Language of document : ECLI:EU:C:2004:394

Arrêt de la Cour

ARREST VAN HET HOF (grote kamer)
29 juni 2004 (1)

„Hogere voorziening – Verklaring van oprichting van fractie in zin van artikel 29, lid 1, reglement van Europees Parlement – Geen politieke verwantschap – Ontbinding met terugwerkende kracht van TDI-fractie – Incidentele hogere voorziening – Uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG – Begrip beschikking die natuurlijke of rechtspersoon ‚rechtstreeks en individueel’ raakt – Niet-ontvankelijkheid van beroep dat door nationale politieke partij is ingesteld”

In zaak C-486/01 P

Front national, gevestigd te Saint-Cloud (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Wagner en V. de Poulpiquet de Brescanvel, avocats,

rekwirant,

betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer – uitgebreid) van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement (T-222/99, T-327/99 en T-329/99, Jurispr. blz. II-2823), strekkende tot vernietiging van dit arrest,

andere partij bij de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Garzón Clariana, J. Schoo en H. Krück als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (grote kamer),



samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans (rapporteur), A. Rosas, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresidenten, R. Schintgen, F. Macken en N. Colneric, S. von Bahr en R. Silva de Lapuerta, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 9 december 2003,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 2004,

het navolgende



Arrest



1
Bij verzoekschrift, op 12 december 2001 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft het Front national krachtens artikel 225 EG en artikel 49 van ’s Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement (T‑222/99, T‑327/99 en T‑329/99, Jurispr. blz. II-2823; hierna: „bestreden arrest”), waarbij zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 14 september 1999 inzake de uitlegging van artikel 29, lid 1, van zijn reglement en houdende ontbinding met terugwerkende kracht van de „Groupe technique des députés indépendants (TDI) – Groupe mixte” [Technische fractie van onafhankelijke leden (TDI) – Gemengde fractie] (hierna: „litigieuze handeling”) is verworpen.

2
Bij afzonderlijke akte, op 11 december 2001 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft het Front national eveneens krachtens artikel 242 EG een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest ingediend. Dit verzoek werd evenwel bij beschikking van de president van het Hof van 21 februari 2002, Front national en Martinez/Parlement (C‑486/01 P‑R en C‑488/01 P‑R, Jurispr. blz. I‑1843), afgewezen, met name op grond dat voornoemde opschorting geen geschikt middel was om de door verzoeker aangevoerde ernstige en onherstelbare schade te voorkomen.


Toepasselijke bepalingen

3
Artikel 29 van het reglement van het Europees Parlement, in de op de feiten van het geding toepasselijke versie (PB 1999, L 202, blz. 1; hierna: „reglement”), bepaalde onder het opschrift „Oprichting van fracties”:

„1.    De leden kunnen fracties oprichten naar politieke gezindheid.

2.      Een fractie moet uit leden uit meer dan één lidstaat bestaan. Het voor de oprichting van een fractie vereiste aantal leden bedraagt ten minste drieëntwintig leden uit twee lidstaten, achttien uit drie en veertien uit vier of meer lidstaten.

3.      Een lid kan slechts tot één fractie behoren.

4.      De oprichting van een fractie moet in een verklaring aan de voorzitter worden meegedeeld. In deze verklaring moeten de naam van de fractie, de namen van haar leden en de samenstelling van haar bureau worden vermeld.

[…]”

4
Artikel 30 van het reglement, betreffende de niet-ingeschreven leden, bepaalde:

„1.    Leden die niet tot een fractie behoren, staat een secretariaat ter beschikking. Nadere bijzonderheden worden door het Bureau, op voorstel van de secretaris-generaal, geregeld.

2.      Rechtspositie en parlementaire rechten van deze leden worden door het Bureau geregeld.”

5
Artikel 180 van het reglement, inzake de toepassing van het reglement, luidde als volgt:

„1.    Bij twijfel over de toepassing of de interpretatie van het reglement kan de voorzitter, ongeacht reeds hierover genomen besluiten, de zaak voor onderzoek naar de bevoegde commissie verwijzen.

Naar aanleiding van een beroep op het reglement overeenkomstig artikel 142 kan de voorzitter de zaak eveneens naar de bevoegde commissie verwijzen.

2.      De bevoegde commissie beslist of het noodzakelijk is een wijziging van het reglement voor te stellen. In dat geval wordt de procedure van artikel 181 gevolgd.

3.      Indien de bevoegde commissie beslist dat met een interpretatie van de geldende bepalingen van het reglement kan worden volstaan, doet zij deze interpretatie aan de voorzitter toekomen, die op zijn beurt het Parlement ervan in kennis stelt.

4.      Indien de interpretatie van de bevoegde commissie door een fractie of ten minste tweeëndertig leden wordt betwist, wordt de zaak ter beslissing aan het Parlement voorgelegd. Goedkeuring van de tekst geschiedt bij gewone meerderheid, indien ten minste een derde van de leden van het Parlement aanwezig is. Bij verwerping wordt de zaak terugverwezen naar de commissie.

5.      Niet-betwiste interpretaties, alsmede door het Parlement goedgekeurde interpretaties worden, samen met de besluiten over de toepassing van het reglement ter zake, cursief gedrukt als toelichting bij het (de) betrokken artikel(en) van het reglement opgenomen.

6.      Deze toelichting geldt als precedent bij de latere toepassing en interpretatie van de betrokken artikelen.

[…]”


Feitelijke achtergrond van het geschil

6
Blijkens het bestreden arrest is, nadat de voorzitter van het Parlement op 19 juli 1999 in kennis was gesteld van de oprichting van de „Groupe technique des députés indépendants (TDI) – Groupe mixte” (hierna: „TDI-fractie”), die zich uitdrukkelijk tot doel stelde iedere afgevaardigde de volledige uitoefening van zijn parlementair mandaat te waarborgen, door de voorzitters van de andere fracties van het Parlement tegen de oprichting van die fractie bezwaar gemaakt wegens het ontbreken van politieke verwantschap tussen de delen waaruit zij was samengesteld. Conform artikel 180, lid 1, van het reglement is derhalve een verzoek tot uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement van het Parlement aan de commissie voor constitutionele zaken van het Parlement (hierna: „commissie constitutionele zaken”) voorgelegd.

7
Bij brief van 28 juli 1999 heeft de voorzitter van deze commissie de gevraagde uitlegging aan de voorzitter van het Parlement medegedeeld. Deze brief stelde in het bijzonder:

„Tijdens de vergadering van 27 en 28 juli 1999 heeft de commissie constitutionele zaken het verzoek behandeld om uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement, voorgelegd door de Conferentie van voorzitters in hun vergadering van 21 juli 1999.

Na uitgebreide discussie en met 15 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 1 onthouding is de commissie constitutionele zaken gekomen tot de volgende uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement:

De oprichtingsverklaring van de [TDI]-fractie is niet overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het reglement van het Europees Parlement.

De verklaring van oprichting van deze fractie, met name bijlage 2 bij de aan de voorzitter van het Europees Parlement gerichte oprichtingsbrief, sluit immers iedere politieke richting uit. Zij geeft aan de verschillende ondertekenende leden een volledige politieke vrijheid.

Ik stel u voor, als interpretatieve toelichting bij artikel 29 van het reglement de volgende tekst in te voegen:

‚In de zin van dit artikel kan de oprichting van een fractie niet worden toegestaan als deze ieder politiek karakter en iedere politieke verwantschap tussen de delen waaruit zij is samengesteld, openlijk ontkent.’

[…]”

8
In de plenaire vergadering van 13 september 1999 is het Parlement door zijn voorzitter in kennis gesteld van de inhoud van voornoemde brief. Aangezien de TDI-fractie op grond van artikel 180, lid 4, van het reglement de door de commissie constitutionele zaken voorgestelde interpretatieve toelichting had betwist, is vorenbedoelde toelichting in de plenaire vergadering van 14 september 1999 ter stemming aan het Parlement voorgelegd, dat deze met meerderheid van stemmen heeft goedgekeurd.

9
Van mening dat deze stemming hem in die omstandigheden nadeel berokkende, heeft het Front national bij verzoekschrift, op 19 november 1999 neergelegd ter griffie van het Gerecht, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze handeling (zaak T‑327/99). Bij verzoekschriften, respectievelijk op 5 oktober en 22 november 1999 neergelegd ter griffie van het Gerecht, zijn nog twee beroepen met een identiek onderwerp ingesteld door Martinez en de Gaulle (zaak T‑222/99), respectievelijk door Bonino, Pannella, Cappato, Dell’Alba, Della Vedova, Dupuis, Turco en de Lista Emma Bonino (zaak T‑329/99).


Het bestreden arrest

10
Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest het beroep van het Front national ontvankelijk verklaard, doch als ongegrond verworpen.

De ontvankelijkheid

11
Wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, heeft het Gerecht de door het Parlement aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan de non-existentie van de litigieuze handeling, aan het feit dat de handeling niet vatbaar was voor toetsing door de gemeenschapsrechter en aan het feit dat de handeling het Front national niet rechtstreeks en individueel raakte in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, volgenderwijs afgewezen.

12
Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid ontleend aan de non-existentie van de litigieuze handeling, voorzover strekkende tot ontbinding van de TDI-fractie, oordeelde het Gerecht in punt 26 van het bestreden arrest dat om te bepalen of een handeling krachtens artikel 230 EG voor beroep vatbaar is, meer bij de inhoud dan bij de vorm ervan moet worden aangeknoopt. Na een onderzoek van de inhoud van deze handeling en van de omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, oordeelde het Gerecht in punt 46 van hetzelfde arrest dat het Parlement met een dergelijke handeling niet alleen had besloten de door de commissie constitutionele zaken voorgestelde algemene uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement en het standpunt van die commissie omtrent de verenigbaarheid van de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie met dat artikel goed te keuren, maar ook de non-existentie ex tunc van die fractie had vastgesteld omdat zij niet aan de in die bepaling bedoelde voorwaarde voldeed.

13
Met betrekking tot de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid van het Parlement, inhoudende dat de litigieuze handeling niet voor beroep vatbaar was, heeft het Gerecht in de punten 59 tot en met 62 van het bestreden arrest geoordeeld dat een dergelijke handeling, doordat zij de leden die de oprichting van de TDI-fractie hadden aangekondigd, de mogelijkheid ontneemt om zich als zodanig als fractie in de zin van artikel 29 van het reglement te verenigen, zodat die leden overeenkomstig artikel 30 van het reglement als niet-ingeschrevenen worden aangemerkt, van invloed is op de omstandigheden waaronder de betrokken leden hun parlementaire functie uitoefenen en dus jegens hen rechtsgevolgen teweegbrengt. Een dergelijke handeling kan dus niet worden afgezwakt tot een handeling die strikt de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement betreft, maar moet vatbaar zijn voor een wettigheidstoetsing door de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 230, eerste alinea, EG.

14
Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid waarmee het Parlement twijfel had geopperd of aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG was voldaan, heeft het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest geoordeeld dat de litigieuze handeling moest worden geacht Martinez en de Gaulle en de leden die in zaak T‑329/99 beroep hadden ingesteld, rechtstreeks te raken aangezien zij, zonder dat daartoe nadere maatregelen nodig waren, hun belette zich in de TDI-fractie te verenigen tot een fractie in de zin van artikel 29 van het reglement, hetgeen rechtstreeks van invloed was op de omstandigheden waaronder zij hun functie uitoefenden. Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat deze handeling moest worden geacht ook het Front national rechtstreeks en individueel te raken.

15
Aangaande eerstgenoemde voorwaarde overwoog het Gerecht in het bijzonder:

„66
In zaak T‑327/99 is van belang, dat het Front national, een Franse politieke partij, een rechtspersoon is met als statutair doel, via zijn leden binnen het bestel van nationale en Europese instellingen politieke gedachten en doelstellingen uit te dragen. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van juni 1999 heeft het een kandidatenlijst ingediend. Degenen van die lijst die tot lid van het Parlement zijn gekozen, behoren allen tot de leden die de oprichting van de TDI-fractie hebben aangekondigd. Als gevolg van de handeling van 14 september 1999 bevinden zij zich allen in de positie die hierboven in punt 59 is beschreven, hetgeen rechtstreeks van invloed is op de omstandigheden waaronder zij het gedachtegoed van de partij die zij in het Parlement vertegenwoordigen, uitdragen en daarmee ook op de omstandigheden waaronder die politieke partij haar statutair doel op Europees niveau verwezenlijkt.

67
De handeling van 14 september 1999 moet dus worden geacht, het Front national rechtstreeks te raken.”

16
Aangaande de tweede voorwaarde van artikel 230, vierde alinea, EG heeft het Gerecht in punt 72 van het bestreden arrest, na de rechtspraak inzake de uitlegging van deze voorwaarde en de omstandigheden die aanleiding gaven tot de ontbinding van de TDI-fractie in herinnering te hebben gebracht, overwogen dat de litigieuze handeling het Front national rechtstreeks raakte doordat zijn situatie ten opzichte van die van iedere andere persoon was gekarakteriseerd.

17
Mitsdien heeft het Gerecht de derde exceptie van niet-ontvankelijkheid van het Parlement afgewezen en in punt 75 van het bestreden arrest geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moest worden verklaard.

Ten gronde

18
Ten gronde heeft het Gerecht evenwel alle middelen van het Front national verworpen. Deze middelen waren ontleend aan respectievelijk een onjuiste lezing van artikel 29, lid 1, van het reglement van het Parlement (eerste middel), schending van het beginsel van gelijke behandeling en van bepalingen van het reglement, alsmede ontbreken van rechtsgrondslag voor de litigieuze handeling (tweede middel), schending van het beginsel van gelijke behandeling jegens de leden van de TDI-fractie (derde middel), miskenning van de parlementaire tradities die de lidstaten gemeen hebben (vierde middel), schending van wezenlijke vormvoorschriften (vijfde middel), en een vermoeden van misbruik van procedureregels (zesde middel).

19
Derhalve heeft het Gerecht het bij hem aanhangige beroep tot nietigverklaring verworpen en het Front national veroordeeld in zijn eigen kosten en in die van het Parlement in zaak T‑327/99.


De hogere voorziening

20
Met zijn hogere voorziening concludeert het Front national, dat het het Hof behage:

de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;

de schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht vast te stellen;

het bestreden arrest in al of in een deel van zijn middelen en onderdelen te vernietigen;

de zaak af te doen of de zaak naar het Gerecht te verwijzen, en

het Parlement in alle kosten te verwijzen.

21
Het Parlement concludeert dat het het Hof behage:

de hogere voorziening af te wijzen;

het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarin is geoordeeld dat het beroep van het Front national ontvankelijk was;

dit beroep als niet-ontvankelijk, en subsidiair, als ongegrond te verwerpen, en

het Front national in de kosten te verwijzen.


De incidentele hogere voorziening

Argumenten van partijen

22
Met zijn incidentele hogere voorziening, die in casu als eerste moet worden onderzocht, stelt het Parlement in wezen dat het Front national geen procesbevoegdheid heeft om een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handeling in te stellen. Het betoogt dat het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest weliswaar op correcte wijze de gevolgen van die handeling voor de rechtspositie van de leden die de oprichting van de TDI-fractie hadden aangekondigd – waarvan sommige eveneens lid van het Front national waren – heeft onderzocht, maar in punt 67 van hetzelfde arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat voornoemde handeling moest worden geacht deze politieke partij „rechtstreeks” te raken. Volgens het Parlement voldoet het Front national immers niet aan die in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde, aangezien zij juist door de litigieuze handeling enkel op indirecte wijze wordt geraakt. Het Parlement voert dienaangaande de volgende argumenten aan.

23
Volgens het Parlement is de conclusie van het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest in tegenspraak met andere passages van hetzelfde arrest, meer in het bijzonder de punten 59 en 65 ervan, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de leden die de oprichting van de TDI-fractie hadden aangekondigd, moesten worden geacht rechtstreeks door de litigieuze handeling te worden geraakt, aangezien zij hun de mogelijkheid had ontnomen „om zich als zodanig te verenigen als fractie in de zin van artikel 29 van het reglement”. Volgens het Parlement is het namelijk ondenkbaar dat nationale politieke partijen, die geen enkel bijzonder statuut in de zin van het reglement genieten, door zijn handelingen op dezelfde wijze worden geraakt als leden die volgens het reglement wel een bijzonder statuut hebben.

24
In de tweede plaats voert het Parlement aan dat de stelling dat het Front national door de litigieuze handeling rechtstreeks wordt geraakt eveneens in strijd is met ’s Hofs rechtspraak, in het bijzonder met het arrest van 16 juni 1970, Alcan e.a./Commissie (69/69, Jurispr. blz. 385), waarin is geoordeeld dat een verzoeker alleen rechtstreeks door een handeling kan worden geraakt als hem, door die handeling alleen, rechtstreeks een recht wordt ontzegd of een verplichting wordt opgelegd, waardoor deze verzoeker zich in een overeenkomstige situatie bevindt als wanneer de handeling tot hem was gericht. Volgens het Parlement is dit in casu helemaal niet het geval aangezien het Front national, anders dan zijn kandidaten die tot lid van het Parlement zijn gekozen, alleen op indirecte wijze door voornoemde handeling is geraakt.

25
In de derde plaats betoogt het Parlement dat uit ’s Hofs rechtspraak weliswaar volgt dat met een beroep tot nietigverklaring tegen zijn handelingen kan worden opgekomen wanneer zij voor derden rechtsgevolgen hebben of dergelijke gevolgen het kader van de interne organisatie van de werkzaamheden van de instelling te buiten gaan, doch dat een handeling zoals de litigieuze handeling, die de positie van bepaalde leden vaststelt, geen rechtsgevolgen heeft voor derden zoals een nationale politieke partij. Het merkt in dat verband op dat het Front national geen argument kan ontlenen aan zijn deelname aan de verkiezingen van juni 1999 en aan het feit dat een aantal van zijn leden inderdaad tot lid van het Parlement is gekozen, aangezien er na de verkiezing immers geen rechtsbetrekkingen meer bestaan tussen de politieke partijen die aan de verkiezingscampagne hebben deelgenomen en het gekozen parlement. Blijkens artikel 4, lid 1, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (PB L 278, blz. 5), en artikel 2 van het reglement, oefenen de voor het Europees Parlement gekozen vertegenwoordigers hun mandaat immers vrij uit en mogen zij niet gebonden zijn door instructies noch een bindend mandaat aanvaarden. Indien in die omstandigheden zou worden aanvaard dat de litigieuze handeling eveneens ten aanzien van een nationale politieke partij, zoals het Front national, rechtsgevolgen heeft, zouden de leden van het Parlement met loutere „tussenpersonen” tussen het Parlement en hun partij kunnen worden gelijkgesteld, zonder autonomie noch eigen verantwoordelijkheden. Dit zou zowel indruisen tegen de letter als de geest van de aangehaalde bepalingen.

26
Ten slotte wijst het Parlement in de vierde plaats op de nadelige gevolgen die uit de ontvankelijkheid van de hogere voorziening van het Front national zouden kunnen voortvloeien. Indien het Hof de uitlegging van het Gerecht zou aanvaarden, zouden deze rechterlijke instanties het gevaar lopen te worden overstelpt door beroepen niet alleen van personen of groepen van personen die slechts indirect worden geraakt door maatregelen van interne organisatie van het Parlement – zoals de stichtingen van politieke partijen die benadeeld zouden kunnen worden wanneer geen subsidies meer uit de aan de fracties betaalde kredieten kunnen worden toegekend –, maar ook van andere politieke partijen die zich, afhankelijk van hun eigen statutaire bepalingen, in het bijzonder aangesproken zouden kunnen voelen door specifieke bepalingen van het reglement, zoals artikel 152, inzake de samenstelling van de commissies, of artikel 168, lid 2, van dit reglement, volgens hetwelk bij de oprichting van interparlementaire commissies „voorzover mogelijk, rekening wordt gehouden met een rechtvaardige vertegenwoordiging van de lidstaten en van de politieke richtingen”.

27
In de opmerkingen die het Front national aangaande deze incidentele hogere voorziening overeenkomstig artikel 117, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft ingediend, betwist het de stelling van het Parlement dat het niet procesbevoegd is uit hoofde van artikel 230, vierde alinea, EG. Volgens het Front national staat de ontvankelijkheid van zijn beroep vast, en dit zowel wat het juridische karakter van de litigieuze handeling betreft, als wat de insteller zelf van dit beroep betreft.

28
Met betrekking tot in de eerste plaats het juridische karakter van de litigieuze handeling betoogt het Front national, dat het besluit van het Parlement van 14 september 1999, waarmee het de uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement door de commissie constitutionele zaken heeft goedgekeurd, een voor beroep vatbare handeling is, aangezien, conform ’s Hofs rechtspraak een dergelijke handeling duidelijk een definitief karakter heeft en rechtsgevolgen heeft buiten het kader van de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement, omdat het de politieke partijen en de leden die stellen deel uit te maken van de TDI-fractie, onmogelijk maakt zich als fractie te organiseren. Volgens het Front national worden zijn leden die het ter verkiezing heeft voorgedragen en tot wier verkiezing haar handelen heeft bijgedragen, hierdoor minder gunstig behandeld dan de parlementsleden die deel uitmaken van een fractie, hetgeen rechtstreeks van invloed is op de omstandigheden waaronder de partij haar gedachtegoed kan uitdragen, en a posteriori het resultaat van de verkiezingen vervalst.

29
Met betrekking tot de insteller zelf van het beroep, stelt het Front national dat de ontvankelijkheid van het beroep eveneens vaststaat aangezien het zowel rechtstreeks als individueel door de litigieuze handeling wordt geraakt.

30
Wat om te beginnen de voorwaarde betreft dat de natuurlijke of rechtspersoon „rechtstreeks” moet zijn geraakt, deelt het Front national het oordeel van het Gerecht dat de litigieuze handeling een dergelijk karakter heeft aangezien zij niet alleen belangrijke gevolgen had voor de omvang van de politieke rechten en materiële voordelen die de leden van de TDI-fractie genoten, maar ook rechtstreekse gevolgen had voor de partijen waaruit die leden afkomstig waren, en in het bijzonder voor het Front national, daar dit de verkiezing van zijn leden tot het Parlement actief had gesteund en daarbij aanzienlijke uitgaven had gedaan. Derhalve had deze partij er een duidelijk belang bij dat de leden tot wier verkiezing zij had bijgedragen, dezelfde faciliteiten als de andere parlementsleden genoten. In dit verband beroept het Front national zich met name op het arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339), om het argument van het Parlement te weerleggen dat er na de verkiezing geen rechtsbetrekkingen meer bestaan tussen de politieke partijen die aan de verkiezingscampagne hebben deelgenomen, en het gekozen parlement. Het door het Hof in dat arrest bekrachtigde beginsel dat politieke groeperingen bij verkiezingscampagnes gelijk moeten worden behandeld, blijft volgens het Front national na de verkiezing bestaan, zodat het Hof elke schending van dit beginsel moet bestraffen, wanneer de kiezers van het Front national niet onder gelijkwaardige, laat staan gelijke, omstandigheden in het Parlement waren vertegenwoordigd als golden voor parlementsleden van de andere fracties.

31
Wat de voorwaarde betreft dat de natuurlijke of rechtspersoon „individueel” moet worden geraakt door het besluit waartegen beroep is ingesteld, benadrukt het Front national, dat door hem wordt voldaan aan de voorwaarden die in de rechtspraak worden gesteld, met name in het arrest van 18 mei 1994, Codorníu/Raad (C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853), aangezien de litigieuze handeling hem treft uit hoofde van zowel een bijzondere hoedanigheid als een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert. Het Front national deelt wat dit aangaat het oordeel van het Gerecht in de punten 69 tot en met 71 van het bestreden arrest.

Beoordeling door het Hof

32
Er zij allereerst aan herinnerd dat krachtens artikel 230, vierde alinea, EG iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem „rechtstreeks en individueel” raken.

33
Met zijn incidentele hogere voorziening stelt het Parlement niet het oordeel van het Gerecht ter discussie dat de litigieuze handeling het karakter van een beschikking heeft en het Front national individueel raakt. Daarentegen betwist het wel de conclusie in punt 67 van het bestreden arrest, dat deze handeling die partij rechtstreeks raakt.

34
Er zij in dat verband aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een natuurlijke of rechtspersoon slechts „rechtstreeks”, in de zin van de vierde alinea van artikel 230 EG, door de beschikking waartegen beroep is ingesteld wordt geraakt, als de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie met name arrest van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie, C‑404/96 P, Jurispr. blz. I‑2435, punt 41, en de daar aangehaalde rechtspraak).

35
In casu kan niet worden ontkend dat de litigieuze handeling – aangezien zij het de leden die de oprichting van de TDI-fractie hebben aangekondigd, en in het bijzonder de leden die op de lijst van het Front national zijn gekozen, onmogelijk maakt om zich via de TDI-fractie als fractie in de zin van artikel 29 van het reglement te verenigen – vorenbedoelde leden rechtstreeks raakt. Zoals het Gerecht in de punten 59 en 65 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is die leden immers uitsluitend door deze handeling de mogelijkheid ontnomen om zich als fractie te verenigen, waarna zij als niet-ingeschreven leden in de zin van artikel 30 van het reglement zijn aangemerkt, die om die reden beperktere parlementaire voorrechten en geringere materiële en financiële voordelen genieten dan het geval zou zijn geweest indien zij lid waren van een fractie in de zin van voornoemd artikel 29.

36
Dit geldt echter niet voor een nationale politieke partij zoals het Front national. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, spreekt het namelijk vanzelf dat een nationale politieke partij die kandidaten ter verkiezing van de leden van het Parlement voordraagt, er belang bij heeft dat haar kandidaten, wanneer zij gekozen zijn, hun mandaat in gelijkwaardige omstandigheden uitoefenen als de andere parlementsleden, doch verleent dit belang deze partij geen recht om een eigen fractie te laten vormen door haar gekozen leden, noch om deze lid te laten worden van een van de fracties die in het parlement zijn opgericht.

37
Ingevolge artikel 29, lid 2, van het reglement vereist de oprichting van een fractie in het Parlement een minimum aantal leden uit verschillende lidstaten, en hoe dan ook wordt in het eerste lid van dit artikel enkel de mogelijkheid vermeld dat leden fracties naar politieke gezindheid vormen. Door deze bepalingen wordt de nationale politieke partijen waartoe deze leden behoren, geen enkele specifieke rol bij de vorming van een fractie toebedeeld.

38
In die omstandigheden kan niet worden gesteld dat een nationale politieke partij rechtstreeks wordt geraakt door de litigieuze handeling, die enkel van toepassing is – en overigens, conform de bewoordingen van artikel 29 van het reglement zelf, kon zijn – op de leden die de oprichting van de TDI-fractie hebben aangekondigd.

39
In punt 66 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar geoordeeld dat de litigieuze handeling, door vorenbedoelde leden, en in het bijzonder de leden die op de lijst van het Front national zijn gekozen, te verhinderen zich tot een fractie te verenigen, rechtstreeks van invloed is op de omstandigheden waaronder deze leden het gedachtegoed van de door hen in het Parlement vertegenwoordigde partij uitdragen, en daarmee ook op de omstandigheden waaronder die politieke partij haar statutair doel op Europees niveau verwezenlijkt, op welke grond het Front national rechtstreeks door die handeling zou zijn geraakt.

40
Dergelijke gevolgen kunnen evenwel niet worden geacht rechtstreeks uit de litigieuze handeling voort te vloeien. Zelfs indien deze gevolgen zich zouden voordoen, zouden zij immers resulteren uit de omstandigheid dat de leden die geen deel uitmaken van een fractie, krachtens artikel 30 van het reglement als niet-ingeschreven leden worden beschouwd, en uit het minder gunstige statuut dat de niet-ingeschreven leden op grond van dit reglement hebben. Het Front national zou door de litigieuze handeling enkel op indirecte wijze kunnen worden geraakt, via de gevolgen die zij heeft voor het statuut van de leden die stellen tot die partij te behoren.

41
Overigens moet het argument van het Front national worden verworpen dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Les Verts/Parlement het beginsel van de gelijkheid van politieke groeperingen bij de deelname aan verkiezingscampagnes voor de leden van het Parlement zou hebben erkend, welke gelijkheid na de verkiezing zou moeten blijven bestaan. Dit arrest had immers betrekking op een volstrekt andere situatie dan die welke hier aan de orde is.

42
Zo werd in de zaak waarin het reeds aangehaalde arrest Les Verts/Parlement is gewezen, de verzoekende partij rechtstreeks geraakt door de besluiten van het Parlement waar het in die zaak om ging, aangezien deze met het oog op de verkiezing van de leden van het Parlement in 1984 voorzagen in de verdeling van kredieten tussen de politieke groeperingen – waaronder deze partij –, zonder dat daartoe een nadere handeling noodzakelijk was, daar het deel van de kredieten dat aan elk van de betrokken politieke groeperingen moest worden toegekend, automatisch werd berekend en, zoals het Hof in punt 31 van dat arrest heeft vastgesteld, geen ruimte liet voor enige beoordelingsvrijheid.

43
In het onderhavige geval daarentegen wordt het Front national niet rechtstreeks door de litigieuze handeling geraakt. Weliswaar kan niet worden ontkend dat geen enkele uitvoeringsmaatregel nodig is om deze handeling effect te laten sorteren, doch evenmin kan worden betwist dat volgens artikel 29 van het reglement zelf die handeling alleen gevolgen kan hebben voor de rechtspositie van de leden van het Parlement en niet voor die van de nationale politieke partijen op wier lijst deze leden zijn gekozen, en die, in voorkomend geval, ertoe hebben bijgedragen dat zij konden worden gekozen. Derhalve heeft een dergelijke handeling geen rechtstreekse gevolgen voor de rechtspositie van het Front national, waardoor niet is voldaan aan de eisen die in de in punt 34 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak zijn vastgesteld.

44
Gelet op een en ander moet dus worden geconcludeerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 67 van het bestreden arrest te oordelen dat het Front national door de litigieuze handeling rechtstreeks wordt geraakt, en moet dit arrest worden vernietigd voorzover daarin het beroep van het Front national ontvankelijk is verklaard.


De ontvankelijkheid van het beroep van het Front national

45
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

46
In casu is het Hof van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om zelf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep dat door het Front national bij het Gerecht is ingesteld. De door deze partij tot staving van haar standpunt aangevoerde argumenten zijn immers identiek aan deze welke zij heeft uiteengezet in haar opmerkingen ter zake van de incidentele hogere voorziening van het Parlement, en berusten in wezen op de reeds vermelde stelling dat zij rechtstreeks door de litigieuze handeling wordt geraakt, aangezien deze een aanzienlijke invloed heeft op de omstandigheden waaronder het gedachtegoed van de partij in het Europees Parlement kan worden uitgedragen.

47
Om de in de punten 36 tot en met 43 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen, kan het Front national niet als rechtstreeks door de litigieuze handeling geraakt worden beschouwd.

48
In die omstandigheden moet het door het Front national bij het Gerecht ingestelde beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Derhalve behoeft geen uitspraak meer te worden gedaan op de hogere voorziening.


Kosten

49
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Front national in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in de kosten van onderhavige instantie alsook in de kosten die op de in punt 2 van dit arrest bedoelde procedure in kort geding zijn gevallen.


HET HOF VAN JUSTITIE (grote kamer),



rechtdoende:

1)
Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement (T‑222/99, T‑327/99 et T‑329/99), voorzover daarbij het beroep van het Front national ontvankelijk wordt verklaard (zaak T‑327/99).

2)
Verklaart het beroep van het Front national tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 14 september 1999 inzake de uitlegging van artikel 29, lid 1, van zijn reglement en houdende ontbinding met terugwerkende kracht van de „Groupe technique des députés indépendants (TDI) – Groupe mixte” niet-ontvankelijk.

3)
Verstaat dat geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan op de hogere voorziening van het Front national tegen het in punt 1 van het onderhavige dictum vermelde arrest.

4)
Verwijst het Front national in de kosten van het Europees Parlement in de onderhavige procedure en in de procedure in kort geding.

Skouris

Jann

Timmermans

Rosas

Puissochet

Cunha Rodrigues

Schintgen

Macken

Colneric

von Bahr

Silva de Lapuerta

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 juni 2004.

De griffier

De president

R. Grass

V. Skouris


1
Procestaal: Frans.