Language of document : ECLI:EU:C:2004:74

Arrêt de la Cour

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
5 februari 2004 (1)


„Executieverdrag – Artikel 5, sub 3 – Bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan – Maatregel, door vakbond in verdragsluitende staat getroffen tegen reder van in andere verdragsluitende staat geregistreerd schip”

In zaak C-18/02,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Arbejdsret (Denemarken), in het aldaar aanhangig geding tussen

Danmarks Rederiforening, handelend voor DFDS Torline A/S,

en

LO Landsorganisationen i Sverige, handelend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub  3, van voornoemd verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1),



HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),



samengesteld als volgt: V. Skouris, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), J.-P. Puissochet, R. Schintgen en F. Macken, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

Danmarks Rederiforening, handelend voor DFDS Torline A/S, vertegenwoordigd door P. Voss, advokat,

LO Landsorganisationen i Sverige, handelend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation, vertegenwoordigd door S. Gärde, advokat,

de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde en J. Bering Liisberg als gemachtigden,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde, bijgestaan door K. Beal, barrister,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Rasmussen als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Danmarks Rederiforening, handelend voor DFDS Torline A/S, vertegenwoordigd door P. Voss; LO Landsorganisationen i Sverige, handelend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation, vertegenwoordigd door S. Gärde en H. Nielsen, advokat; de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Kruse, en de Commissie, vertegenwoordigd door N. Rasmussen en A.-M. Rouchaud als gemachtigde, ter terechtzitting van 20 mei 2003,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2003,

het navolgende



Arrest



1
Bij beschikking van 25 januari 2002, ingekomen bij het Hof op 29 januari daaraanvolgend, heeft het Arbejdsret krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Protocol”), twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 3, van dit verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1) (hierna: „Executieverdrag”).

2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Danmarks Rederiforening (vereniging van Deense reders), handelend voor DFDS Torline A/S (hierna: „DFDS”), een reder, en LO Landsorganisationen i Sverige (Zweedse werknemersorganisatie), handelend voor SEKO Sjöfolk Facket för Service och Kommunikation (hierna: „SEKO”), een vakorganisatie, betreffende de rechtmatigheid van een collectieve actie die door deze laatste was aangekondigd jegens DFDS.


Rechtskader

3
Artikel 2 van het Protocol bepaalt:

„De volgende rechterlijke instanties kunnen het Hof van Justitie verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over een vraagstuk van uitlegging:

1)
[...]

in Denemarken: højesteret,

[...]

2)
de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten, wanneer zij recht spreken in hoger beroep;

[...]”

4
Artikel 2, eerste alinea, Executieverdrag bepaalt:

„Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.”

5
Artikel 5, sub 3, Executieverdrag luidt als volgt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.”


Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

6
Het hoofdgeding heeft betrekking op de rechtmatigheid van een collectieve actie die SEKO jegens DFDS had aangekondigd ter verkrijging van een collectieve arbeidsovereenkomst voor de Poolse zeelieden die tewerkgesteld zijn op het vrachtschip Tor Caledonia, dat eigendom is van DFDS en in lijndienst vaart tussen Göteborg (Zweden) en Harwich (Verenigd Koninkrijk).

7
De Tor Caledonia is in het Deense internationale scheepsregister geregistreerd en is aan Deens recht onderworpen. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding waren de Poolse zeelieden tewerkgesteld op basis van individuele arbeidersovereenkomsten, krachtens een kaderakkoord tussen een aantal Deense vakverenigingen en drie Deense redersverenigingen. Deze overeenkomsten werden door Deens recht beheerst.

8
Nadat DFDS een door SEKO ingediend verzoek om een collectieve arbeidsovereenkomst voor de Poolse bemanningsleden had afgewezen, heeft SEKO per fax van 21 maart 2001 voor 28 maart daaraanvolgend een collectieve actie aangezegd met het verzoek aan haar Zweedse leden, geen werk op de Tor Caledonia te aanvaarden. In dat faxbericht werd er tevens aan herinnerd, dat SEKO opriep tot solidariteitsacties. Daarop heeft het Svenska Transportarbetareförbund (Zweedse bond van transportarbeiders; hierna: „STAF”) op 3 april 2001 een solidariteitsmaatregel aangezegd die zou ingaan op 17 april 2001, zulks in de vorm van een weigering om enige werkzaamheid met betrekking tot de Tor Caledonia te verrichten teneinde het laden en lossen van het schip in de Zweedse havens te beletten.

9
Op 4 april 2001 heeft DFDS bij het Arbejdsret een vordering tegen SEKO en STAF aanhangig gemaakt teneinde deze twee vakverenigingen te doen gelasten, de onrechtmatigheid van de hoofd‑ en de solidariteitsacties te erkennen en de aanzeggingen daarvan in te trekken.

10
Op 11 april 2001, de dag van de eerste zitting voor het Arbejdsret, heeft SEKO besloten de collectieve actie op te schorten in afwachting van de definitieve beslissing van deze rechterlijke instantie, terwijl de aanzegging van solidariteit van STAF op 18 april daaraanvolgend is ingetrokken.

11
Op 16 april 2001 evenwel, daags vóór de eerste dag van de door STAF aangekondigde solidariteitsactie, heeft DFDS besloten de Tor Caledonia niet in te zetten op het traject Göteborg‑Harwich, dat vanaf 30 mei daaraanvolgend door een daartoe bevracht ander vrachtschip is onderhouden.

12
DFDS heeft een schadevordering tegen SEKO ingediend bij het Sø‑ og Handelsret (Denemarken), met het betoog dat verweester onrechtmatig heeft gehandeld door een collectieve actie aan te zeggen en de eveneens onrechtmatige aanzegging van een solidariteitsactie door een andere Zweedse vakvereniging uit te lokken. De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op de schade die DFDS stelt te hebben geleden door de stillegging van de Tor Caledonia en de bevrachting van een vervangend vrachtschip. Voormelde rechterlijke instantie heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en de beslissing over deze schadevordering aan te houden hangende de door het Arbejdsret te geven beslissing.

13
Het Arbejdsret, van oordeel dat de uitlegging van artikel 5, sub 3, Executieverdrag noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen over de door SEKO opgeworpen bevoegdheidsvraag en over de rechtmatigheid van de betrokken collectieve actie, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)a)
Moet artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling van toepassing is op procedures inzake de rechtmatigheid van een collectieve actie die wordt georganiseerd om een overeenkomst af te dwingen, wanneer eventuele schade als gevolg van de onrechtmatigheid van een dergelijke actie volgens de voorschriften op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid een schadevergoedingsplicht doet ontstaan, zodat een zaak betreffende de rechtmatigheid van een aangekondigde collectieve actie aanhangig kan worden gemaakt bij het gerecht van de plaats waar een vordering tot vergoeding van de door de actie veroorzaakte schade kan worden ingesteld?

b)
Geldt in voorkomend geval de voorwaarde dat het ontstaan van de schade een zeker of waarschijnlijk gevolg van de betrokken collectieve actie als zodanig is, of is het voldoende dat die actie een noodzakelijke voorwaarde is en de grondslag kan vormen voor schadeveroorzakende solidariteitsacties?

c)
Maakt het in dit verband enig verschil, wanneer de uitvoering van een aangekondigde collectieve actie na de aanlegging van het geding door de aanzeggende partij wordt opgeschort in afwachting van de rechterlijke uitspraak over de rechtmatigheid van die actie?

2)
Moet artikel 5, sub 3, aldus worden uitgelegd, dat schade als gevolg van een collectieve actie die door een vakbond van een land dat regelmatig wordt aangedaan door een in een ander land (vlagstaat) geregistreerd schip, wordt georganiseerd om een overeenkomst voor de aan boord van het schip te verrichten zeemansarbeid af te dwingen, door de rederij kan worden beschouwd als te zijn ingetreden in de vlagstaat, zodat de rederij overeenkomstig deze bepaling in de vlagstaat een vordering tot schadevergoeding tegen de vakbond kan instellen?”


De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

14
Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat het Arbejdsret niet wordt vermeld in artikel 2, sub 1, tweede streepje, van het Protocol en dat het niet rechtspreekt in hoger beroep, zoals voorgeschreven sub 2 van dit artikel, hetwelk bepaalt welke rechterlijke instanties van de verdragsluitende partijen het Hof kunnen verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het Executieverdrag.

15
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt evenwel dat naar Deens recht het Arbejdsret als enige instantie bevoegd is zich uit te spreken over bepaalde conflicten op het gebied van het arbeidsrecht, inzonderheid die inzake de rechtmatigheid van collectieve acties die zijn gericht op het verkrijgen van een collectieve arbeidsovereenkomst. Het Arbejdsret doet dan ook uitspraak in eerste en laatste instantie.

16
In die omstandigheden zou een letterlijke uitlegging van het Protocol volgens welke de verwijzende rechterlijke instantie zich niet tot het Hof kan wenden, tot gevolg hebben dat in Denemarken vraagstukken over de uitlegging van het Executieverdrag in het kader van een actie als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, nooit het voorwerp zouden kunnen zijn van een prejudiciële verwijzing.

17
Het ligt voor de hand dat een dergelijke uitlegging van artikel 2, sub 1 en 2, van het Protocol zou indruisen tegen de in de preambule van het Executieverdrag vermelde doelstellingen, inzonderheid die met betrekking tot de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten in de internationale rechtsorde en de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn.

18
Mitsdien is het door het Arbejdsret gedane verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.


De eerste vraag, sub a

19
Met zijn eerste vraag, sub a, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” zich mede uitstrekt tot een vordering in rechte met betrekking tot de rechtmatigheid van een collectieve actie, die overeenkomstig het recht van de betrokken verdragsluitende staat tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van een andere rechterlijke instantie dan die welke bevoegd is te oordelen over de verzoeken om vergoeding van de door die actie veroorzaakte schade.

20
In Denemarken is het Arbejdsret bevoegd om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een collectieve actie, terwijl andere rechterlijke instanties bevoegd zijn te oordelen over de verzoeken om vergoeding van door een dergelijke actie veroorzaakte schade.

21
SEKO betoogt dat het bij de verwijzende rechterlijke instantie aanhangig geding niet valt onder het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag, omdat bij deze instantie geen schadevordering is ingediend. Bovendien zou SEKO, indien het Arbejdsret mocht vaststellen dat de door hem opgeschorte collectieve actie onrechtmatig is, zijn aanzegging moeten intrekken, in welk geval DFDS geen reden zou hebben om vervolgens een schadevordering in te dienen. Bijgevolg is volgens SEKO artikel 2 Executieverdrag toepasselijk.

22
Dit argument kan niet worden aanvaard.

23
Volgens vaste rechtspraak heeft het Executieverdrag immers niet tot doel, het formele recht van de verdragsluitende staten een te maken, maar de rechterlijke bevoegdheden voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken in de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten te verdelen en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken (zie onder meer arresten van 7 maart 1995, Shevill e.a., C-68/93, Jurispr. blz. I-415, punt 35, en 6 juni 2002, Italian Leather, C-80/00, Jurispr. blz. I-4995, punt 43).

24
Bijgevolg kan het Koninkrijk Denemarken een systeem hanteren waarbij de bevoegdheden ter beoordeling van respectievelijk de rechtmatigheid van een collectieve actie en de vorderingen ter vergoeding van de schade die daaruit kan voortvloeien, niet tot dezelfde nationale rechterlijke instanties behoren.

25
Aanvaarding van de door SEKO voorgestane uitlegging zou tot gevolg hebben dat een verzoeker die vergoeding wenst te krijgen van schade die het gevolg is van een in Denemarken gevoerde collectieve actie en waarvoor een in een andere verdragsluitende staat gevestigde persoon aansprakelijk is, eerst voor een rechterlijke instantie van de woonstaat van de verweerder een vordering betreffende de rechtmatigheid van de collectieve actie aanhangig zou moeten maken en vervolgens een schadevordering zou moeten indienen bij een Deense rechterlijke instantie.

26
Een dergelijke uitlegging zou in strijd zijn met de beginselen van een goede rechtsbedeling, de rechtszekerheid en het voorkomen dat ter zake van eenzelfde rechtsbetrekking meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, ten aanzien waarvan het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het om doelstellingen van het Executieverdrag gaat (zie met name arrest van 3 juli 1997, Benincasa, C‑269/95, Jurispr. blz. I‑3767, punt 26, en arrest Italian Leather, reeds aangehaald, punt 51).

27
In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld, dat artikel 5, sub 3, Executieverdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat de toepassing van deze bepaling afhankelijk is van daadwerkelijk ingetreden schade, en dat de constatering dat het gerecht van de plaats waar het schadebrengend feit zich heeft voorgedaan, normaliter het best in staat is om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is, geldt ongeacht of het geschil de vergoeding betreft van reeds ingetreden schade, dan wel een vordering ter voorkoming van schade (arrest van 1 oktober 2002, Henkel, C‑167/00, Jurispr. blz. I‑8111, punten 46 en 48).

28
Blijkens het voorgaande moet op de eerste vraag, sub a, worden geantwoord dat artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” zich mede uitstrekt tot een vordering in rechte met betrekking tot de rechtmatigheid van een collectieve actie, die overeenkomstig het recht van de betrokken verdragsluitende staat tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van een andere rechterlijke instantie dan die welke bevoegd is te oordelen over de verzoeken om vergoeding van de door die actie veroorzaakte schade.


De eerste vraag, sub b

29
Met de eerste vraag, sub b, wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 5, punt 3, Executieverdrag slechts toepasbaar is op een situatie als die in het hoofdgeding, indien het ontstaan van schade een zeker of waarschijnlijk gevolg is van de collectieve actie als zodanig, of dat het volstaat dat die actie een noodzakelijke voorwaarde is voor solidariteitsacties die schade kunnen veroorzaken.

30
Blijkens het dossier had DFDS ten tijde van de feiten in het hoofdgeding enkel Poolse zeelieden aan boord van de Tor Caledonia tewerkgesteld. Aangezien de door SEKO aangekondigde collectieve actie inhield dat deze zijn Zweedse leden verzocht niet op het vrachtschip aan te monsteren, kon de collectieve actie op zich DFDS geen schade berokkenen. Zij was evenwel noodzakelijk opdat een solidariteitsactie die, zoals in casu, neerkwam op een weigering om enige werkzaamheid te verrichten betreffende het laden en het lossen van de Tor Caledonia in de Zweedse havens, rechtmatig kon plaatsvinden.

31
Zonder de door SEKO gedane aanzegging van een collectieve actie zou de schade die DFDS beweert te hebben geleden ten gevolge van de niet-inzetting van Tor Caledonia op het traject Göteborg‑Harwich en de bevrachting van een ander vrachtschip, dus niet zijn ingetreden.

32
Volgens de rechtspraak van het Hof is voor het ontstaan van niet-contractuele aansprakelijkheid vereist dat een causaal verband kan worden aangetoond tussen de schade en het schadeveroorzakende feit (arrest van 30 november 1976, Bier, „Franse kalimijnen”, 21/76, Jurispr. blz. 1735, punt 16). Vastgesteld moet worden dat in een situatie zoals die in het hoofdgeding een causaal verband zou kunnen worden aangetoond tussen de door DFDS beweerdelijk geleden schade en de door SEKO aangezegde collectieve actie.

33
Aangaande het argument van SEKO dat voor bevoegdheid van de Deense rechterlijke instanties vereist zou zijn, dat de collectieve actie ten uitvoer is gelegd en een financieel verlies veroorzakende schade heeft berokkend, terwijl voorts een schadevordering had moeten worden ingediend, volstaat het in herinnering te brengen dat, zoals het Hof in punt 27 van het onderhavige arrest heeft geoordeeld, artikel 5, sub 3, Executieverdrag kan worden toegepast op een preventieve actie die bedoeld is, het intreden van een toekomstig schadebrengend feit te voorkomen.

34
Mitsdien moet de eerste vraag, sub b, aldus worden beantwoord dat het voor de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag op een situatie als die in het hoofdgeding volstaat dat de collectieve actie een noodzakelijke voorwaarde is voor solidariteitsacties die schade kunnen veroorzaken.


De eerste vraag, sub c

35
Met zijn eerste vraag, sub c, wenst de verwijzende rechter te vernemen of aan de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag in de weg staat dat de uitvoering van de collectieve actie door de partij die deze heeft aangezegd is opgeschort in afwachting van de uitspraak over de rechtmatigheid van die actie.

36
Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat de versterking van de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen, door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, alsmede de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen, een van de doelstellingen van het Executieverdrag vormt (zie arresten van 19 februari 2002, Besix, C‑256/00, Jurispr. blz. I‑1699, punten 25 en 26, en 17 september 2002, Tacconi, C‑334/00, Jurispr. blz. I‑7357, punt 20).

37
Deze doelstelling zou worden gemist indien, nadat een onder artikel 5, sub 3, Executieverdrag vallende vordering bij de bevoegde rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat is ingeleid, de opschorting door de verweerder van het onrechtmatige gedrag dat aan een dergelijke vordering ten grondslag heeft gelegen, tot gevolg kon hebben dat de aangezochte rechterlijke instantie haar bevoegdheid verliest en de rechterlijke instantie van een andere verdragsluitende staat bevoegd wordt.

38
Derhalve moet op de eerste vraag, sub c, worden geantwoord dat aan de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag niet in de weg staat dat de uitvoering van de collectieve actie door de partij die deze heeft aangezegd is opgeschort in afwachting van de uitspraak over de rechtmatigheid van die actie.


De tweede vraag

39
Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen, of artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat schade als gevolg van een collectieve actie die door een vakbond wordt uitgevoerd in een verdragsluitende staat waar een in een andere verdragsluitende staat geregistreerd schip vaart, kan worden geacht te zijn ingetreden in de vlagstaat, zodat de rederij in die staat een schadevordering tegen die vakbond kan indienen.

40
Het is vaste rechtspraak dat wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen, en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden verstaan, dat deze zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis, zodat de verweerder ter keuze van de eiser voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Franse Kalimijnen, punten 24 en 25, Shevill e.a. punt 20, en Henkel, punt 44).

41
In casu bestond het schadebrengende feit in de collectieve actie zoals die door SEKO was aangezegd en verbreid in Zweden, de verdragsluitende staat waar deze vakbond tevens gevestigd is. De plaats waar zich het feit heeft voorgedaan dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kon doen ontstaan, kan derhalve slechts gelegen zijn in Zweden, voorzover daar de plaats ligt waar het schadebrengende feit zijn oorsprong vindt (zie in die zin arrest Shevill e.a., reeds aangehaald, punt 24).

42
Voor het overige heeft de door SEKO beweerdelijk aan DFDS berokkende schade bestaan in financiële verliezen, geleden doordat de Tor Caledonia niet meer op zijn gebruikelijke traject is ingezet en een ander vrachtschip is bevracht om die verbinding te onderhouden.

43
De nationale rechter dient na te gaan, of die financiële verliezen kunnen worden geacht zich te hebben voorgedaan op de plaats waar DFDS is gevestigd.

44
In het kader van die beoordeling door de nationale rechter moet de vlagstaat, dat wil zeggen de staat waar het schip is geregistreerd, slechts worden beschouwd als één van de elementen aan de hand waarvan kan worden bepaald waar de schade is ingetreden. De nationaliteit van het schip kan slechts een beslissende rol spelen ingeval de nationale rechter tot de conclusie mocht komen dat de schade aan boord van de Tor Caledonia is ingetreden. In dit laatste geval zou de vlagstaat noodzakelijkerwijs moeten worden beschouwd als de plaats waar het schadebrengende feit de schade heeft veroorzaakt.

45
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat schade als gevolg van een collectieve actie die door een vakbond wordt uitgevoerd in een verdragsluitende staat waar een in een andere verdragsluitende staat geregistreerd schip vaart, niet noodzakelijkerwijs kan worden geacht te zijn ingetreden in de vlagstaat met als gevolg dat de rederij in die staat een schadevordering tegen die vakbond kan indienen.


Kosten

46
De kosten door de Deense en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),



uitspraak doende op de door het Arbejdsret bij beschikking van 25 januari 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)a)
Artikel 5, sub 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en bij het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” zich mede uitstrekt tot een vordering in rechte met betrekking tot de rechtmatigheid van een collectieve actie, die overeenkomstig het recht van de betrokken verdragsluitende staat tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van een andere rechterlijke instantie dan die welke bevoegd is te oordelen over de verzoeken om vergoeding van de door die actie veroorzaakte schade.

b)      Voor de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag op een situatie als die in het hoofdgeding volstaat het dat de collectieve actie een noodzakelijke voorwaarde is voor solidariteitsacties die schade kunnen veroorzaken.

c)      Aan de toepassing van artikel 5, sub 3, Executieverdrag staat niet in de weg dat de uitvoering van de collectieve actie door de partij die deze heeft aangezegd is opgeschort in afwachting van de uitspraak over de rechtmatigheid van die actie.

2)      In omstandigheden als die van het hoofdgeding, moet artikel 5, sub 3, Executieverdrag aldus worden uitgelegd dat schade als gevolg van een collectieve actie die door een vakbond wordt uitgevoerd in een verdragsluitende staat waar een in een andere verdragsluitende staat geregistreerd schip vaart, niet noodzakelijkerwijs kan worden geacht te zijn ingetreden in de vlagstaat met als gevolg dat de rederij in die staat een schadevordering tegen die vakbond kan indienen.

Skouris

Cunha Rodrigues

Puissochet

Schintgen

Macken

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 februari 2004.

De griffier

De president

R. Grass

V. Skouris


1
Procestaal: Deens.