleen de betrekkingen tussen de ambtenaar en zijn werkgever betreft.

60.
    Het bestreden besluit kan dus hoe dan ook geen inmenging in het privé- en gezinsleven opleveren in de zin van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

61.
    Het middel betreffende het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven moet dus worden verworpen.

62.
    Blijkens het voorgaande moeten de hogere voorzieningen in hun geheel worden afgewezen.

Kosten

63.
    Wanneer de hogere voorziening ongegrond is, beslist het Hof ingevolge artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ten aanzien van de proceskosten.

64.
    Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 4, dat ook van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.

65.
    Aangezien D en het Koninkrijk Zweden in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Raad hoofdelijk in de kosten te worden verwezen.

66.
    Het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden, die in de hogere voorzieningen zijn tussengekomen, zullen hun eigen kosten dragen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1)    Wijst de hogere voorzieningen af.

2)    Verwijst D en het Koninkrijk Zweden hoofdelijk in de kosten.

3)    Verstaat dat het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden hun eigen kosten zullen dragen.

Rodríguez Iglesias
Gulmann
La Pergola

Wathelet

Skouris
Edward

Puissochet

Jann
Sevón

Schintgen

Macken
Colneric

von Bahr

Cunha Rodrigues
Timmermans

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 31 mei 2001.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Frans.