Language of document : ECLI:EU:C:2003:282

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

15 mei 2003 (1)

„Executieverdrag - Artikel 1 - Toepassingsgebied - Begrip .burgerlijke en handelszaken’ - Begrip .douanezaken’ - Vordering gebaseerd op borgtochtovereenkomst tussen staat en verzekeringsmaatschappij - Overeenkomst gesloten ter vervulling van voorwaarde die staat krachtens artikel 6 van TIR-overeenkomst stelt aan vervoerdersorganisaties als hoofdschuldenaars”

In zaak C-266/01,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen

Préservatrice foncière TIARD SA

en

Staat der Nederlanden,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1 van genoemd verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, D. A. O. Edward, A. La Pergola, P. Jann (rapporteur) en A. Rosas, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,


griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster als gemachtigde,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud en H. van Vliet als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Préservatrice foncière TIARD SA, vertegenwoordigd door R. S. Meijer, advocaat; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door N. A. J. Bel als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud en H. van Vliet, ter terechtzitting van 17 oktober 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 2002,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij arrest van 18 mei 2001, ingekomen bij het Hof op 5 juli daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1 van dat verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) (hierna: „Executieverdrag”).

2.
    Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Nederlandse Staat en de verzekeringsmaatschappij naar Frans recht Préservatrice foncière TIARD SA (hierna: „PFA”) ter zake van de uitvoering van een borgtochtovereenkomst waarbij PFA zich heeft verbonden om de douanerechten te betalen waarvoor de Nederlandse vervoerdersorganisaties die door de Nederlandse Staat zijn gemachtigd om carnets TIR af te geven, zich garant moeten stellen.

Het rechtskader

Het Executieverdrag

3.
    Artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag luidt:

„Dit verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft inzonderheid geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.”

De TIR-overeenkomst

4.
    De Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (hierna: „TIR-overeenkomst”) is op 14 november 1975 te Genève ondertekend. Het Koninkrijk der Nederlanden is partij bij deze overeenkomst. De overeenkomst werd tevens namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 (PB L 252, blz. 1).

5.
    De TIR-overeenkomst bepaalt onder meer dat goederen die onder de bij deze overeenkomst ingevoerde TIR-regeling worden vervoerd, op de douanekantoren van doorgang niet worden onderworpen aan betaling of consignatie van rechten en heffingen ter zake van de in- of uitvoer.

6.
    Voor de toepassing van deze faciliteiten verlangt de TIR-overeenkomst dat de goederen gedurende het gehele vervoer worden begeleid door een uniform document, het carnet TIR, aan de hand waarvan de regelmatigheid van het vervoer kan worden gecontroleerd. Ook moet het vervoer plaatsvinden onder de garantie van organisaties die daartoe door de overeenkomstsluitende partijen zijn erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.

7.
    Artikel 6, lid 1, van de TIR-overeenkomst, in hoofdstuk II, „Afgifte van carnets TIR - Aansprakelijkheid van de organisaties die zich garant hebben gesteld”, bepaalt in de versie zoals die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding gold:

„Iedere overeenkomstsluitende partij kan, onder de door haar vast te stellen voorwaarden en waarborgen, aan organisaties de bevoegdheid verlenen om, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van soortgelijke organisaties, carnets TIR af te geven, alsmede om zich garant te stellen.”

8.
    Wanneer een onregelmatigheid bij het TIR-vervoer is vastgesteld, in het bijzonder bij niet-zuivering van het carnet TIR, worden rechten en heffingen ter zake van in- of uitvoer verschuldigd. De houder van het carnet TIR, in beginsel de vervoerder, is deze rechten en heffingen rechtstreeks verschuldigd. Bij niet-betaling ervan is de nationale organisatie die zich garant heeft gesteld, volgens artikel 8, lid 1, van de TIR-overeenkomst zowel „hoofdelijk als gezamenlijk” gehouden tot betaling.

Het hoofdgeding

9.
    Bij beschikking van 5 maart 1991 heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën overeenkomstig artikel 6 van de TIR-overeenkomst drie Nederlandse vervoerdersorganisaties de bevoegdheid verleend om carnets TIR af te geven (hierna: „bevoegde Nederlandse organisaties”). Volgens punt 1 van deze beschikking verbinden zij zich onvoorwaardelijk om de rechten en heffingen te voldoen welke verschuldigd zijn door de houders van carnets TIR en worden zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Punt 5 bepaalt dat de bevoegde Nederlandse organisaties ter nakoming van hun verplichtingen een zekerheid moeten stellen. Het preciseert ook dat degene die de zekerheid stelt zich dient te verbinden tot betaling van alle bedragen welke de Nederlandse minister van Financiën van de bevoegde Nederlandse organisatie vordert. Volgens punt 19 treedt de beschikking pas in werking wanneer de Nederlandse minister van Financiën de in punt 5 bedoelde zekerheid heeft aanvaard.

10.
    Deze zekerheid is door PFA gesteld. Bij diverse akten heeft zij zich jegens de Nederlandse Staat als borg en hoofdelijk medeschuldenaar verbonden om als eigen schuld te betalen, de rechten en heffingen ter zake van in- of uitvoer welke op grond van de wettelijke bepalingen inzake douane en accijnzen zijn opgelegd aan de houders van door de nationale vervoerdersorganisaties afgegeven carnets TIR.

11.
    Op 20 november 1996 heeft de Nederlandse Staat PFA voor de rechtbank te Rotterdam gedagvaard tot betaling van een bedrag van 41 917 063 NLG, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering was gebaseerd op de door PFA ten behoeve van de Nederlandse Staat gestelde borg en betrof de betaling van door de bevoegde Nederlandse vervoerdersorganisaties verschuldigde rechten en heffingen ter zake van in- of uitvoer.

12.
    PFA stelde dat de rechtbank te Rotterdam onbevoegd was omdat het geding binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag viel en de bevoegde rechterlijke instantie volgens de bepalingen van dit verdrag moest worden vastgesteld.

13.
    De rechtbank te Rotterdam en, in hoger beroep, het Gerechtshof te 's-Gravenhage hebben de exceptie van onbevoegdheid verworpen. Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat, door vervoerdersorganisaties de bevoegdheid te verlenen carnets TIR af te geven onder voorbehoud van aanvaarding van de door hen verleende garantie, in het kader van een publiekrechtelijke bevoegdheid had gehandeld en dat de sluiting door de staat van de borgtochtovereenkomst met PFA in het verlengde van deze bevoegdheid lag. Het heeft voorts geoordeeld dat de door PFA te betalen schulden douaneschulden vormden.

14.
    Omdat hij zich afvroeg of dit oordeel juist was, heeft de Hoge Raad der Nederlanden, in het cassatieberoep ingesteld door PFA, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen voorgelegd:

„1)    Is een vordering van de Staat, ingesteld op grond van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst welke hij heeft gesloten ter vervulling van een voorwaarde door hem op grond van het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de TIR-overeenkomst 1975, en derhalve krachtens overheidsbevoegdheid gesteld, te beschouwen als een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 [Executieverdrag]?

2)    Moet een geding dat door de Staat is aangespannen en dat een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst tot inzet heeft, worden beschouwd als een douanezaak in de zin van artikel 1 [Executieverdrag] op de grond dat door de gedaagde verweren kunnen worden gevoerd die nopen tot een onderzoek naar en tot een oordeel over het bestaan en de inhoud van de douaneschulden waarop deze overeenkomst betrekking heeft?”

De eerste prejudiciële vraag

15.
    Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van de eerste volzin van deze bepaling mede betrekking heeft op een vordering waarbij een verdragsluitende staat van een privaatrechtelijk persoon de nakoming vordert van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst die is gesloten teneinde een andere persoon in de gelegenheid te stellen, een door deze staat verlangde en omschreven zekerheid te stellen.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

16.
    PFA, de Nederlandse regering en de Commissie zijn het erover eens dat het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van artikel 1 Executieverdrag als een autonoom begrip moet worden opgevat. Bovendien beklemtonen zij allen dat het Executieverdrag ook van toepassing kan zijn op geschillen tussen een overheidsorgaan en een particulier, voorzover dat orgaan niet heeft gehandeld krachtens overheidsbevoegdheid.

17.
    Wanneer het om de toepassing van deze beginselen op het hoofdgeding gaat, verschillen zij echter van inzicht.

18.
    De Nederlandse regering sluit zich aan bij het oordeel van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Haars inziens bestaat er een verband tussen de akte van borgtocht en het stelsel van rechten en heffingen waarvan deze de betaling wil garanderen, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat de borgtocht een voorwaarde was zonder welke de publiekrechtelijke relatie tussen de staat en de bevoegde Nederlandse organisaties niet tot stand zou zijn gekomen. De inhoud van de akte van borgtocht vloeit rechtstreeks voort uit een publiekrechtelijke regeling. De bepalingen in die akte stemmen immers vrijwel letterlijk overeen met die van de beschikking van 5 maart 1991 houdende erkenning van de nationale vervoerdersorganisaties. Met deze borgstelling heeft PFA zich verbonden tot deelname aan het publiekrechtelijke stelsel van inning van rechten en heffingen zoals dat bij de TIR-overeenkomst is ingevoerd. Gelet op een en ander is de omstandigheid dat de akte de vorm van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst heeft, van ondergeschikt belang.

19.
    PFA en de Commissie zijn daarentegen van mening dat de Nederlandse Staat in zijn relatie met PFA niet krachtens overheidsbevoegdheid heeft gehandeld. PFA is door de staat nergens toe verplicht, zij is de borgtochtovereenkomst vrijwillig aangegaan en zij is vrij om deze na een opzegtermijn te beëindigen. Het vorderingsrecht van de Nederlandse Staat ten opzichte van PFA vindt zijn oorsprong uitsluitend in de privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst.

Antwoord van het Hof

20.
    Volgens vaste rechtspraak mogen de bewoordingen van artikel 1 Executieverdrag, waarin het toepassingsgebied van dit verdrag wordt afgebakend, niet worden opgevat als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van een der betrokken staten, zulks ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit dit verdrag voortvloeien. Derhalve moet worden aangenomen dat het begrip „burgerlijke en handelszaken” een autonoom begrip is en moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van het Executieverdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden (arresten van 14 oktober 1976, LTU, 29/76, Jurispr. blz. 1541, punt 3; 22 februari 1979, Gourdain, 133/78, Jurispr. blz. 733, punt 3; 16 december 1980, Rüffer, 814/79, Jurispr. blz. 3807, punt 7; 21 april 1993, Sonntag, C-172/91, Jurispr. blz. I-1963, punt 18, en 14 november 2002, Baten, C-271/00, Jurispr. blz. I-10489, punt 28).

21.
    Het Hof heeft gepreciseerd dat deze uitlegging ertoe leidt, dat bepaalde rechterlijke beslissingen buiten het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen wegens elementen die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil (reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4, en Baten, punt 29).

22.
    Zo heeft het Hof geoordeeld dat het Executieverdrag weliswaar van toepassing kan zijn op bepaalde beslissingen in geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier, doch dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt (zie arresten LTU, punt 4; Rüffer, punt 8, en Baten, punt 30).

23.
    Om deze beginselen in een geval als dat van het hoofdgeding toe te passen is het dus noodzakelijk, vast te stellen welke de rechtsbetrekking tussen partijen bij het geschil is en de grondslag en de wijze van instellen van de vordering te onderzoeken (zie in die zin arrest Baten, punt 31).

24.
    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, gelijk de Nederlandse regering beklemtoont, PFA zich niet alleen als borg heeft verbonden, maar tevens als hoofdelijk schuldenaar die de verschuldigde rechten en heffingen als een eigen schuld moet betalen.

25.
    De vraag of een clausule van hoofdelijkheid de aard van een verbintenis tot borgstelling wijzigt of slechts bepaalde gevolgen daarvan, is een vraag die door het nationale recht moet worden beantwoord.

26.
    In elk geval moet in casu worden vastgesteld dat de verwijzende rechter die zich moet uitspreken over de aard van de betrekking tussen PFA en de Nederlandse Staat, in zijn prejudiciële vragen aan het Hof uitsluitend spreekt van een „borgtochtovereenkomst”. Voor de beantwoording van deze vragen moet er daarom van worden uitgegaan dat PFA uitsluitend is gedagvaard in haar hoedanigheid van borg en niet als hoofdelijk schuldenaar.

27.
    Volgens de algemene beginselen die in de rechtsorden van de verdragsluitende staten zijn ontwikkeld, is een borgtochtovereenkomst een driehoekshandeling, waarbij de borg zich tegenover de schuldeiser verbindt om de verplichtingen van de hoofdschuldenaar na te komen, indien deze zelf in gebreke blijft.

28.
    Door een dergelijke overeenkomst ontstaat voor de borg een nieuwe verbintenis om de nakoming van de hoofdverbintenis waartoe de schuldenaar gehouden is, te garanderen. De borg treedt niet in de plaats van de schuldenaar, maar garandeert slechts de betaling van zijn schuld, volgens de voorwaarden die in de borgtochtovereenkomst of in de wet zijn gesteld.

29.
    De aldus ontstane verbintenis is een accessoire verbintenis in die zin, dat de borg door de schuldeiser alleen in rechte kan worden aangesproken indien de gewaarborgde schuld opeisbaar is geworden, en dat de verbintenis die de borg is aangegaan niet meer kan inhouden dan die van de hoofdschuldenaar. Dit accessoire karakter betekent echter niet dat de rechtsregels die gelden voor de verbintenis die de borg is aangegaan, op alle punten gelijk moeten zijn aan de rechtsregels die voor de hoofdverbintenis gelden (zie in die zin arrest van 23 maart 2000, Berliner Kindl Brauerei, C-208/98, Jurispr. blz. I-1741).

30.
    Voor de beantwoording van de eerste vraag moet derhalve worden onderzocht, of de rechtsbetrekking tussen de Nederlandse Staat en PFA zoals deze uit de borgtochtovereenkomst volgt, een uiting is van de uitoefening van een overheidsbevoegdheid door de staat als schuldeiser, doordat daarbij gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen (zie over dit criterium arrest Sonntag, reeds aangehaald, punt 22).

31.
    Ofschoon deze beoordeling een zaak is van de verwijzende rechter, lijkt het niettemin zinvol dat het Hof, gelet op de bij hem ingediende opmerkingen, enkele aanwijzingen geeft ten aanzien van de punten die bij dat oordeel kunnen worden betrokken.

32.
    In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de rechtsbetrekking tussen de Nederlandse Staat en PFA niet door de TIR-overeenkomst wordt geregeld. Hoofdstuk II van deze overeenkomst stelt weliswaar de verplichtingen vast van een nationale organisatie die zich garant heeft gesteld en door een overeenkomstsluitende staat krachtens artikel 6 van deze overeenkomst bevoegd is verklaard, maar de overeenkomst, in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie, bevat geen bepalingen die de omvang definiëren van de eventuele verplichtingen van een borg welke door een staat als voorwaarde is gesteld voor een beslissing om nationale organisaties die zich garant hebben gesteld, bevoegdheid te verlenen.

33.
    In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overeenkomst is gesloten. In het hoofdgeding blijkt uit de stukken dat PFA zich tegenover de Nederlandse Staat vrijwillig heeft verbonden. Volgens de informatie van de Commissie, die niet door de Nederlandse regering is weersproken, hebben PFA en de hoofdschuldenaars, dat wil zeggen de bevoegde Nederlandse organisaties, de hoogte van de tegenprestatie voor de borgstelling vrijelijk vastgesteld. Ook hebben PFA en de Commissie ter terechtzitting beklemtoond dat PFA vrij is om de borgtochtovereenkomst te allen tijde te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van dertig dagen.

34.
    In de derde plaats moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de overeenkomst waarin de omvang van de verbintenis van de borg wordt omschreven. De door de Nederlandse regering in het hoofdgeding genoemde overeenstemming tussen de bepalingen van de beschikking van 5 maart 1991 houdende erkenning van de nationale vervoerdersorganisaties en de bepalingen van de overeenkomst waarin de verplichting van PFA tot zekerheidstelling wordt omschreven, kan niet worden beschouwd als bewijs dat de Nederlandse Staat ten opzichte van de borg gebruikmaakt van een overheidsbevoegdheid. Dat de hoofdverbintenis en de verplichtingen van de borg samenvallen, is immers het gevolg van het feit dat de borgtochtovereenkomst een accessoir karakter heeft. In het hoofdgeding is niet van belang dat voor de omvang van de verbintenis van PFA wordt verwezen naar verplichtingen van de bevoegde Nederlandse organisaties, aangezien vaststaat dat PFA niet tot deze verbintenis is gedwongen, maar haar vrijwillig is aangegaan.

35.
    Met betrekking tot het feit dat PFA, zoals de Nederlandse regering stelt, afstand heeft gedaan van een beroep op een aantal bepalingen van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, bijvoorbeeld de exceptie van schuldvergelijking, de voorrechten van uitwinning en van schuldsplitsing, moet worden opgemerkt dat dergelijke clausules in handelsbetrekkingen gebruikelijk zijn. Zij kunnen slechts een uitoefening van overheidsbevoegdheid van de Nederlandse Staat tegenover de borg vormen, indien zij de grenzen overschrijden van de vrijheid die partijen toekomt op grond van het op de overeenkomst toepasselijke recht. Of dit het geval is, is ter beoordeling van de verwijzende rechter.

36.
    Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van de eerste volzin van deze bepaling, een vordering valt waarbij een verdragsluitende staat van een privaatrechtelijk persoon de nakoming vordert van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst die is gesloten teneinde een andere persoon in de gelegenheid te stellen, een door deze staat verlangde en omschreven zekerheid te stellen, voorzover in de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en borg zoals deze uit de borgtochtovereenkomst volgt, door de staat geen gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen.

De tweede prejudiciële vraag

37.
    Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het begrip „douanezaak” in de zin van de tweede volzin van deze bepaling, mede betrekking heeft op een vordering waarbij een verdragsluitende staat de nakoming vordert van een borgtochtovereenkomst ter garantie van een douaneschuld, wanneer de borg verweren kan voeren die nopen tot een onderzoek naar het bestaan en de inhoud van deze douaneschuld.

38.
    In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de tweede volzin van artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag is toegevoegd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland tot het Executieverdrag, teneinde door middel van voorbeelden aan te geven welke materies niet binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen (zie rapport-Schlosser over dit verdrag, PB 1979, C 59, blz. 71, punt 23). Met deze volzin wordt slechts beoogd te beklemtonen dat „douanezaken” niet onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” vallen. Zij houdt geen beperking of wijziging van de draagwijdte van dit begrip in.

39.
    Hieruit volgt dat het criterium aan de hand waarvan de grenzen van het begrip „douanezaken” worden bepaald, hetzelfde moet zijn als dat voor het begrip „burgerlijke en handelszaken”.

40.
    Derhalve moet worden vastgesteld, gelijk in punt 36 van dit arrest is aangegeven, dat een vordering waarbij een verdragsluitende staat van een privaatrechtelijk persoon de nakoming vordert van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst die is gesloten ter garantie van een douaneschuld die een andere persoon aan die staat verschuldigd is, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” valt, voorzover in de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en borg zoals deze uit de borgtochtovereenkomst volgt, door de staat geen gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op de betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen.

41.
    Dit oordeel is niet anders wanneer de borg verweren kan voeren die nopen tot een onderzoek naar de opeisbaarheid van de douaneschuld ter garantie waarvan de borgtochtovereenkomst is gesloten.

42.
    Om te bepalen of het Executieverdrag op een geding van toepassing is, dient men immers alleen te letten op het onderwerp van het geding. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid - een van de doelstellingen van dit verdrag - wanneer de toepasselijkheid ervan, zou afhangen van het bestaan van een prealabele vraag, die te allen tijde door partijen kan worden opgeworpen (zie in die zin arresten van 25 juli 1991, Rich, C-190/89, Jurispr. blz. I-3855, punten 26 en 27, en 20 januari 1994, Owens Bank, C-129/92, Jurispr. blz. I-117, punt 34).

43.
    Wanneer een geding de nakoming betreft van een garantie door een borg onder voorwaarden op grond waarvan mag worden aangenomen dat deze verplichting binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag valt, betekent de omstandigheid dat de borg betreffende de opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld verweren kan voeren waarvan de materie buiten het toepassingsgebied van het Executieverdrag valt, niet dat het geding zelf buiten het toepassingsgebied van dit verdrag valt.

44.
    Uit de voorgaande overwegingen volgt dat artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „douanezaken” in de zin van de tweede volzin van deze bepaling, geen betrekking heeft op een vordering waarbij een verdragsluitende staat de nakoming vordert van een borgtochtovereenkomst ter garantie van een douaneschuld, wanneer in de uit deze overeenkomst ontstane rechtsbetrekking tussen de staat en de borg, door de staat geen gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen, ook niet indien de borg verweren kan voeren die nopen tot een onderzoek naar het bestaan en de inhoud van de douaneschuld.

Kosten

45.
    De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 mei 2001 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 1, eerste alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd dat:

-    onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van de eerste volzin van deze bepaling, een vordering valt waarbij een verdragsluitende staat van een privaatrechtelijk persoon de nakoming vordert van een privaatrechtelijke borgtochtovereenkomst die is gesloten teneinde een andere persoon in de gelegenheid te stellen, een door deze staat verlangde en omschreven zekerheid te stellen, voorzover in de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en borg zoals deze uit de borgtochtovereenkomst volgt, door de staat geen gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen;

-    het begrip „douanezaken” in de zin van de tweede volzin van deze bepaling, geen betrekking heeft op een vordering waarbij een verdragsluitende staat de nakoming vordert van een borgtochtovereenkomst ter garantie van een douaneschuld, wanneer in de uit deze overeenkomst ontstane rechtsbetrekking tussen de staat en de borg, door de staat geen gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels vallen, ook niet indien de borg verweren kan voeren die nopen tot een onderzoek naar het bestaan en de inhoud van de douaneschuld.

Wathelet
Edward
La Pergola

Jann

Rosas

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 mei 2003.

De griffier

De president van de Vijfde kamer

R. Grass

M. Wathelet


1: Procestaal: Nederlands.