Language of document : ECLI:EU:C:2004:77

Arrêt de la Cour

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 februari 2004 (1)

„Executieverdrag – Bijzondere bevoegdheden – Artikel 5, punt 1 – Begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ – Overeenkomst van borgtocht gesloten buiten weten van hoofdschuldenaar – Subrogatie van borg in rechten schuldeiser – Regresvordering van borg tegen hoofdschuldenaar”

In zaak C-265/02,

betreffende een verzoek aan het Hof overeenkomstig het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Corte suprema di cassazione (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen

Frahuil SA

en

Assitalia SpA,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het reeds aangehaalde verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),



samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. W. A. Timmermans en S. von Bahr, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March en A.-M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende



Arrest



1
Bij beschikking van 11 april 2002, ingekomen bij het Hof op 18 juli daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, punt 1, van dit verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).

2
Deze vraag is gerezen in een geding betreffende een regresvordering van de vennootschap naar Italiaans recht Assitalia SpA (hierna: „Assitalia”) tegen de vennootschap naar Frans recht Frahuil SA (hierna: „Frahuil”) om terugbetaling te verkrijgen van de douanerechten die Assitalia als borg van de expediteur Vegetoil Srl (hierna: „Vegetoil”) heeft betaald ter zake van de invoer door Frahuil.


Toepasselijke bepalingen

Executieverdrag

3
Overeenkomstig artikel 1, eerste alinea, wordt dit verdrag „toegepast in burgerlijke en handelszaken [...]. Het heeft inzonderheid geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.”

4
Artikel 2, eerste alinea, van dit verdrag bepaalt:

„Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.”

5
Artikel 5, punt 1, van dit verdrag luidt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1.
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; [...]”

6
Artikel 53, eerste alinea, van dit verdrag bepaalt:

„Voor de toepassing van dit verdrag wordt de plaats van vestiging van vennootschappen en rechtspersonen gelijkgesteld met de woonplaats [...]”

Nationaal recht

7
Aangaande de borgstelling bepaalt artikel 1949 van de Codice civile (Italiaans burgerlijk wetboek; hierna: „ Codice civile”), met als titel „Subrogatie van de borg in de rechten van de schuldeiser”:

„De borg die de schuld heeft voldaan, treedt in alle rechten die de schuldeiser had tegen de schuldenaar.”

8
Artikel 1950, eerste alinea, van de Codice civile, met als titel „Regres op de hoofdschuldenaar”, luidt als volgt:

„De borg die de schuld heeft voldaan, heeft een vordering op de hoofdschuldenaar, zelfs indien de borgstelling buiten diens medeweten is geschied.”


Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

9
Frahuil, gevestigd te Marseille (Frankrijk), heeft goederen uit derde landen in Italië ingevoerd. Zij heeft Vegetoil met de inklaringsformaliteiten belast en verklaart dat zij haar daartoe vooraf het bedrag van de te betalen douanerechten heeft gestort.

10
Vegetoil heeft de betrokken rechten niet betaald, maar heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid de betaling ervan uit te stellen tegen zekerheidstelling overeenkomstig de artikelen 78 en 79 van de Testo unico delle disposizioni legislative in materia doganale (gecoördineerde tekst van de wettelijke bepalingen op douanegebied), die is goedgekeurd bij decreet nr. 43 van de president van de Republiek van 23 januari 1973 (GURI, gewoon supplement bij nr. 80 , van 28 maart 1973).

11
De zekerheid werd gesteld door middel van een overeenkomst van borgstelling die buiten medeweten van Frahuil werd gesloten tussen Vegetoil en Assitalia, gevestigd te Rome, waarbij laatstgenoemde zich tegenover de Italiaanse douaneautoriteiten borg heeft gesteld voor Vegetoil.

12
Assitalia heeft de douanerechten over de invoer van Frahuil betaald.

13
Assitalia heeft Frahuil voor het Tribunale di Roma (Italië) gedaagd teneinde terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zij aan de douane had betaald. Deze vordering was gebaseerd op de subrogatie van de borg in de rechten van de schuldeiser en op het regresrecht van de borg tegen de schuldenaar, als bedoeld in de artikelen 1949 en 1950 van de Codice civile.

14
Frahuil heeft de onbevoegdheid van de Italiaanse rechter opgeworpen, stellende dat zij conform artikel 2 van het Executieverdrag had moeten worden opgeroepen voor de gerechten van de staat van haar zetel, dus voor de Franse rechter.

15
Bij vonnis van 20 juni en 15 september 1995 heeft het Tribunale di Roma zich bevoegd verklaard. Bij arrest van 24 oktober en 12 november 1997 heeft de Corte d’appello di Roma in hoger beroep het vonnis bevestigd. Volgens de Corte d’appello is de Italiaanse rechter krachtens artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag bevoegd. De terugbetalingsverplichting die op Frahuil rust ten aanzien van Assitalia, is gebaseerd op een overeenkomst van borgstelling die volgens de bepalingen van de Codice civile geldig zou zijn gesloten, zelfs indien de schuldenaar er niet van op de hoogte was.

16
Frahuil heeft cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione. Zij stelt in hoofdzaak dat de subrogatie van de borg in de rechten van de schuldeiser en de regresvordering tegen de hoofdschuldenaar niet op de overeenkomst van borgstelling, maar op de wet zijn gebaseerd, inzonderheid op de artikelen 1949 en 1950 van de Codice civile. Assitalia stelt dat de ingestelde vordering van contractuele aard is, daar zij, conform de bepalingen van de Codice civile, het natuurlijk gevolg is van de overeenkomst van borgstelling.

17
Van oordeel dat twijfels rezen over de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag, heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:

„Moet artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag van 27 september 1968, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en het Verdrag van 29 november 1996, betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ zich ook uitstrekt tot de verbintenis waarvan de borg, die op grond van een met de expediteur gesloten overeenkomst van borgtocht de douanerechten heeft voldaan, als gesubrogeerde van de douane bij wijze van regres in rechte nakoming vordert van de derde-schuldenaar, eigenaar van de ingevoerde goederen, die vreemd is gebleven aan de overeenkomst van borgtocht?”


De prejudiciële vraag

De toepasselijkheid van het Executieverdrag

18
Aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de terugvordering van bedragen die ter betaling van douanerechten werden gestort, dient vooraf te worden onderzocht of dit geding binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag valt.

19
In casu werd de vordering tegen een invoerder, de schuldenaar van de douanerechten, ingesteld door de borg die deze rechten aan de douane heeft betaald. De borg heeft deze rechten betaald ingevolge een overeenkomst van borgstelling waarbij hij zich tegenover de douaneautoriteiten garant stelde voor de betaling van de betrokken rechten door de expediteur, die oorspronkelijk door de hoofdschuldenaar met de betaling van de schuld was belast.

20
In een geval zoals het onderhavige, waarin verschillende rechtsbetrekkingen aan de orde zijn, tussen een overheidsinstantie en een privaatrechtelijke persoon, dan wel enkel tussen privaatrechtelijke personen, moet de rechtsbetrekking tussen de partijen bij het geschil worden vastgesteld en de grondslag en de wijze van instellen van de vordering worden onderzocht (arresten van 14 november 2002, Baten, C-271/00, Jurispr. blz. I-10489, punt 31, en 15 mei 2003, Préservatrice foncière TIARD, C-266/01, Jurispr. blz. I-4867, punt 23).

21
De rechtsbetrekking tussen Frahuil en Assitalia, de twee privaatrechtelijke partijen in het hoofdgeding, is van privaatrechtelijke aard. Blijkens de verwijzingsbeschikking maakt de partij die de vordering heeft ingesteld immers gebruik van een beroepsmogelijkheid op basis van de wettelijke subrogatie waarin een bepaling van de Codice civile voorziet. Deze vordering vormt geen uitoefening van een bevoegdheid die buiten het bestek valt van de regels die gelden voor betrekkingen tussen particulieren, zodat zij moet worden geacht te vallen onder het begrip „burgerlijke en handelszaken”, in de zin van artikel 1, eerste alinea, van het Executieverdrag (zie in die zin reeds aangehaald arrest Préservatrice foncière TIARD, punt 36).

Het begrip verbintenissen uit overeenkomst

22
Volgens vaste rechtspraak moet aan het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” een autonome uitlegging worden gegeven, waarbij met het oog op de eenvormige toepassing van het Executieverdrag in alle verdragsluitende staten aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van dit verdrag; dit begrip kan derhalve niet worden geacht te verwijzen naar de kwalificatie die de toepasselijke nationale wet geeft aan de voor de nationale rechter aan de orde zijnde rechtsbetrekking (zie arresten van 17 juni 1992, Handte, C-26/91, Jurispr. blz. I-3967, punt 10; 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a., C-51/97, Jurispr. blz. I-6511, punt 15; 17 september 2002, Tacconi, C-334/00, Jurispr. blz. I-7357, punt 19, en 1 oktober 2002, Henkel, C-167/00, Jurispr. blz. I-8111, punt 35).

23
In het stelsel van het Executieverdrag geldt inderdaad het algemene beginsel dat de rechter van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd is, en dat het Executieverdrag enkel als uitzondering op dit beginsel een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin de verweerder kan of, al naar gelang het geval, moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere verdragsluitende staat. De bevoegdheidsregels die van dit algemene beginsel afwijken, mogen bijgevolg niet aldus worden uitgelegd, dat zij buiten de door het Executieverdrag voorziene gevallen gelden (zie reeds aangehaalde arresten Handte, punt 14, en Réunion européenne e.a., punt 16).

24
Eveneens volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt hieruit dat het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag niet aldus mag worden uitgelegd, dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis (reeds aangehaalde arresten Handte, punt 15; Réunion européenne e.a., punt 17, en Tacconi, punt 23).

25
In dit verband staat vast dat in het hoofdgeding Frahuil geen partij was bij de overeenkomst van borgstelling waarbij Assitalia zich tegenover de douaneautoriteiten garant stelde voor de betaling van de douanerechten door Vegetoil. Het blijkt evenwel dat Frahuil Vegetoil met de inklaringsformaliteiten heeft belast. De verwijzende rechter dient derhalve de rechtsbetrekking tussen Frahuil en Vegetoil te onderzoeken om vast te stellen of Vegetoil in het kader daarvan voor rekening van Frahuil een overeenkomst kon sluiten zoals de overeenkomst van borgstelling waarvan sprake in het hoofdgeding.

26
Derhalve dient op de vraag van de verwijzende rechter te worden geantwoord, dat artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” zich niet uitstrekt tot de verbintenis waarvan de borg, die op grond van een met de expediteur gesloten overeenkomst van borgtocht de douanerechten heeft voldaan, als gesubrogeerde van de douane bij wijze van regres in rechte nakoming vordert van de eigenaar van de goederen, indien deze eigenaar, die geen partij is bij de overeenkomst van borgtocht, geen toelating heeft gegeven voor het sluiten van de overeenkomst.


Kosten

27
De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),



uitspraak doende op de door de Corte suprema di cassazione bij beschikking van 11 april 2002 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 5, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” zich niet uitstrekt tot de verbintenis waarvan de borg, die op grond van een met de expediteur gesloten overeenkomst van borgtocht de douanerechten heeft voldaan, als gesubrogeerde van de douane bij wijze van regres in rechte nakoming vordert van de eigenaar van de goederen indien deze eigenaar, die geen partij is bij de overeenkomst van borgtocht, geen toelating heeft gegeven voor het sluiten van de overeenkomst.

Jann

Timmermans

von Bahr

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 februari 2004.

De griffier

De president

R. Grass

V. Skouris


1
Procestaal: Italiaans.