Language of document : ECLI:EU:C:2004:798

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. LÉGER

van 14 december 2004 (1)

Zaak C‑281/02

Andrew Owusu

tegen

N. B. Jackson, handelend onder de naam „Villa Holidays Bal‑Inn Villas”,

Mammee Bay Resorts Ltd,

Mammee Bay Club Ltd,

The Enchanted Garden Resorts & Spa Ltd,

Consulting Services Ltd,

Town & Country Resorts Ltd

[verzoek van de Court of Appeal (England & Wales) Civil Division (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Executieverdrag – Territoriale of personele werkingssfeer – Ongeval in derde staat – Lichamelijk letsel – Vordering, in verdragsluitende staat ingesteld tegen persoon met woonplaats in die staat en tegen andere verweerders met woonplaats in derde staat – Leer van forum non conveniens in betrekkingen tussen verdragsluitende staat en derde staat – Onverenigbaarheid met Executieverdrag”






Inhoud

I – Rechtskader

A – Het Executieverdrag

B – De leer van het forum non conveniens in het Engelse recht

C – De stand van de forum non conveniens-leer sedert de inwerkingtreding van het Executieverdrag in het Verenigd Koninkrijk

II – De feiten en het hoofdgeding

III – De betekenis en de reikwijdte van de prejudiciële vragen

IV – Onderzoek

A – De territoriale of personele werkingssfeer van artikel 2 Executieverdrag

1. Het rapport-Jenard en het omvangrijke debat waartoe dit heeft geleid

2. De tekst van artikel 2 van het verdrag

3. De algemene systematiek van het verdrag

4. De doelstellingen van het verdrag

5. Bezwaren tegen de toepassing van artikel 2 van het verdrag op een rechtsverhouding die uitsluitend aanknopingspunten heeft met één verdragsluitende staat en één derde staat

a) Internationaalrechtelijke bezwaren

b) Gemeenschapsrechtelijke bezwaren

B – De verenigbaarheid van de leer van het forum non conveniens met het Executieverdrag

1. De bedoeling van de auteurs van het verdrag

2. De tekst van artikel 2, eerste alinea, van het verdrag

3. De algemene systematiek van het verdrag

4. De doelstellingen en het nuttig effect van het verdrag

V – Conclusie

1.     Verzet het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2) zich ertegen dat een gerecht van een verdragsluitende staat waarbij een vordering aanhangig is gemaakt tegen een persoon die in die staat zijn woonplaats heeft en dat daarom bevoegd is van een dergelijke vordering kennis te nemen op grond van artikel 2 van dit verdrag, op discretionaire wijze krachtens zijn nationale recht beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen, omdat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geschil te beslechten?

2.     Dit is in wezen de vraag die in de onderhavige procedure door de Court of Appeal (England & Wales) Civil Division (Verenigd Koninkrijk) is gesteld. Deze vraag is niet volstrekt nieuw, aangezien een dergelijke vraag al een tiental jaren geleden door een hoogste nationale rechterlijke instantie, het House of Lords, aan het Hof van Justitie is voorgelegd. Het Hof heeft zich evenwel niet over dit punt kunnen uitspreken omdat die prejudiciële vraag uiteindelijk door de verwijzende rechter is ingetrokken, nadat de partijen hun geschil in der minne hadden geschikt.(3)

3.     Evenals in die vorige zaak, krijgt het Hof thans gelegenheid de verenigbaarheid te onderzoeken van de leer van het „forum non conveniens” met het Executieverdrag. Volgens deze in de common law-landen welbekende leer heeft een gerecht van een staat het recht af te zien van de uitoefening van zijn wettelijke bevoegdheid wanneer het van mening is dat het forum van een andere staat geschikter is om het geschil te beslechten.

4.     In deze zaak komt, evenals in de vorige, de vraag naar de verenigbaarheid van de leer van het forum non conveniens met het Executieverdrag alleen aan de orde ten aanzien van de betrekkingen tussen een gerecht van een verdragsluitende staat en een gerecht van een derde staat, met uitsluiting van de betrekkingen tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten. Deze vraag leidt derhalve tot een onderzoek naar de territoriale of personele werkingssfeer van het Executieverdrag. Ofschoon de problematiek van geheel andere aard is, kan dienaangaande een vergelijking worden gemaakt met de nog aanhangige adviesprocedure betreffende de toekomstige gewijzigde versie van het Verdrag van Lugano inzake de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.(4)

5.     Het is overigens nuttig erop te wijzen dat het Hof recentelijk een andere regeling heeft onderzocht die in de common law-landen welbekend is en gewoonlijk „anti-suit injunctions” wordt genoemd. Krachtens deze regeling kan een nationaal gerecht een van de partijen bij een bij hem aanhangige procedure verbieden gerechtelijke stappen te ondernemen of voort te zetten bij een gerecht van een andere staat, wanneer blijkt dat deze partij te kwader trouw handelt met de bedoeling de reeds aanhangige procedure te belemmeren. Het House of Lords heeft aan het Hof gevraagd of een dergelijke regeling verenigbaar is met het Executieverdrag wanneer dit wordt toegepast in de betrekkingen tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten. In zijn arrest Turner(5) heeft het Hof deze vraag ontkennend beantwoord.

6.     Ofschoon het voorwerp en de voorwaarden voor de toepassing van de „anti-suit injunctions” en van de leer van het forum non conveniens aanzienlijk verschillen en, anders dan in de onderhavige zaak, in de zaak Turner geen enkele vraag is gesteld naar de territoriale of personele werkingssfeer van het Executieverdrag, verdient dit arrest onze aandacht. Zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in zijn conclusie in de zaak Turner heeft beklemtoond, houden deze twee regelingen namelijk „een zekere beoordeling over de juistheid [of gepastheid] van de instelling van een rechtsvordering bij een bepaalde rechter in”.(6)

I –    Rechtskader

A –    Het Executieverdrag

7.     Het Executieverdrag, dat is vastgesteld op de grondslag van artikel 220 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (later artikel 220 EG-Verdrag, thans artikel 293 EG)(7), heeft volgens zijn preambule tot taak „binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten”.

8.     In de enige overweging van de preambule wordt erop gewezen „dat het daartoe noodzakelijk is de bevoegdheid van [de] gerechten [van de verdragsluitende staten] in internationaal verband vast te stellen, de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, alsmede van de tenuitvoerlegging van authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, een vlotte rechtsgang in te voeren”.

9.     Aldus vormt het Executieverdrag wat doorgaans een „dubbel verdrag” wordt genoemd, omdat het niet alleen voorschriften bevat voor de erkenning en tenuitvoerlegging doch eveneens voorschriften inzake rechtstreekse bevoegdheid die in de verdragsluitende staat van herkomst van toepassing zijn, dat wil zeggen vanaf de fase van de procedure leidende tot de vaststelling van de rechterlijke beslissing die in een andere verdragsluitende staat kan worden erkend en ten uitvoer gelegd.

10.   De voorschriften inzake rechtstreekse bevoegdheid zijn van toepassing wanneer het geschil enig verband of aanknopingspunt vertoont met het grondgebied van een bepaalde verdragsluitende staat. Dit verband of aanknopingspunt is meestal gelegen in de woonplaats van de verweerder en in bepaalde gevallen in het voorwerp van het geschil of de wil van partijen.

11.   De woonplaats van de verweerder vormt de basis van een algemene bevoegdheidsregel. Artikel 2, eerste alinea, Executieverdrag bepaalt namelijk dat „[o]nverminderd de bepalingen van dit verdrag [...] zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, [worden] opgeroepen voor de gerechten van die staat”. Wanneer de verweerder in een verdragsluitende staat woont, zijn derhalve de gerechten van die staat in beginsel bevoegd.

12.   Artikel 3 van het verdrag preciseert de reikwijdte van deze algemene regel. De eerste alinea van dit artikel bepaalt dat „[d]egenen die op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonplaats hebben, [...] niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat [kunnen] worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van deze titel gegeven regels”. Dienovereenkomstig verbiedt de tweede alinea van dit artikel de verzoeker om zich jegens dergelijke personen te beroepen op zogenoemde „exorbitante” bevoegdheidsregels (die eventueel in de verdragsluitende staten van kracht zijn), dat wil zeggen voorschriften die tot gevolg hebben dat deze personen worden afgetrokken van de in beginsel bevoegde gerechten van de verdragsluitende staat van hun woonplaats, zoals bepaald in artikel 2 van het verdrag.

13.   De afdelingen 2 tot en met 6 van titel II van het verdrag (waarnaar de eerste alinea van artikel 3 verwijst) bevatten in de eerste plaats een opsomming van een reeks facultatieve bevoegdheidsvoorschriften op grond waarvan de verzoeker er de voorkeur aan kan geven zijn vordering in te stellen bij een gerecht van een andere verdragsluitende staat dan dat van de woonplaats van verweerder.(8)

14.   Vervolgens bevatten zij een aantal bevoegdheidsregels op grond waarvan hetzij de procedure aanhangig moet worden gemaakt bij de gerechten van een bepaalde verdragsluitende staat, met uitsluiting van elke andere verdragsluitende staat (waaronder die van de woonplaats van de verweerder)(9), hetzij een gerecht van een verdragsluitende staat bevoegd wordt verklaard het geschil te beslechten, ofschoon het daartoe, gezien de in het verdrag vervatte voorschriften, normaliter niet bevoegd is.(10)

15.   Deze laatste bevoegdheidsregels (genoemd in de artikelen 16, 17 en 18 van het verdrag) berusten op een ander aanknopingspunt dan de woonplaats van de verweerder. Dit aanknopingspunt is gelegen in het voorwerp van het geschil (artikel 16 van het verdrag) of in de wil van de partijen (artikelen 17 en 18 van het verdrag).

16.   Wanneer het geschil niet uit hoofde van de woonplaats van de verweerder, het voorwerp van het geschil zelf dan wel de wil van de partijen verbonden is met het grondgebied van een bepaalde verdragsluitende staat, blijven de in de verdragsluitende staten geldende exorbitante bevoegdheidsvoorschriften in beginsel van kracht. Artikel 4, eerste alinea, van het verdrag bepaalt namelijk: „Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, wordt de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld door de wetgeving van die staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16.”(11)

17.   In het verlengde van al deze bepalingen inzake de toekenning van bevoegdheid voorziet het Executieverdrag in bepaalde procedurele regelingen betreffende de toepassing van de bevoegdheidsvoorschriften. Deze regelingen, inzake aanhangigheid en samenhang, hebben tot doel tegenstrijdige beslissingen van de gerechten van verschillende verdragsluitende staten te voorkomen.

18.   Zo bepaalt artikel 21 van het verdrag, betreffende aanhangigheid, dat „[w]anneer voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, [...] het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve [aanhoudt] totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat”, om zich vervolgens, wanneer deze bevoegdheid is vastgesteld, ten gunste van dit laatste onbevoegd te verklaren.

19.   Op het gebied van samenhang bepaalt artikel 22 van het verdrag dat wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak kan aanhouden, dan wel op verzoek van een der partijen tot verwijzing kan overgaan, mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen. Volgens artikel 22, derde alinea, van het verdrag geldt deze regeling alleen voor „vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven”.

20.   In het kader van al deze bepalingen inzake de toekenning van bevoegdheid of de uitoefening van bevoegdheden, heeft het Executieverdrag in titel III een vereenvoudigde procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen ingevoerd. Die procedure is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van de gerechten van de ene verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat.

21.   Na de communautarisering van de rechterlijke samenwerking in burgerlijke zaken bij het Verdrag van Amsterdam, heeft de Raad verordening nr. 44/2001 aangenomen op de grondslag van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG. Deze verordening, die het Executieverdrag moet vervangen, heeft de bepalingen ervan grotendeels overgenomen en tegelijkertijd enige aanpassingen aangebracht.

22.   Genoemde verordening is in alle lidstaten, behalve Denemarken(12), van toepassing op vorderingen ingesteld na de datum waarop zij van kracht werd, te weten 1 maart 2002. In het onderhavige geval werd het hoofdgeding aangespannen vóór 1 maart 2002, zodat alleen het Executieverdrag van toepassing is en niet verordening nr. 44/2001.

B –    De leer van het forum non conveniens in het Engelse recht

23.   De leer van het forum non conveniens komt oorspronkelijk uit het Schotse recht, dat wil zeggen uit een voornamelijk civielrechtelijk juridisch systeem. Zij zou aldaar in haar meest pregnante vorm eerst aan het eind van de negentiende eeuw zijn ontwikkeld om vervolgens in verschillende variaties in andere landen ingang te vinden, vooral in de common law-landen, met name Engeland, Ierland en de Verenigde Staten van Amerika.

24.   In het Engelse recht heeft de leer van het forum non conveniens een gestage en belangrijke ontwikkeling ondergaan.

25.   Tegenwoordig vindt zij toepassing onder de voorwaarden die het House of Lords in het arrest Spiliada Maritime Corporation v. Cansulex Ltd(13) heeft bepaald.

26.   Dit gerecht heeft het beginsel geïntroduceerd volgens hetwelk „een nationaal gerecht alleen kan beslissen de zaak op grond van het forum non conveniens aan te houden indien het ervan overtuigd is dat een ander, eveneens bevoegd gerecht, gelet op de belangen van alle partijen en een goede rechtsbedeling, objectief gezien een geschikter forum is om het geschil te beslechten”.(14) Anders dan de uitdrukking forum non conveniens zou kunnen doen vermoeden, gaat het bij de aangezochte rechter derhalve niet om een simpele vraag van praktische of persoonlijke „conveniëntie”, met name verband houdend met de werklast van het gerecht, maar veeleer om een kwestie van objectieve geschiktheid van het forum voor de berechting van het betrokken geschil.(15)

27.   Volgens het zojuist genoemde arrest Spiliada moet de Engelse rechter als volgt handelen.

28.   In de eerste plaats moet hij vaststellen of een buitenlands forum „klaarblijkelijk en onmiskenbaar geschikter is”.(16) Deze taak leidt ertoe dat het „natuurlijke forum voor de berechting” wordt vastgesteld, dat wil zeggen „het forum waarmee het geschil het nauwst is verbonden”.(17) De in aanmerking komende aanknopingspunten omvatten niet alleen praktische of financiële elementen (zoals de aanwezigheid van getuigen)(18), doch eveneens elementen als het op het betrokken geval toepasselijke recht en de woonplaats van partijen of de zetel van hun werkzaamheden.(19)

29.   Nadat de aangezochte rechter heeft vastgesteld dat een buitenlands forum „klaarblijkelijk en onmiskenbaar geschikter” is, moet hij nagaan of het vaststaat dat de verzoeker voor dat forum „toegang” heeft „tot de rechtsbedeling”(20), of preciezer, tot een „doeltreffende rechtsbedeling”.(21) Deze voorwaarde moet restrictief worden opgevat. Derhalve kan in het algemeen een schorsing van de procedure niet zomaar worden geweigerd omdat verzoeker verstoken zou blijven van een door het Engelse recht geboden voordeel, zoals een hoge schadevergoeding, een efficiënt systeem om getuigen te horen, of een langere verjaringstermijn dan in het betrokken buitenland geldt.(22) Zoals het House of Lords heeft vastgesteld, zou het „in strijd zijn met de objectieve benadering” die de leer van het forum non conveniens kenmerkt, „indien aan de verzoeker het voordeel van een procedure in Engeland werd toegekend ten koste van de verweerder”.(23) Onder zeer bijzondere omstandigheden is evenwel rekening gehouden met de – om wettelijke of praktische redenen – beperkte mogelijkheid om voor het buitenlandse gerecht de bijstand van een advocaat te verkrijgen en de onmogelijkheid rechtsbijstand te verkrijgen om voor dat gerecht een procedure in te stellen, terwijl die rechtsbijstand in Engeland ter beschikking staat en het duidelijk is dat de verzoeker zonder deze bijstand van zijn vordering zal afzien.(24)

30.   In het Engelse recht gaat de aangezochte rechter niet op eigen initiatief, maar alleen op verzoek van een der partijen tot een dergelijk onderzoek over.(25) Het staat aan de verweerder die zich op de forum non conveniens-exceptie beroept, om zich te verzetten tegen de voortzetting van de procedure voor het betrokken bevoegde gerecht, alsmede om aan te tonen dat een buitenlands gerecht eveneens bevoegd en klaarblijkelijk en onmiskenbaar geschikter is.(26) Wanneer aan deze eerste voorwaarde is voldaan, staat het aan de verzoeker die aan de gevolgen van deze procedurele exceptie wenst te ontsnappen, om te bewijzen dat hij bij het betrokken buitenlandse gerecht geen toegang heeft tot de rechtsbedeling, met andere woorden, dat aan de tweede voorwaarde voor toepassing van de exceptie niet is voldaan.

31.   Of deze voorwaarden voor toepassing van de leer van het forum non conveniens zijn vervuld, wordt door het aangezochte gerecht „naar eigen inzicht” beoordeeld, in die zin dat het op dit gebied over een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid beschikt.

32.   Naar de huidige stand van het Engelse recht heeft de toepassing van deze leer tot gevolg dat de procedure wordt aangehouden, dat wil zeggen voorlopig, eventueel sine die, wordt geschorst zonder dat de rechter zich onbevoegd verklaart. Dit betekent dat de procedure voor het Engelse gerecht kan worden voortgezet wanneer bijvoorbeeld mocht blijken dat het buitenlandse forum uiteindelijk toch niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat de verzoeker aldaar geen toegang heeft tot een doeltreffende rechtsbedeling. De verzoeker die de procedure wenst te hervatten, dient de daartoe nodige gegevens te produceren.

33.   Doorgaans gaat het besluit de procedure aan te houden niet gepaard met een overdracht aan of verwijzing naar het buitenlandse gerecht. Anders zou het buitenlandse gerecht verplicht zijn zich over zijn bevoegdheid uit te spreken en deze eventueel uit te oefenen. Het is algemeen aanvaard dat de rechterlijke instanties van een staat alleen over hun eigen bevoegdheid kunnen oordelen en niet over die van de rechterlijke instanties van een andere staat. Bijgevolg staat het aan de verzoeker om, wanneer hij zijn vorderingen wil doorzetten, alle nodige stappen te nemen om een nieuw geding bij het buitenlandse gerecht aanhangig te maken.

34.   Een beslissing van een rechter in eerste aanleg, waarin op discretionaire wijze de forum non conveniens-exceptie wordt beoordeeld, kan in beginsel op dit punt niet door een beroepsinstantie worden vernietigd, behoudens wanneer deze in het kader van het onderzoek van de door de rechter in eerste aanleg aangevoerde motieven tot de conclusie komt dat deze laatste klaarblijkelijk van zijn ruime beoordelingsmarge misbruik heeft gemaakt.(27)

C –    De stand van de forum non conveniens-leer sedert de inwerkingtreding van het Executieverdrag in het Verenigd Koninkrijk

35.   Het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het toetredingsverdrag van 1978, is voor het Verenigd Koninkrijk op 1 januari 1987 in werking getreden.

36.   Met het oog hierop is de Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982 (wet van 1982 inzake de bevoegdheid en rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken) aangenomen. Artikel 49 daarvan bepaalt: „Niets in deze wet belet de gerechten in het Verenigd Koninkrijk om een bij hen aanhangige zaak te schorsen, aan te houden, [...] op grond van de forum non conveniens-leer [...] voorzover dit niet onverenigbaar is met het Verdrag van 1968”.

37.   Deze verwijzing naar de mogelijke onverenigbaarheid van de forum non conveniens-leer met het Executieverdrag is door de Engelse gerechten op sterk uiteenlopende wijze opgevat, inzonderheid waar het gaat om de toepassing van deze leer op de betrekkingen tussen een verdragsluitende staat en een derde land.

38.   Zo heeft de Court of Appeal in het arrest Harrods (Buenos Aires) Ltd(28), anders dan de High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division(29), aanvaard dat Engelse gerechten op grond van de leer van het forum non conveniens kunnen afzien van de uitoefening van hun bevoegdheid uit hoofde van artikel 2 van het verdrag (gebaseerd op de woonplaats van de verweerder in het Verenigd Koninkrijk) wanneer in een derde land een geschikter forum bestaat en de bevoegdheid van de gerechten van een andere verdragsluitende staat dan het Verenigd Koninkrijk daarbij niet in het geding is. De door de Court of Appeal ter onderbouwing van zijn beslissing gehanteerde argumenten kunnen als volgt worden samengevat.

39.   Om te beginnen volgt uit artikel 220 EG-Verdrag, waarop het Executieverdrag is gebaseerd, dat de daarin opgenomen bevoegdheidsregels slechts van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten.(30)

40.   Bovendien zou, wanneer artikel 2 van het verdrag bindende kracht had ten aanzien van de betrekkingen tussen een verdragsluitende staat en een derde staat, een op grond van dit artikel bevoegd Engels gerecht de zaak niet kunnen aanhouden op grond van een bevoegdheidsbeding of wegens aanhangigheid of samenhang, indien het alternatieve forum niet in een verdragsluitende staat is gevestigd. De artikelen 17, 21 en 22 van het Executieverdrag, die op dergelijke gronden gebaseerde regelingen voor de verdeling van rechtsmacht bevatten, kunnen immers slechts worden toegepast op de betrekkingen tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten. Volgens de Court of Appeal zijn dergelijke consequenties echter in strijd met de bedoeling van de auteurs van het Executieverdrag. Hieruit volgt dat artikel 2 Executieverdrag niet van dwingende aard kan zijn wanneer het bevoegdheidsgeschil alleen betrekking heeft op de gerechten van één verdragsluitende staat en die van een derde land.(31)

41.   Ten slotte is de toepassing van de leer van het forum non conveniens op de betrekkingen tussen een Engels gerecht en een gerecht van een derde land niet in strijd met de doelstelling van het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen in Europa, die door het verdrag wordt nagestreefd, juist omdat, wanneer het betrokken Engelse gerecht weigert zijn bevoegdheid uit te oefenen, het geen uitspraak ten gronde doet die in de andere verdragsluitende staten zou kunnen worden erkend of ten uitvoer gelegd.(32)

42.   De Court of Appeal heeft op grond hiervan geconcludeerd dat het Executieverdrag zich er niet tegen verzet dat een Engels gerecht met toepassing van de leer van het forum non conveniens de zaak schorst „wanneer het enige alternatieve forum is gevestigd in een derde staat”.(33)

43.   Tegen dit arrest werd hogere voorziening ingesteld bij het House of Lords, dat besloot het Hof op dit punt te adiëren.(34) Zoals reeds vermeld, zijn de verschillende prejudiciële vragen uiteindelijk, als gevolg van een minnelijke schikking tussen de procespartijen, ingetrokken.

44.   Enkele jaren later heeft het House of Lords in het al aangehaalde arrest Lubbe(35) beklemtoond dat „het antwoord op deze vragen niet duidelijk is”, maar het heeft er de voorkeur aan gegeven zich niet opnieuw tot het Hof te wenden, aangezien de leer van het forum non conveniens in die zaak hoe dan ook niet voor toepassing in aanmerking kwam, welk antwoord ook zou zijn gegeven, aangezien de verzoekers geen toegang hadden tot het „alternatieve” gerecht.(36)

45.   Enige commentatoren hebben uit deze zijdelingse opmerking van het House of Lords gemeend te mogen afleiden dat het de juistheid van de uitspraak van de Court of Appeal in de zaak Harrods ernstig betwijfelde.(37)

II – De feiten en het hoofdgeding

46.   Op 10 oktober 1997 is Andrew Owusu, een in Engeland wonende Britse onderdaan, tijdens zijn vakantie in Jamaica het slachtoffer geworden van een zeer ernstig ongeval. Toen hij in zee dook op een plaats waar het water tot aan zijn middel reikte, is hij op een onder water liggende zandbank gestoten en heeft hij zijn vijfde halswervel gebroken, waardoor hij nu aan tetraplegie lijdt.

47.   Na dit ongeval heeft Owusu in Engeland een vordering uit contractuele aansprakelijkheid ingesteld tegen Jackson, die ook in deze lidstaat woont.(38) Laatstgenoemde had betrokkene de vakantievilla verhuurd waarin hij in Jamaica verbleef en in de nabijheid waarvan het ongeval plaatsvond. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt Owusu dat deze overeenkomst, waarin was vastgelegd dat hij toegang had tot een privé-strand, impliciet bepaalde dat dit redelijkerwijs veilig of zonder verborgen gevaren zou zijn.

48.   In zijn verweer heeft de eerste verweerder zich beroepen op de forum non conveniens-exceptie en bijgevolg verzocht de behandeling van de zaak te schorsen. Naast het feit dat het geding nauwere banden had met Jamaica dan met Engeland, voerde hij enerzijds aan dat zijn verzekeringspolis inzake de terbeschikkingstelling van accommodatie in Jamaica alleen de schade dekt die door een Jamaicaans gerecht is toegewezen, en anderzijds dat vragen betreffende de verantwoordelijkheid en de vergoeding van schade in Jamaica grotendeels op dezelfde wijze als in Engeland worden beantwoord.

49.   Owusu heeft eveneens geprobeerd de aansprakelijkheid van diverse Jamaicaanse vennootschappen door Engelse gerechten te doen vaststellen. Deze vordering betreft met name Mammee Bay Club Ltd (eigenaar-exploitant van het strand van Mammee Bay, waartoe Owusu gratis toegang had)(39), The Enchanted Garden Resorts & Spa Ltd (exploitant van een nabijgelegen vakantiecentrum waarvan de klanten eveneens toegang hadden tot het strand)(40), en Town & Country Resorts Ltd (exploitant van een groot hotel dat grenst aan dit strand en daarvoor een toegangsvergunning heeft, en die op grond daarvan verplicht is het beheer, het onderhoud en het toezicht ervan te verzekeren).(41)

50.   Al deze Jamaicaanse vennootschappen zijn aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatig handelen. Hun wordt verweten niet de noodzakelijke maatregelen te hebben getroffen om zwemmers te waarschuwen tegen de gevaren van onder water liggende zandbanken, hoewel deze noodzakelijk waren aangezien een Britse vakantiegangster twee jaar eerder onder soortgelijke omstandigheden een ongeval met dezelfde ernstige gevolgen had gehad, hetgeen er trouwens toe had geleid dat voor de gerechten van Jamaica (waar alle verweerders zijn gevestigd) een schadevordering was ingesteld.

51.   Overeenkomstig de in Engeland van toepassing zijnde voorschriften voor civielrechtelijke procedures verzocht Owusu om toestemming om de betrokken Jamaicaanse vennootschappen voor de Engelse rechtbanken te dagvaarden. Die toestemming werd hem door een Engelse rechter (Deputy District Judge Beevers) verleend. Evenwel werd de desbetreffende dagvaarding naar het schijnt slechts aan drie van deze vennootschappen betekend (te weten de derde, de vierde en de vijfde verweerder).

52.   Laatstgenoemde verweerders hebben de bevoegdheid van het aangezochte Engelse gerecht betwist. Sommige van hen vorderden eveneens dat dit gerecht zijn bevoegdheid niet zou uitoefenen en de voortzetting van de procedure in het buitenland zou toestaan. Volgens hen waren, gelet op de verschillende banden van het geschil met Jamaica, alleen de Jamaicaanse gerechten bevoegd.

53.   Bij beschikking van 16 oktober 2001 heeft rechter Bentley QC (zetelende als Deputy High Court Judge te Sheffield) alle door verweerders aangevoerde verweermiddelen verworpen.

54.   Aangaande de door de eerste verweerder ingeroepen forum non conveniens-exceptie was hij van mening dat het arrest van het Hof van 13 juli 2000, Group Josi(42), zich verzet tegen aanhouding van de procedure op de loutere grond dat de aangezochte rechter niet geschikt is om het geschil te beslechten. In dit arrest heeft het Hof immers geoordeeld dat in beginsel de in het Executieverdrag vervatte bevoegdheidsvoorschriften op een geschil van toepassing zijn wanneer de verweerder zijn maatschappelijke zetel of woonplaats in een verdragsluitende staat heeft.(43) Volgens de rechter in eerste aanleg ontkracht ‘s Hofs uitlegging van het Executieverdrag die van de Court of Appeal in de zaak Harrods van enige jaren eerder.(44) Aangezien hij niet bevoegd was om door middel van een prejudiciële beschikking het Hof te verzoeken om opheldering van dit punt(45), was hij van oordeel dat hij, in het licht van het arrest Group Josi, de behandeling van de zaak jegens de eerste verweerder (Jackson) niet kon schorsen, aangezien deze in een verdragsluitende staat woont.

55.   De rechter in eerste aanleg verwierp eveneens het verweer van de andere verweerders (de derde, de vierde en de zesde), ofschoon de bevoegdheidsvoorschriften van het Executieverdrag zijns inziens niet op deze verweerders van toepassing waren, en Jamaica kennelijk een geschikter forum dan Engeland was om van het geschil kennis te nemen.

56.   Hij was van oordeel dat, aangezien de procedure niet kon worden aangehouden ten opzichte van de eerste verweerder, ditzelfde gold ten aanzien van de andere verweerders. Anders bestond immers het risico dat rechterlijke instanties in twee staten (het Verenigd Koninkrijk en Jamaica) uitspraak zouden moeten doen over dezelfde feiten op basis van hetzelfde of soortgelijk bewijsmateriaal en tot tegenstrijdige conclusies zouden komen. In die omstandigheden besliste de rechter in eerste aanleg dat de Engelse rechter en niet de Jamaicaanse bevoegd was om van het gehele geschil kennis te nemen.

57.   Tegen deze beschikking van de rechter in eerste aanleg hebben de eerste, de derde, de vierde en de zesde verweerder hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal.

58.   Deze verweerders betogen dat het Executieverdrag in de onderhavige situatie niet van toepassing is, zodat het zich in casu niet kan verzetten tegen de toepassing van de leer van het forum non conveniens. Ter onderbouwing van dit standpunt voeren verweerders diverse argumenten aan, die in wezen overeenkomen met het betoog van de Court of Appeal in het reeds aangehaalde arrest Harrods.

59.   Zo betogen zij dat het door het Executieverdrag ingevoerde stelsel van verdeling van rechterlijke bevoegdheden alleen van toepassing is op de betrekkingen tussen verdragsluitende staten, en niet op de betrekkingen tussen een verdragsluitende staat en een derde staat waarbij de verdeling van bevoegdheden met een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is.

60.   Zij beklemtonen eveneens dat, indien artikel 2 van het verdrag van dwingende aard was – zelfs in de betrekkingen tussen een verdragsluitende staat en een derde staat – de Engelse rechter zich bevoegd zou moeten verklaren kennis te nemen van een vordering ingesteld tegen een in Engeland wonende persoon, zelfs wanneer eenzelfde of soortgelijke procedure reeds voor de gerechten van een derde staat aanhangig was of wanneer laatstgenoemde gerechten bij overeenkomst bevoegd waren verklaard. Een dergelijk resultaat zou in strijd zijn met de geest van het verdrag.

61.   Owusu stelt zijnerzijds dat het Executieverdrag niet alleen betrekking heeft op bevoegdheidsgeschillen tussen de gerechten van de verdragsluitende staten. Wanneer de toepassing van het verdrag tot dergelijke geschillen zou worden beperkt, zou dit afbreuk doen aan het voornaamste doel van artikel 2 van het verdrag, te weten de rechtszekerheid te verzekeren door ervoor te zorgen dat het bevoegde gerecht voorzienbaar is.

62.   Onder verwijzing naar het reeds aangehaalde arrest Group Josi voert Owusu voorts aan dat de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 van het verdrag van dwingende aard is en dat daarvan slechts kan worden afgeweken in situaties die uitdrukkelijk in het verdrag zijn genoemd, wat niet het geval is voor de onderhavige situatie.

63.   Nochtans is hij van mening dat bepaalde afwijkingen van artikel 2 aanvaardbaar zijn in bijzondere situaties (die verschillen van die van het hoofdgeding), ofschoon dergelijke afwijkingen niet met zoveel woorden in het verdrag zijn vastgesteld. Dit kan het geval zijn wanneer een geschil bij een gerecht van een verdragsluitende staat aanhangig wordt gemaakt ofschoon het al aanhangig is bij een gerecht van een derde land, of wanneer het betrokken geschil betrekking heeft op zakelijke rechten op een in een derde land gelegen onroerend goed, dan wel wanneer de partijen zijn overeengekomen om hun geschillen aan de gerechten van een dergelijk land voor te leggen.

III – De betekenis en de reikwijdte van de prejudiciële vragen

64.   Gezien de argumenten van partijen heeft de Court of Appeal besloten de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)      Wanneer een verzoeker onder verwijzing naar artikel 2 Executieverdrag aanvoert dat een gerecht van een verdragsluitende staat bevoegd is, verzet het Executieverdrag zich dan ertegen dat dat gerecht met een beroep op de discretionaire bevoegdheid die het nationale recht hem toekent, beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen in een geding tegen een in die staat wonende persoon, ten gunste van de gerechten van een derde staat:

a)      wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is;

b)      wanneer het geding geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat?

2)      Bij een bevestigend antwoord op vraag 1, sub a, of op vraag 1, sub b, is die beslissing in alle omstandigheden in strijd met het Executieverdrag, of alleen in bepaalde omstandigheden en zo ja, welke?”

65.   Volgens de Court of Appeal kan uit de rechtspraak van het Hof, waaronder het arrest Group Josi, geen duidelijk antwoord op deze vragen worden afgeleid. De verwijzende rechter geeft evenwel te kennen, verschillende malen in de gelegenheid te zijn geweest dergelijke vragen te onderzoeken en zijn uitspraak in de zaak Harrods te bevestigen, zowel in verband met het Executieverdrag als met het verdrag van Lugano.(46)

66.   Bovendien maakt de verwijzende rechter het Hof er opmerkzaam op dat, indien het de door verzoeker voorgestane uitlegging van artikel 2 van het verdrag zou overnemen, en hijzelf (de verwijzende rechter) zou beslissen dat het geschil tussen verzoeker en de eerste verweerder een reëel geschil is (en niet berust op pure fantasie), de kwestie van de voeging van de procedure tegen de andere verweerders met de Engelse procedure die dan zou rijzen, wel eens aanleiding zou kunnen geven tot bijzondere problemen.

67.   In geval van voeging zou het in Engeland ten gronde gewezen vonnis, waarvan de tenuitvoerlegging in Jamaica zou moeten plaatsvinden, kunnen stuiten op bepaalde in dat land geldende voorschriften inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat in het tegenovergestelde geval, derhalve wanneer geen voeging plaatsvindt, de Engelse rechter en de Jamaicaanse rechter tegenstrijdige vonnissen zouden wijzen, ofschoon zij eenzelfde geschil zouden moeten beslechten op grond van dezelfde of soortgelijke bewijsstukken.(47)

68.   Deze overwegingen betreffende de derde, de vierde en de zesde verweerder geeft de verwijzende rechter slechts als achtergrondinformatie, teneinde het Hof opmerkzaam te maken op het feit dat de uitlegging die het louter met betrekking tot de positie van de eerste verweerder aan dit artikel 2 Executieverdrag zou kunnen geven, gevolgen zou hebben voor de oplossing van het gehele geschil. Het staat immers vast dat het deel van het geschil dat betrekking heeft op de derde, de vierde en de zesde verweerder, niet kan vallen onder artikel 2 Executieverdrag, aangezien zij in een derde land zijn gevestigd.

69.   Om de reikwijdte van de prejudiciële vragen nog duidelijker te maken, wijs ik er met de Commissie(48) op dat in het hoofdgeding geen sprake is van aanhangigheid of samenhang met een bij een gerecht van een derde staat aanhangige procedure, ingeleid voordat een gerecht van een verdragsluitende staat werd geadieerd, en evenmin van een overeenkomst waarbij de gerechten van een derde land bevoegd zijn verklaard. Er behoeft derhalve niet te worden nagegaan of, zoals de verweerders in het hoofdgeding suggereren (in navolging van het arrest Harrods van de Court of Appeal), de toepassing van artikel 2 Executieverdrag in hun geval moet worden uitgesloten.

70.   Zoals Owusu heeft beklemtoond(49), staat bovendien vast dat, ofschoon het hoofdgeding inderdaad aanknopingspunten heeft met een derde staat, deze van een andere aard zijn dan die waarop de uitsluitende bevoegdheid van een gerecht van een verdragsluitende staat krachtens artikel 16 Executieverdrag is gebaseerd. In deze omstandigheden behoeft evenmin te worden nagegaan of in dit geval de toepassing van artikel 2 Executieverdrag kan worden uitgesloten, met name als gevolg van een mogelijke „reflexwerking” van de in artikel 16 vervatte regeling van uitsluitende bevoegdheid, wanneer de in dit artikel genoemde aanknopingspunten op het grondgebied van een derde staat zijn gesitueerd.

71.   Met Owusu, de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk (die zich alle mondeling over deze verschillende gevallen hebben uitgelaten) ben ik van mening dat het Hof zijn antwoord dient te beperken tot hetgeen strikt nodig is voor de oplossing van het hoofdgeding.

72.   Dienovereenkomstig stel ik enerzijds voor de eerste prejudiciële vraag te herformuleren en daarbij het accent te leggen op de verschillende fases van het te verrichten onderzoek, en anderzijds de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren.

73.   De eerste prejudiciële vraag dient in twee afzonderlijke vragen te worden opgesplitst, waarbij de eerste een voorafgaande vraag is, zodat zij dient te worden beantwoord voordat de tweede vraag wordt onderzocht. Alvorens namelijk te onderzoeken of het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsluitende staat afziet van de uitoefening van de bevoegdheid die het aan artikel 2 van het Executieverdrag ontleent op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geding ten gronde te beslechten, dient nog te worden vastgesteld of, zoals verzoeker betoogt, artikel 2 Executieverdrag in het onderhavige geval wel van toepassing is, zodat de bevoegdheid van de aangezochte rechter op dit artikel kan worden gebaseerd.

74.   Bijgevolg moet de eerste prejudiciële vraag worden opgevat als een vraag in twee delen, zoals hieronder omschreven.

75.   Om te beginnen wenst de verwijzende rechter met deze vraag in wezen te vernemen, of artikel 2 Executieverdrag van toepassing is wanneer de verzoeker en de verweerder in dezelfde verdragsluitende staat wonen en het bij de gerechten van die verdragsluitende staat tussen hen aanhangige geding bepaalde aanknopingspunten met een derde staat heeft, maar niet met een andere verdragsluitende staat, zodat het enige probleem inzake bevoegdheidsverdeling dat in dit geding aan de orde kan komen uitsluitend de verhouding tussen de gerechten van een verdragsluitende staat en die van een derde staat betreft, en niet de verhouding tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten.

76.   Het komt er met andere woorden op neer vast te stellen of de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de territoriale of personele werkingssfeer van artikel 2 Executieverdrag valt.

77.   Wanneer het antwoord op deze voorafgaande vraag bevestigend is, wenst de verwijzende rechter vervolgens in wezen te vernemen, of het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid berust op artikel 2 van het verdrag – discretionair beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen, op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter is om het geschil ten gronde te beslechten, wanneer dit laatste gerecht zijn bevoegdheid niet ontleent aan een bevoegdheidsovereenkomst en niet voordien is geadieerd met een verzoek dat kan leiden tot een situatie van aanhangigheid of samenhang en de aanknopingspunten van dit geding met de derde staat van een andere aard zijn dan die bedoeld in artikel 16 Executieverdrag.

78.   Anders gezegd, het komt erop aan vast te stellen of het Executieverdrag zich ertegen verzet dat de leer van het forum non conveniens wordt toegepast in een situatie als die van het hoofdgeding.

79.   Alleen wanneer deze laatste vraag bevestigend moet worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter met zijn tweede prejudiciële vraag te vernemen, of het Executieverdrag zich in alle omstandigheden of alleen in bepaalde omstandigheden daartegen verzet en, in voorkomend geval, in welke. Mijns inziens moet deze tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk worden verklaard.

80.   Bij lezing van de verwijzingsbeschikking blijkt immers zonneklaar dat deze tweede prejudiciële vraag er in de eerste plaats toe strekt te onderzoeken of het antwoord van het Hof op de voorafgaande vraag anders zou luiden indien in het hoofdgeding sprake was van aanhangigheid of samenhang met een bij een gerecht van een derde staat aanhangige procedure, hetzij op grond van een overeenkomst waarbij een dergelijk gerecht bevoegd werd verklaard, hetzij op grond van een aanknopingspunt met die staat van dezelfde soort als bedoeld in artikel 16 van het Executieverdrag.(50) Zoals ik al heb opgemerkt, gaat het daarbij echter om een andere situatie dan in het hoofdgeding aan de orde is.

81.   Aldus verstaan, is deze tweede prejudiciële vraag van hypothetische aard, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In het kader van de prejudiciële verwijzingsprocedure dient het Hof immers, teneinde zijn eigen bevoegdheid te verifiëren, na te gaan onder welke omstandigheden het door de nationale rechter is aangezocht. In dit opzicht is het vaste rechtspraak van het Hof dat „de geest van samenwerking waarin de prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, impliceert dat de nationale rechter oog heeft voor de aan het Hof opgedragen taak om bij te dragen aan een goede rechtsbedeling in de lidstaten, doch niet om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren”.(51) Hieruit volgt dat volgens vaste rechtspraak dergelijke prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn. Op grond hiervan concludeer ik dat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

IV – Onderzoek

82.   Om te beginnen zal ik de vraag betreffende de territoriale en personele werkingssfeer van artikel 2 Executieverdrag onderzoeken (dat wil zeggen het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag). Vervolgens zal ik, rekening houdende met het antwoord op deze voorafgaande vraag, de verenigbaarheid van de leer van het forum non conveniens met genoemd verdrag nagaan (dit is het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag).

A –    De territoriale of personele werkingssfeer van artikel 2 Executieverdrag

83.   De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 2 Executieverdrag van toepassing is wanneer de verzoeker en de verweerder hun woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben en het tussen hen aanhangige geding voor de gerechten van die verdragsluitende staat bepaalde aanknopingspunten vertoont met een derde staat en niet met een andere verdragsluitende staat, zodat het enige mogelijke probleem inzake bevoegdheidsverdeling in dit geding zich situeert in de verhouding tussen de gerechten van een verdragsluitende staat en die van een derde staat, en niet in de verhouding tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten.

84.   Heel eenvoudig gezegd komt deze vraag er derhalve op neer of de toepassing van artikel 2 Executieverdrag afhangt van het bestaan van een rechtsverhouding waarbij verschillende verdragsluitende staten zijn betrokken.

85.   Aangezien de territoriale werkingssfeer van dit artikel niet nauwkeurig in het Executieverdrag is gedefinieerd, heeft deze vraag aanleiding gegeven tot talrijke discussies, vooral in de doctrine, met name nadat de Court of Appeal zich circa tien jaar geleden in de beroemde zaak Harrods over dit punt heeft uitgelaten.

86.   Sommige partijen in het hoofdgeding zijn van mening dat een antwoord op deze vraag zonder meer kan worden ontleend aan het rapport-Jenard inzake het Executieverdrag(52) (zoals dat oorspronkelijk op 27 september 1968 is aangenomen).

87.   Ik zal derhalve eerst het rapport-Jenard behandelen alsmede het debat waartoe dit, met name in de doctrine, heeft geleid. Vervolgens zal ik achtereenvolgens de tekst van artikel 2, de algemene systematiek van het verdrag alsmede zijn doeleinden onderzoeken. Ten slotte zal ik verschillende argumenten analyseren die bepaalde deelnemers aan de procedure tegen de toepassing van artikel 2 van het verdrag op het hoofdgeding hebben aangevoerd.

1.      Het rapport-Jenard en het omvangrijke debat waartoe dit heeft geleid

88.   Zoals ik al heb vermeld, bepaalt de preambule van het verdrag in haar enige overweging dat dit verdrag beoogt „de bevoegdheid van [...] [de] gerechten [van de contractsluitende staten] in internationaal verband vast te stellen”.

89.   In zijn rapport trekt Jenard hieruit de volgende conclusies(53):

„Het [Executieverdrag] brengt alleen wijzigingen in de in ieder der verdragsluitende landen geldende bevoegdheidsregels, wanneer er elementen van buiten optreden. Het omschrijft dit begrip niet, omdat het internationaal karakter van de rechtsbetrekking kan afhangen van omstandigheden, die eigen zijn aan het geding dat voor de rechter wordt behandeld. Indien er sprake is van een proces voor de rechter van een der verdragsluitende staten, dat uitsluitend personen aangaat die in die staat hun woonplaats hebben, speelt het verdrag in beginsel geen enkele rol; artikel 2 verwijst naar de bevoegdheidsregels die in dat land van kracht zijn. Het is echter mogelijk dat zulk een geding een internationale kant vertoont. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de gedaagde een vreemdeling is, in welk geval het beginsel van gelijkstelling van artikel 2, lid 2, zou kunnen gelden, of wanneer het geding betrekking heeft op een materie waarvoor in een andere lidstaat een exclusieve bevoegdheid bestaat (art. 16) of ook in geval van litispendentie of verknochtheid aan een vordering die voor de rechter van een andere staat aanhangig is gemaakt (art. 21 t/m 23).”

90.   Verweerders in het hoofdgeding alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk beroepen zich op dit rapport ter onderbouwing van hun stelling dat de enige vragen van internationale bevoegdheid die onder de voorschriften van het Executieverdrag vallen, die tussen de verdragsluitende staten in hun onderlinge betrekkingen zijn. Daaruit volgt volgens hen dat het verdrag, met name artikel 2 daarvan, niet van toepassing is op een geschil dat geen aanknopingspunten met meer dan een verdragsluitende staat heeft, dat wil zeggen op een rechtsverhouding die hetzij beperkt is tot een verdragsluitende staat en dus van zuiver interne aard is, hetzij extracommunautair of niet zuiver intracommunautair is en dus niet beperkt is tot verschillende verdragsluitende staten maar betrekking heeft op een verdragsluitende staat en een derde staat.

91.   Volgens de eerste verweerder in het hoofdgeding alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk vindt deze opvatting steun in de rechtspraak van het Hof. In het arrest van 6 oktober 1976, Tessili(54), alsmede in het arrest van 15 mei 1990, Hagen(55), zou het Hof namelijk in algemene bewoordingen hebben vastgesteld dat de in het verdrag vervatte bevoegdheidsregels van toepassing zijn op intracommunautaire betrekkingen.

92.   Het gaat mijns inziens te ver in deze rechtspraak de expressie van een algemeen beginsel te zien aan de hand waarvan de territoriale of personele werkingssfeer van alle in het verdrag voorkomende bevoegdheidsregels in alle mogelijke gevallen kan worden vastgesteld.

93.   In geen van beide zaken was namelijk een dergelijke vraag aan de orde, zodat het Hof zich op dit punt niet behoefde uit te laten. Bovendien hadden deze zaken alleen betrekking op de artikelen 5, lid 1, en 6, lid 2, van het verdrag en niet op artikel 2, zoals in het hoofdgeding het geval is. Zoals wij straks zullen zien(56), zijn er geen twijfels mogelijk over de territoriale werkingssfeer van de artikelen 5, lid 1, en 6, lid 2, omdat zij duidelijk betrekking hebben op situaties waarbij noodzakelijkerwijs verscheidene contractsluitende staten zijn betrokken.

94.   Hieruit volgt mijns inziens dat het Hof zich nooit heeft uitgesproken ten gunste van de opvatting die in het rapport-Jenard is ontwikkeld en die wordt gedeeld door de verweerders in het hoofdgeding alsmede, in navolging van bepaalde Engelse auteurs(57), door de regering van het Verenigd Koninkrijk.

95.   Het is bovendien nuttig erop te wijzen dat deze opvatting in de doctrine geenszins unaniem wordt aanvaard. Er is zelfs een sterke stroming ten gunste van een volkomen tegenovergestelde opvatting vast te stellen. Het betreft hier de opvatting van Droz, die, evenals Jenard, aan de uitwerking van het Executieverdrag heeft deelgenomen.(58)

96.   Volgens deze opvatting, die door talrijke auteurs wordt gedeeld(59), moet de formulering in de preambule (betreffende de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten van de contractsluitende staten in internationaal verband) niet aldus worden verstaan dat de toepassing van artikel 2 van het verdrag afhangt van een bijzondere voorwaarde, te weten het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding.

97.   Volgens Droz heeft het namelijk slechts zin om de toepassing van het verdrag te beperken tot internationale rechtsverhoudingen, wanneer het gevaar bestaat dat bepaalde bevoegdheidsregels ervan zouden ingrijpen in de nationale rechtsorde. Artikel 2 beperkt zich echter tot een verwijzing naar de nationale bevoegdheidsregels die van kracht zijn in de verdragsluitende staat waar de verweerder woonachtig is, dat wil zeggen naar de regels voor de territoriale bevoegdheidsverdeling binnen die staat. Er bestaat derhalve geen enkel gevaar dat de regel van artikel 2 de interne rechtsorde rechtstreeks beïnvloedt.

98.   Deze auteur leidt daaruit af dat het voor de toepassing van artikel 2 van het verdrag van geen belang is of de verzoeker al dan niet zijn woonplaats heeft in de verdragsluitende staat waar de verweerder woonachtig is en of al dan niet onderscheid wordt gemaakt tussen internationale en interne betrekkingen.(60)

99.   In dezelfde lijn voegt hij hieraan toe dat de specifieke in artikel 5 genoemde bevoegdheidsregels, in tegenstelling tot de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, voor bepaalde geschillen een bepaald gerecht aanwijzen, bijvoorbeeld voor verbintenissen uit onrechtmatige daad het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Hij preciseert dat ditzelfde geldt voor de bevoegdheidsregels in verzekeringszaken (titel II, afdeling 3, van het verdrag) alsmede voor door consumenten gesloten overeenkomsten (titel II, afdeling 4, van het verdrag).

100. Droz beklemtoont dat juist in deze verschillende gevallen de context noodzakelijkerwijs internationaal is omdat het uitsluitend gevallen betreft waarin een op het grondgebied van een verdragsluitende staat woonachtige verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat. Anders gezegd, de uitdrukking „in internationaal verband” in de preambule heeft, wat deze bepalingen betreft, een zuiver declaratoire en geen constitutieve betekenis, in die zin dat het zich ertoe beperkt een al vaststaand feit te constateren, zodat het overbodig is het bewijs daarvan te verlangen om van zijn bestaan verzekerd te zijn.

101. Tot slot overweegt hij dat deze uitdrukking enkel van belang zou kunnen zijn, dat wil zeggen een constitutieve betekenis zou kunnen hebben, wanneer de procespartijen hun woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hadden en een gerecht van die staat hadden aangewezen om van hun geschil kennis te nemen, en verder de aan het desbetreffende geschil ten grondslag liggende feiten niet van internationale aard waren.

102. Ofschoon artikel 17 van het verdrag de uitsluitende bevoegdheid van een of meer gerechten die zijn aangewezen in een bevoegdheidsovereenkomst slechts op bepaalde voorwaarden aanvaardt, vereist het namelijk niet met zoveel woorden dat de betrokken rechtsverhouding een extraneïteitselement omvat. Enkel afgaand op de tekst ervan, zou het dus niet uitgesloten zijn dat artikel 17 van toepassing is op zuiver interne rechtsverhoudingen. Alleen in dat geval zou een beroep op de verwijzing naar het internationale karakter van de bevoegdheidsregels in de preambule van het Executieverdrag mogelijk zijn teneinde de toepassing van artikel 17 uit te sluiten.(61)

103. Samengevat houdt bovengenoemde opvatting dus in dat de toepassing van artikel 2 van het verdrag niet afhangt van het bestaan van de een of andere internationale rechtsverhouding, dat wil zeggen dat deze bepaling geldt ongeacht of bij de desbetreffende rechtsverhouding een verdragsluitende staat en een derde staat dan wel twee verdragsluitende staten betrokken zijn.

104. Bepaalde auteurs hebben een tussenoplossing voorgesteld volgens welke – wanneer ervan wordt uitgegaan dat het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding een voorwaarde vormt voor de toepassing van artikel 2 van het verdrag – er geen enkele reden bestaat om deze voorwaarde niet reeds vervuld te achten wanneer een verdragsluitende staat en een derde staat bij de verhouding betrokken zijn.(62) Deze zienswijze is verdedigd door de Duitse regering.(63)

105. Dit overzicht van de diverse bestaande opvattingen toont aan dat de overwegingen in het rapport-Jenard inzake de territoriale of personele werkingssfeer van het verdrag maar weinig bijval hebben gevonden.

106. Mijns inziens houdt de uit dit rapport blijkende opvatting geen stand bij een diepgaand onderzoek van het verdrag. Noch de tekst van artikel 2 noch de algemene systematiek van het verdrag verzet zich er immers tegen dat dit artikel van toepassing is op een rechtsverhouding waarbij uitsluitend één verdragsluitende staat en een derde staat zijn betrokken. Bovendien verzetten de door het verdrag nagestreefde doelstellingen zich integendeel ertegen dat de toepassing van artikel 2 afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een rechtsverhouding waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, waardoor de toepassing van dit artikel zou zijn uitgesloten wanneer het zou gaan om een geschil dat aanknopingspunten heeft met een verdragsluitende staat en een derde staat.

2.      De tekst van artikel 2 van het verdrag

107. Ik herinner eraan dat artikel 2 van het verdrag luidt als volgt:

„Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.

Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de staat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke bevoegdheid, die op de eigen onderdanen van die staat van toepassing zijn.”

108. De bewoordingen van dit artikel bevatten geen aanwijzing dat voor de toepassing van de in dit artikel vervatte algemene bevoegdheidsregel een rechtsverhouding nodig is waarbij meerdere verdragsluitende staten zijn betrokken. De enige voorwaarde voor zijn toepassing betreft de woonplaats van de verweerder. Afgaand op de bewoordingen van artikel 2 is voor de toepassing ervan derhalve voldoende, dat de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat.

109. Daarmee is uitdrukkelijk aangegeven dat de nationaliteit van de verweerder geen rol speelt. Het is niet van belang of deze laatste de nationaliteit heeft van de verdragsluitende staat waarin hij zijn woonplaats heeft, die van een andere verdragsluitende staat of die van een derde staat.

110. Ofschoon artikel 2 dit niet met zoveel woorden bepaalt, geldt noodzakelijkerwijs hetzelfde voor de verzoeker: zijn woonplaats of zijn nationaliteit speelt geen rol.

111. Het Hof heeft dit in het reeds aangehaalde arrest Group Josi toegelicht naar aanleiding van een geschil tussen een in Vancouver gevestigde verzekeringsmaatschappij naar Canadees recht (de verzoeker) en een in Brussel gevestigde herverzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht (de verweerder). Deze laatste had, op verzoek van een in Frankrijk gevestigde vennootschap naar Frans recht overeenkomstig de instructies van de betrokken Canadese vennootschap, deelgenomen aan een herverzekeringstransactie. Nadat de Belgische vennootschap zich met name op grond van artikel 2 Executieverdrag had beroepen op de onbevoegdheid van het Franse gerecht waarbij de zaak was aangespannen, stelde de Cour d’appel de Versailles (Frankrijk) het Hof de vraag of de bevoegdheidsregels van dit verdrag van toepassing zijn wanneer de verweerder zijn woonplaats of zetel op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, terwijl de verzoeker in een derde staat is gevestigd. Dit gerecht legde deze vraag aan het Hof voor omdat het niet zeker was of de voorschriften van het verdrag kunnen worden ingeroepen tegen een in een derde staat gevestigde verzoeker, aangezien dit naar zijn mening zou leiden tot uitbreiding van het gemeenschapsrecht tot derde landen.(64)

112. Ter beantwoording van deze prejudiciële vraag heeft het Hof overwogen dat „als beginsel dient [...] te gelden, dat de plaats waar de verzoeker woonplaats heeft, voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag niet relevant is, aangezien de toepassing van die bevoegdheidsregels in principe enkel afhangt van het criterium van de woonplaats van de verweerder in een verdragsluitende staat”.(65) Het preciseerde dat „dit [...] alleen anders [is] in de uitzonderlijke gevallen waarin het Executieverdrag voor deze toepassing van de bevoegdheidsregels uitdrukkelijk de voorwaarde stelt, dat de verzoeker woonplaats heeft in een verdragsluitende staat”.(66) Op grond hiervan concludeerde het Hof dat „het Executieverdrag er in beginsel niet aan in de weg [staat] dat de daarin neergelegde bevoegdheidsregels worden toegepast op een geschil tussen een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende staat en een verzoeker met woonplaats in een derde land”.(67)

113. Ik ben van mening dat deze rechtspraak kan worden toegepast op het geval waarin de verzoeker woonplaats heeft in dezelfde verdragsluitende staat als de verweerder.

114. Het komt mij namelijk voor dat, indien de auteurs van het verdrag werkelijk de bedoeling hadden de toepassing van artikel 2 van het verdrag in een dergelijk geval uit te sluiten, zij de moeite zouden hebben genomen dit uitdrukkelijk in de tekst van het verdrag zelf te bepalen. Daarvan is evenwel geen sprake. Deze constatering kan niet worden ontkracht door de overwegingen in het rapport-Jenard, omdat zij slechts de auteur ervan binden, niet de verdragsluitende staten. Ik ga er derhalve van uit dat artikel 2 van het verdrag zelfs van toepassing is wanneer de verzoeker woonplaats heeft in dezelfde verdragsluitende staat als de verweerder.

115. Deze conclusie geldt evenzeer wanneer, zoals in het onderhavige geval, de grond van de zaak geen aanknopingspunten heeft met enige andere verdragsluitende staat, maar alleen met een derde land.

116. Uit de bewoordingen van artikel 2 volgt immers dat de daarin vervatte bevoegdheidsregel van toepassing is „[o]nverminderd de bepalingen van dit verdrag”. Weliswaar zijn, zoals wij nog zullen zien bij het onderzoek van de algemene systematiek van het verdrag, bepaalde andere bevoegdheidsvoorschriften dan die van artikel 2 slechts van toepassing in het bijzondere geval waarin de grond van de zaak of de situatie van de partijen aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten, doch dit wil niet zeggen dat ditzelfde geldt voor artikel 2. Het tegendeel aannemen zou neerkomen op een miskenning van de specificiteit van die andere bevoegdheidsvoorschriften.

117. Bovendien zou een dergelijke uitbreiding van de voorwaarde van het bestaan van een rechtsverhouding waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, erop neerkomen dat aan de tekst van artikel 2 van het verdrag een daarin niet gestelde bijkomende voorwaarde wordt toegevoegd. Deze toevoeging zou naar alle waarschijnlijkheid indruisen tegen de bedoeling van de auteurs van het verdrag. Zoals de Duitse regering immers op goede gronden beklemtoont, zouden deze laatsten, indien zij de toepassing van artikel 2 hadden willen beperken tot een situatie waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, zulks uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven, zoals zij voor de andere relevante bevoegdheidsvoorschriften hebben gedaan.

118. Ik concludeer derhalve dat de bewoordingen van artikel 2 van het verdrag zich er niet tegen verzetten dat dit artikel wordt toegepast op een rechtsverhouding waarbij uitsluitend een verdragsluitende staat en een derde staat zijn betrokken. De algemene systematiek van het verdrag biedt steun aan deze uitlegging.

3.      De algemene systematiek van het verdrag

119. Mijns inziens verzet de algemene systematiek van het verdrag zich evenmin tegen de toepassing van artikel 2 van dit verdrag op een rechtsverhouding die uitsluitend aanknopingspunten heeft met een verdragsluitende staat en een derde land.

120. Zoals wij nog nader zullen zien, is de door het Executieverdrag gevormde juridische ruimte namelijk van variabele omvang. Zij kan – naar gelang van de omstandigheden en de desbetreffende bepalingen van het verdrag – beperkt zijn tot rechtsverhoudingen waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, of zich wereldwijd uitstrekken in het geval van geschillen die aanknopingspunten hebben met een verdragsluitende staat en een of meer derde staten.

121. Ofschoon het juist is dat sommige voorschriften van het verdrag in beginsel slechts van toepassing zijn op rechtsverhoudingen waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, verzet de algemene systematiek van het verdrag zich er bijgevolg niet tegen dat dit voor artikel 2 anders ligt. Dit artikel kan dus naar gelang van de omstandigheden worden toegepast op rechtsverhoudingen waarbij verschillende verdragsluitende staten betrokken zijn, of op geschillen die aanknopingspunten hebben met een verdragsluitende staat en een of meer derde staten.

122. Ik zal dit thans nader verklaren door de verschillende bepalingen van het verdrag achtereenvolgens de revue te laten passeren.

123. Om te beginnen bepaalt artikel 4, eerste alinea, van het verdrag: „Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, wordt de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld door de wetgeving van die staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16.” Anders gezegd, wanneer de verweerder woonplaats heeft in een derde staat wordt in beginsel de bevoegdheid van het aangezochte gerecht bepaald door de bevoegdheidsvoorschriften die van kracht zijn in de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan dit gerecht is gesitueerd, en niet door de in het verdrag gedefinieerde directe bevoegdheidsregels.

124. De toepassing van die regels (buiten die van artikel 16) is dus slechts uitgesloten wanneer de verweerder woonplaats heeft in een derde staat. Hieruit volgt dat er geen enkele aanleiding bestaat om aan te nemen dat de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 2 van het verdrag zou zijn uitgesloten in gevallen waarin de verzoeker en de verweerder, of één van de verweerders (zoals in het hoofdgeding), in dezelfde verdragsluitende staat woonplaats hebben en de betrokken rechtsverhouding voor het overige aanknopingspunten heeft met een derde staat en niet met een andere verdragsluitende staat (wegens de aan het geding ten grondslag liggende feiten en/of, in voorkomend geval, de woonplaats van de andere verweerders).

125. Ik concludeer hieruit dat de opvatting dat de in artikel 2 van het verdrag geformuleerde bevoegdheidsregel kan worden toegepast op een situatie zoals die van het hoofdgeding, steun lijkt te vinden in artikel 4, eerste alinea, van het verdrag.

126. Zoals ik al heb aangegeven, is het juist dat bepaalde andere bevoegdheidsregels dan die van artikel 2 slechts van toepassing zijn wanneer de grond van de zaak of de situatie van de partijen aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten. Dit is het geval met de specifieke bevoegdheidsregels van de artikelen 5 en 6 van het verdrag, alsmede met de bijzondere bevoegdheidsregels, genoemd in titel II, afdelingen 3 en 4, van het verdrag, inzake verzekeringen en door consumenten gesloten overeenkomsten.

127. Het is evenwel van belang voor ogen te houden dat volgens vaste rechtspraak(68) deze specifieke of bijzondere bevoegdheidsregels afwijken van het fundamentele beginsel van artikel 2, in die zin dat zij de verzoeker in limitatief opgesomde gevallen de mogelijkheid bieden ervoor te kiezen zijn vordering in te stellen bij en derhalve de verweerder op te roepen voor de gerechten van een andere verdragsluitende staat dan die waar laatstgenoemde woonachtig is.

128. Deze afwijkende bevoegdheidsregels komen tegemoet aan de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting, wanneer er een direct of bijzonder nauw aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en de gerechten van een andere verdragsluitende staat dan die van de woonplaats van de betrokken verweerder(69), of aan het verlangen bepaalde verzoekers te beschermen wier bijzondere situatie het rechtvaardigt dat bij wijze van uitzondering de bevoegdheid wordt erkend van de gerechten van de verdragsluitende staat van hun woonplaats wanneer deze in een andere verdragsluitende staat is gesitueerd dan die van de verweerder.(70)

129. Uitsluitend in dit specifieke kader stelt het Executieverdrag aan de toepassing van de bevoegdheidsregels de voorwaarde dat er sprake is van een rechtsverhouding die, gelet op de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van de procespartijen, aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten.

130. Terwijl de toepassing van bevoegdheidsregels die concurreren met een bevoegdheid gebaseerd op de woonplaats van de verweerder, uiteraard het bestaan veronderstelt van een aanknopingspunt met een andere verdragsluitende staat dan die van de woonplaats van de verweerder, ligt dit derhalve anders voor de bevoegdheidsregel van artikel 2, juist omdat deze bij uitsluiting op een dergelijke woonplaats is gebaseerd.

131. Wat geldt voor de toepassing van de specifieke of bijzondere bevoegdheidsregels van het verdrag, geldt dus niet voor de toepassing van de algemene regel van artikel 2.

132. Het is trouwens van belang voor ogen te houden dat de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels (genoemd in titel II, afdelingen 3 en 4, van het verdrag) niet noodzakelijkerwijs vereist dat de verweerder werkelijk of feitelijk woonplaats heeft in een verdragsluitende staat (in de zin van het nationale recht van die staat, bij gebreke van een definitie van het begrip woonplaats in het verdrag). De mogelijkheid bestaat derhalve dat deze bevoegdheidsregels van toepassing zijn ofschoon de desbetreffende rechtsverhouding veeleer betrekking heeft op een verdragsluitende staat en een derde staat dan op twee verdragsluitende staten.

133. De artikelen 8 (verzekeringszaken) en 13 van het verdrag (consumentenovereenkomsten) bepalen immers respectievelijk dat, wanneer de verzekeraar of de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat doch wel een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging in een contractsluitende staat heeft, hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht wordt woonplaats te hebben op het grondgebied van die staat.

134. Uit deze bepalingen volgt dat een in een derde staat gevestigde verzekeraar of wederpartij van een consument voor de toepassing van de op dit gebied bestaande beschermende bevoegdheidsregels geacht wordt woonplaats te hebben in een verdragsluitende staat. Op grond van deze juridische fictie kan de toepassing van artikel 4 van het verdrag – dat wil zeggen van de bevoegdheidsregels die van kracht zijn in de verdragsluitende staat op wiens grondgebied het aangezochte gerecht zich bevindt wanneer de verweerder in een derde land woonachtig is – worden vermeden.(71)

135. Het zou derhalve te ver gaan aan te nemen dat de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels van titel II, afdelingen 3 en 4, van het verdrag noodzakelijkerwijs een rechtsverhouding vereist waarbij daadwerkelijk of duidelijk twee verdragsluitende staten zijn betrokken.

136. Wat de exclusieve bevoegdheidsregels van artikel 16 van het verdrag betreft, daarin is uitdrukkelijk gepreciseerd dat zij van toepassing zijn „ongeacht de woonplaats”. Deze bevoegdheidsregels, die afwijken van de algemene regel van artikel 2 van het verdrag, zijn immers gebaseerd op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de grond van de zaak en het grondgebied van een verdragsluitende staat.(72) Dit is bijvoorbeeld het geval bij een geschil betreffende zakelijke rechten op of de huur en verhuur van onroerende goederen. In een dergelijk geval is er een nauw verband tussen de grond van de zaak en de verdragsluitende staat op wiens grondgebied het betrokken onroerend goed zich bevindt, zodat de gerechten van die verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn om van een dergelijk geschil kennis te nemen.

137. Het Hof heeft gepreciseerd dat deze exclusieve bevoegdheidsregels van toepassing zijn „onafhankelijk van de woonplaats van zowel de verweerder als de verzoeker”.(73) Met deze precisering beoogde het Hof aan te tonen dat het voor de toepassing van de in het verdrag neergelegde bevoegdheidsregels in beginsel niet nodig is dat de verzoeker woonachtig is in een verdragsluitende staat, zodat die bevoegdheidsregels ook van toepassing zijn wanneer de verzoeker in een derde land woont.

138. In het verlengde van deze rechtspraak kan worden gesteld dat de bevoegdheidsregels van artikel 16 van het verdrag eveneens van toepassing kunnen zijn wanneer de verweerder woonachtig is in een derde land of zelfs wanneer alle partijen in een dergelijk land zijn gevestigd.(74)

139. Ongeacht de gevolgen van een eventuele „reflexwerking” van artikel 16 van het verdrag in een geval waarin één van de in dit artikel genoemde aanknopingspunten gesitueerd is op het grondgebied van een derde staat(75), kan dus worden gesteld dat de in dit artikel genoemde bevoegdheidsregels kunnen worden toegepast op rechtsverhoudingen die uitsluitend verband houden met een verdragsluitende staat (op grond van één van de in dit artikel genoemde aanknopingspunten) en een derde staat (op grond van de woonplaats van de verzoeker en/of de verweerder). In dit opzicht kan de territoriale of personele werkingssfeer van artikel 16 met die van artikel 2 worden vergeleken.

140. Ditzelfde geldt voor de regelsvan het verdrag inzake uitdrukkelijke aanwijzing van de bevoegde rechter. Er is immers uitdrukkelijk bepaald dat zij kunnen worden toegepast wanneer één of meer van de partijen bij een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter (artikel 17, eerste alinea), of zelfs alle partijen (artikel 17, tweede alinea), woonachtig zijn in een derde staat. Deze regels kunnen derhalve alleen spelen in de betrekkingen tussen een of meer derde staten (op het grondgebied waarvan de partijen hun woonplaats hebben) en een verdragsluitende staat (op het grondgebied waarvan het gekozen forum is gesitueerd).

141. Aldus kunnen de regels van het verdrag inzake exclusieve bevoegdheid en uitdrukkelijke aanwijzing van de bevoegde rechter worden toegepast op rechtsverhoudingen waarbij uitsluitend één verdragsluitende staat en een of meer derde staten betrokken zijn. Dit toont duidelijk aan dat niet alle in het verdrag genoemde bevoegdheidsregels enkel van toepassing zijn op rechtsverhoudingen waarbij meerdere verdragsluitende staten zijn betrokken.

142. De andere regels van het Executieverdrag, namelijk die betreffende aanhangigheid en samenhang alsmede erkenning en tenuitvoerlegging, zijn daarentegen van toepassing in de betrekkingen tussen verschillende verdragsluitende staten. Dit volgt duidelijk uit de formulering van artikel 21 inzake aanhangigheid, van artikel 22 inzake samenhang en van de artikelen 25, 26 en 31 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging.

143. Het is immers vaste rechtspraak dat de artikelen 21 en 22 van het verdrag ertoe strekken om, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, parallelle procedures voor de gerechten van verschillende verdragsluitende staten en met elkaar strijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen teneinde in de mate van het mogelijke situaties uit te sluiten waarin een in een verdragsluitende staat gewezen beslissing in een andere verdragsluitende staat niet wordt erkend.(76)

144. Het vereenvoudigde stelsel voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is bij het Executieverdrag ingevoerd in een specifieke context van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Gemeenschap in elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties.(77) Een dergelijke context bestaat evenwel niet noodzakelijkerwijs in de betrekkingen tussen de lidstaten en derde staten. Dit is de reden waarom dit vereenvoudigd stelsel uitsluitend van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van de gerechten van een lidstaat in een andere lidstaat.

145. Aldus heeft het Hof in het arrest van 20 januari 1994, Owens Bank(78), geoordeeld dat de voorschriften van het verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging niet van toepassing zijn op procedures die ertoe strekken in een derde staat gewezen vonnissen uitvoerbaar te verklaren. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat de voorschriften inzake aanhangigheid en samenhang niet dienen ter oplossing van problemen die in het kader van in verschillende verdragsluitende staten aanhangige parallelle procedures rijzen met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van in een derde staat gewezen vonnissen.(79)

146. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat de regels van het Executieverdrag inzake aanhangigheid en samenhang, alsmede die inzake erkenning en tenuitvoerlegging, in beginsel slechts van toepassing zijn in het kader van de betrekkingen tussen verschillende verdragsluitende staten.

147. Niets verzet zich er evenwel tegen dat een andere conclusie wordt getrokken met betrekking tot de bevoegdheidsregel van artikel 2 van het verdrag.

148. Bovendien wil ik erop wijzen dat de betrokken voorschriften niet altijd beperkt zijn tot de betrekkingen tussen verschillende verdragsluitende staten, aangezien zij eveneens een rol kunnen spelen in het kader van geschillen die aanknopingspunten hebben met een verdragsluitende staat en een derde staat.

149. Wat de regels inzake aanhangigheid en samenhang betreft, is het namelijk voor de toepassing van artikel 21 of artikel 22 niet nodig dat een van beide procespartijen woonachtig is op het grondgebied van een verdragsluitende staat. Het Hof heeft dit duidelijk gemaakt in het reeds aangehaalde arrest Overseas Union Insurance e.a., met betrekking tot artikel 21, door te oordelen dat „artikel 21 [...] moet worden toegepast zowel wanneer de bevoegdheid van het gerecht door het Executieverdrag zelf wordt bepaald als wanneer zij overeenkomstig artikel 4 Executieverdrag voortvloeit uit de wetgeving van een verdragsluitende staat”, dat wil zeggen wanneer de verweerder in een derde staat woonachtig is.(80) Ditzelfde geldt voor artikel 22, aangezien het op dit punt geen voorwaarden stelt.

150. Evenzo zijn – zoals de Duitse regering en de Commissie hebben beklemtoond – de regels van het verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen toepasselijk ongeacht de gronden waarop de gerechten die deze beslissingen hebben gegeven, hun bevoegdheid hebben gebaseerd. Deze bevoegdheid kan worden ontleend aan het verdrag of aan de wetgeving van de verdragsluitende staat op wiens grondgebied de betrokken gerechten zijn gesitueerd.

151. Hieruit volgt dat het voor de toepassing van deze verdragsregels irrelevant is of het betrokken geding aanknopingspunten heeft met één enkele verdragsluitende staat(81), met meerdere verdragsluitende staten dan wel met een verdragsluitende staat en een derde staat.

152. Anders gezegd, ofschoon uit de bewoordingen van de verdragsregels inzake aanhangigheid en samenhang en inzake erkenning en tenuitvoerlegging duidelijk blijkt dat zij van toepassing zijn in het kader van de betrekkingen tussen verschillende verdragsluitende staten wanneer zij betrekking hebben op bij de gerechten van verschillende verdragsluitende staten aanhangige procedures of op beslissingen die de gerechten van een verdragsluitende staat hebben gegeven met het oog op hun erkenning en tenuitvoerlegging in een andere verdragsluitende staat, blijft het een feit dat de in dergelijke procedures of beslissingen behandelde geschillen zuiver intern kunnen zijn, of internationaal in die zin dat er een verdragsluitende staat en een derde staat, en niet noodzakelijkerwijs twee verdragsluitende staten, bij betrokken zijn.

153. Juist omdat de betrokken geschillen aanknopingspunten kunnen hebben met derde staten, achtten de auteurs van het verdrag het trouwens nodig bepaalde specifieke voorschriften inzake erkenning in te lassen.

154. Zo bepaalt artikel 27, lid 5, van het verdrag dat een in een verdragsluitende staat gegeven beslissing niet wordt erkend in een andere verdragsluitende staat (de aangezochte staat) wanneer deze beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een derde staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden voor erkenning in de aangezochte staat (hetzij krachtens het internationaal privaatrecht van de aangezochte staat hetzij op grond van door deze staat gesloten internationale overeenkomsten).

155. Bovendien volgt uit artikel 28, eerste alinea, juncto artikel 59, eerste alinea, van het verdrag dat een verdragsluitende staat het recht heeft niet tot erkenning over te gaan van een beslissing die de gerechten van een andere verdragsluitende staat met toepassing van een in die staat van kracht zijnde exorbitante bevoegdheidsregel (overeenkomstig artikel 4 van het verdrag) hebben gegeven tegen een verweerder die zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats op het grondgebied van een derde staat heeft, wanneer de aangezochte staat met die derde staat een overeenkomst heeft gesloten waarbij hij zich jegens deze laatste heeft verbonden in die omstandigheden een dergelijke beslissing niet te erkennen.

156. Dit blokkeringsmechanisme is in het verdrag opgenomen wegens de vrees van bepaalde derde staten om de voorschriften van het Executieverdrag, die dienen om het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen binnen de Gemeenschap te verzekeren, ten aanzien van in de betrokken derde staten gevestigde verweerders te zullen moeten uitvoeren.(82)

157. Dit alles toont aan dat de bij het Executieverdrag ingestelde juridische ruimte niet eindigt bij de gemeenschappelijke buitengrenzen van de verdragsluitende staten. Aldus kan met professor Gaudemet-Tallon worden gezegd „dat het onjuist en simplistisch zou zijn te geloven dat de Europese stelsels en die van de derde landen naast elkaar bestaan zonder ooit met elkaar in aanraking te komen, onwetend van elkaar [...]; integendeel, de gelegenheden tot onderling contact en wederzijdse interferenties zijn talrijk en leiden vaak tot ingewikkelde problemen”.(83)

158. Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat de algemene systematiek van het verdrag zich niet verzet tegen de toepassing van artikel 2 op geschillen die uitsluitend aanknopingspunten hebben met een verdragsluitende staat en een derde staat. Deze conclusie betreffende de territoriale en personele werkingssfeer van artikel 2 vindt tevens steun in de doelstellingen van het verdrag.

4.      De doelstellingen van het verdrag

159. Het Executieverdrag beoogt volgens de preambule ervan „binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten”. Daartoe legt dit verdrag, nog steeds volgens de preambule, enerzijds gemeenschappelijke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid vast voor de verdragsluitende staten en anderzijds regels om de erkenning van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken en een vlotte rechtsgang bij de tenuitvoerlegging daarvan te verzekeren.

160. Het Hof heeft de zin van deze doelstelling van het verdrag verduidelijkt, inzonderheid ten aanzien van de daarin opgenomen gemeenschappelijke bevoegdheidsregels. Het heeft geoordeeld dat de versterking van de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen impliceert dat deze regels zowel „de eiser in staat [...] stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, alsmede de verweerder [...] om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen”.(84) Het Hof heeft deze voorschriften aldus gekenschetst dat zij „zekerheid geven over de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende nationale gerechten waarbij een bepaald geschil kan worden aangebracht”.(85)

161. Alleen bevoegdheidsregels die aan dergelijke vereisten voldoen, kunnen immers de inachtneming verzekeren van het rechtszekerheidsbeginsel, dat eveneens volgens vaste rechtspraak één van de doelstellingen van het Executieverdrag is.(86)

162. Naar mijn mening verzetten deze twee doelstellingen van het verdrag – versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen en inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel – zich ertegen dat de toepassing van artikel 2 van het verdrag afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een geschil dat aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten.

163. Een dergelijke voorwaarde zou er namelijk onvermijdelijk toe leiden dat de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 2 veel ingewikkelder wordt, ofschoon deze regel de zogenoemde „hoeksteen” van het door het verdrag ingevoerde systeem vormt.

164. Het vaststellen van het intracommunautaire karakter van het geschil kan heel lastig blijken. Daarbij kunnen allerlei vragen opduiken. Welke maatstaven moeten worden aangelegd? Onder welke omstandigheden mag worden aangenomen dat een geschil daadwerkelijk of in voldoende mate aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten? Dient een rangorde te worden opgesteld tussen de verschillende in aanmerking te nemen maatstaven? Zijn sommige maatstaven relevanter of aantrekkelijker dan andere? Op welk moment moet de situatie worden beoordeeld: op de dag waarop zij zich voordoet, op de dag van de dagvaarding of op de dag waarop de rechter vonnis moet wijzen? Wanneer de grond van de zaak geen aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten, volstaat het dan voor de uitsluiting van artikel 2 van het verdrag dat de verzoeker (die woonachtig is in een andere verdragsluitende staat dan die waarin de verweerder woonachtig is en waar de grond van de zaak geheel of gedeeltelijk mee verbonden is) zijn woonplaats gedurende de relevante periode wijzigt, door zich in diezelfde verdragstaat te vestigen? Is het in het tegenovergestelde geval voor de uiteindelijke toepassing van dit artikel nodig dat de verzoeker die zijn woonplaats heeft in dezelfde verdragsluitende staat, zich in de relevante periode in een andere verdragsluitende staat vestigt?

165. Al deze lastige vragen zouden zo goed als zeker zowel bij de procespartijen als bij de aangezochte rechter rijzen, wanneer artikel 2 van het verdrag alleen kon worden toegepast op een rechtsverhouding waarbij meerdere verdragsluitende staten zijn betrokken.

166. In een dergelijk geval zie ik niet in hoe men nog van mening kan zijn dat de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 zowel de verzoeker in staat stelt om gemakkelijk te bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken, als de verweerder om redelijkerwijs te voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen. Anders dan door het Hof vereist, zou van enige zekerheid over de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende nationale gerechten waarbij een bepaald geschil kan worden aanhangig gemaakt, geen sprake zijn. Aldus zou de doelstelling van het verdrag, bestaande in de versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen en de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel, worden miskend.

167. Deze conclusie dringt zich temeer op daar de vraag naar het intracommunautaire karakter van het betrokken geschil gemakkelijk een „twistappel” kan zijn, dat wil zeggen een bron van onenigheid tussen de partijen kan vormen en bijgevolg kan leiden tot procedures die alleen betrekking hebben op deze preliminaire vraag en met het geschil als zodanig niets van doen hebben. Het vooruitzicht van een dergelijke toename van procedures is vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid uiteraard hoogst ongewenst. Bovendien is het niet uitgesloten dat deze kwestie door sommige verweerders zou worden uitgebuit voor zuivere vertragingsacties, die de rechtsbescherming van verzoekers niet ten goede komen.

168. Daarnaast dient in het algemeen te worden bedacht dat het internationaal privaatrecht een complexe materie is. Het Executieverdrag beantwoordt juist aan de wens de in de verschillende verdragsluitende staten geldende voorschriften inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging draagt er in het belang van de justitiabelen toe bij de rechtszekerheid te bevorderen. Zij heeft eveneens tot doel de taak van de nationale rechter bij de procesvoering te vergemakkelijken. Het verdient derhalve de voorkeur om in het systeem van het verdrag geen elementen in te voeren die het functioneren daarvan aanzienlijk ingewikkelder kunnen maken.

169. Nog los van de ingewikkeldheid van de vraag naar het intracommunautaire karakter van een geschil, ben ik bovendien van mening dat het aantal gevallen waarin artikel 2 van het verdrag van toepassing is onvermijdelijk zou verminderen indien een dergelijk karakter als voorwaarde werd gesteld voor deze toepassing.

170. Zoals het Hof evenwel heeft gepreciseerd, is de ratio van deze algemene regel, de verweerder in beginsel in staat te stellen zich gemakkelijker te verdedigen.(87) Hij draagt aldus bij aan de versterking van diens rechtsbescherming. Het is juist op grond van de garanties die de verweerder in de oorspronkelijke procedure zijn verleend ten aanzien van de inachtneming van de rechten van de verdediging, dat het verdrag zeer soepel is wat de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen betreft.(88) De algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 vormt derhalve een fundamenteel voorschrift en een belangrijke hoeksteen van het verdrag.

171. Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt hieruit dat de van deze algemene regel afwijkende bevoegdheidsvoorschriften niet aldus mogen worden uitgelegd dat zij buiten de door het Executieverdrag uitdrukkelijk voorziene gevallen gelden.(89) Men zou evenwel mutatis mutandis tot hetzelfde resultaat komen wanneer de toepassing van artikel 2 van het verdrag zou zijn uitgesloten in gevallen waarin de betrokken rechtsverhouding geen aanknopingspunten met meerdere verdragsluitende staten zou hebben.

172. In een dergelijk geval zou immers een verweerder, ofschoon hij woonplaats heeft in een verdragsluitende staat, te maken krijgen met in een andere verdragsluitende staat van kracht zijnde exorbitante bevoegdheidsvoorschriften, zodat hij het risico zou lopen voor de gerechten van die staat te worden gedagvaard, alleen al op grond van het feit dat hij, bijvoorbeeld, tijdelijk op het grondgebied van die staat verblijft (aldus in het Engelse recht), of op het grondgebied van die staat bepaalde zaken bezit (aldus in het Duitse recht), of op grond van het feit dat de verzoeker de nationaliteit van die staat heeft (aldus in het Franse recht). Een in een verdragsluitende staat wonende verweerder zou derhalve onder dezelfde regeling vallen als in artikel 4 van het verdrag uitsluitend voor een in een derde land wonende verweerder is bestemd.

173. Aldus zou van de algemene regel van artikel 2 worden afgeweken in een geval dat niet alleen niet uitdrukkelijk in het verdrag is voorzien, maar dat bovendien, gelet op een van de door het verdrag nagestreefde doelstellingen, ook impliciet maar noodzakelijkerwijs door het verdrag is uitgesloten.

174. Zou artikel 2 enkel van toepassing worden geacht op intracommunautaire geschillen, dan zou dit neerkomen op een ongerechtvaardigde beperking van de reikwijdte van dit artikel, hetgeen in strijd is met het doel van het verdrag, de rechtsbescherming van personen die in de Gemeenschap zijn gevestigd, en met name die van de verweerder, te versterken.

175. Samenvattend ben ik van mening dat de tekst van artikel 2 en de algemene systematiek van het verdrag zich niet verzetten tegen de toepassing van dit artikel op een geschil dat uitsluitend aanknopingspunten heeft met een verdragsluitende staat en een derde staat, en dat bovendien de doelstellingen van het verdrag vergen dat dit artikel aldus wordt toegepast.

176. Aangezien sommige partijen meerdere bezwaren tegen deze opvatting hebben aangevoerd, zal ik deze thans onderzoeken.

5.      Bezwaren tegen de toepassing van artikel 2 van het verdrag op een rechtsverhouding die uitsluitend aanknopingspunten heeft met één verdragsluitende staat en één derde staat

177. De bezwaren van de verweerders in het hoofdgeding en de regering van het Verenigd Koninkrijk tegen de onderhavige opvatting zijn in wezen ontleend aan het gemeenschapsrecht. Zij hebben ook internationaalrechtelijke argumenten aangevoerd. Ik zal deze laatste kort onderzoeken alvorens over te gaan tot het onderzoek van de gemeenschapsrechtelijke argumenten.

a)      Internationaalrechtelijke bezwaren

178. Volgens verweerders in het hoofdgeding(90) is het Executieverdrag niet wereldwijd van toepassing. Het is niet meer dan een overeenkomst tussen verdragsluitende staten die alleen geldt in hun wederzijdse betrekkingen. Dit argument overstijgt het bijzondere geval van het Executieverdrag en stelt een ruimere problematiek aan de orde die verband houdt met het internationale verdragen‑ en overeenkomstenrecht. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft eveneens de aandacht gevestigd op het belang van een meer algemene benadering.(91)

179. In dit opzicht wijs ik erop dat het algemeen is aanvaard, dat een staat slechts door een internationale overeenkomst kan worden gebonden wanneer hij zijn toestemming daartoe heeft gegeven. Anders gezegd, een internationale overeenkomst schept overeenkomstig het beginsel van de relatieve werking van verdragen, verplichtingen noch rechten voor een staat die daarmee niet heeft ingestemd.(92)

180. Het staat evenwel vast dat het Executieverdrag geen enkele verplichting oplegt aan staten die geen gebondenheid door dit verdrag hebben aanvaard. De in dit verdrag vastgestelde verplichtingen betreffende de toekenning van bevoegdheid of de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen zijn alleen van toepassing op verdragsluitende staten en hun gerechten.

181. In dit opzicht is noch de doelstelling van het Executieverdrag in het algemeen noch de door mij voorgestane uitlegging van artikel 2 in strijd met het beginsel van de relatieve werking van verdragen.

182. Het is, zoals gezegd, zeker juist dat dit verdrag bepaalde gevolgen kan hebben voor derde staten, met name wat de bevoegdheidstoekenning betreft. De desbetreffende voorschriften van het verdrag, zoals die van artikel 2, kunnen derhalve van toepassing zijn op geschillen die bepaalde aanknopingspunten met derde staten hebben.

183. Dit is evenwel niet een volstrekt nieuwe situatie. Het komt immers voor dat staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst elkaar het recht verlenen bepaalde bevoegdheden jegens onderdanen van derde staten uit te oefenen in situaties waarin deze laatste voordien exclusief bevoegd waren. Dit is bijvoorbeeld het geval bij sommige overeenkomsten voor de bescherming van het maritieme milieu.(93)

184. Op het gebied van het internationaal privaatrecht geldt dit eveneens voor bijvoorbeeld het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.(94) Artikel 1, lid 1, bepaalt namelijk dat de bepalingen van dit verdrag van toepassing zijn (op verbintenissen uit overeenkomst) in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen. Derhalve volstaat het voor de toepassing van de eenvormige regels van dit verdrag, dat in een bepaalde situatie uit het recht van verschillende landen een keuze moet worden gemaakt. Het is niet van belang of deze situatie aanknopingspunten heeft met verschillende verdragsluitende staten of met een verdragsluitende staat en een derde staat.(95)

185. Het universele karakter van de eenvormige regels van het Verdrag van Rome is trouwens bijzonder opvallend omdat de erin vastgelegde conflictregels krachtens artikel 2 kunnen leiden tot de toepassing van het recht van een derde staat.(96) In dit opzicht gaan de gevolgen van dit verdrag jegens derde staten aanzienlijk verder dan die van het Executieverdrag omdat, zoals wij hebben gezien, de daarin neergelegde conflictregels uitsluitend beogen de bevoegde gerechten van de verdragsluitende staten aan te wijzen, met uitsluiting van die van derde staten.

186. Hieruit leid ik af dat niets in het internationale recht zich verzet tegen de toepasselijkheid van de in het Executieverdrag opgenomen bevoegdheidsregels, zoals die van artikel 2, op geschillen die bepaalde aanknopingspunten hebben met derde staten. Mijns inziens geldt ditzelfde wat het gemeenschapsrecht betreft.

b)      Gemeenschapsrechtelijke bezwaren

187. De eerste verweerder en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen dat de bij het EG-Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden niet van toepassing zijn op zuiver interne situaties van een lidstaat, dat wil zeggen situaties die de grenzen van de lidstaten niet overschrijden. Hieruit volgt naar analogie dat de bevoegdheidsregel van artikel 2 Executieverdrag, die in dezelfde bewoordingen is overgenomen in verordening nr. 44/2001, niet kan worden toegepast op het hoofdgeding, omdat dit geen aanknopingspunten met verschillende verdragsluitende staten heeft. Deze bevoegdheidsregel is immers slechts een hulpmiddel voor de verwezenlijking van de doelstelling van het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen tussen de verdragsluitende staten – zoals nagestreefd door het verdrag en daarna door de verordening voor de lidstaten – zodat artikel 2 Executieverdrag dienovereenkomstig alleen kan worden toegepast in geval van een grensoverschrijdend geschil dat aanknopingspunten heeft met meerdere verdragsluitende staten.

188. Deze argumenten kunnen mij niet overtuigen.

189. Het Hof heeft weliswaar in het arrest van 10 februari 1994, Mund & Fester(97), geoordeeld dat artikel 220, vierde streepje, van het Verdrag, op de grondslag waarvan het Executieverdrag is aangenomen, „tot doel [heeft], de werking van de gemeenschappelijke markt te vergemakkelijken door bevoegdheidsregels voor de aldaar gerezen geschillen op te stellen en de moeilijkheden rond de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen op het grondgebied van de verdragsluitende staten zoveel mogelijk uit de weg te ruimen”. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd dat de bepalingen van het Executieverdrag in verband staan met het EEG-Verdrag.(98)

190. Deze conclusie is ongetwijfeld juist aangezien, zoals advocaat-generaal Tesauro in zijn reeds aangehaalde conclusie in de zaak Mund & Fester, heeft beklemtoond, „het vrij verkeer van vonnissen [...] van fundamenteel belang [is] voor het vermijden van moeilijkheden waaronder de werking van de gemeenschappelijke markt kan komen te lijden, wanneer de individuele rechten die voortspruiten uit de veelvoud van rechtsbetrekkingen die op die markt worden aangegaan, niet mede langs rechterlijke weg gemakkelijk kunnen worden vastgesteld en gehandhaafd”.(99)

191. Toch kan hieruit niet worden afgeleid dat, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt(100), de eenvormige bevoegdheidsregels van het verdrag uitsluitend beogen (bestaande of potentiële) positieve bevoegdheidsconflicten tussen de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten te regelen, met als enig doel te voorkomen dat gerechten van een verdragsluitende staat beslissingen van gerechten van een andere verdragsluitende staat moeten erkennen en uitvoerbaar verklaren in gevallen waarin de gerechten van de aangezochte staat zich volgens het recht van die staat eveneens bevoegd zouden achten de geschillen te beslechten die tot de desbetreffende beslissingen hebben geleid.

192. Beperking van de eenvormige bevoegdheidsregels van het verdrag tot deze simpele doelstelling zou namelijk, zoals al gezegd, een miskenning betekenen van de algemene systematiek van het verdrag alsmede zijn doelstellingen, namelijk de versterking van de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen en de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel.

193. Hieraan wordt niet afgedaan door het feit dat het Executieverdrag is vervangen door verordening nr. 44/2001, dat wil zeggen door een communautaire handeling, vastgesteld op grond en ter uitvoering van bepaalde verdragsbepalingen. Verschillende factoren wijzen in die richting.

194. Om te beginnen is het, zoals in de negentiende overweging van de considerans van deze verordening is beklemtoond, noodzakelijk de continuïteit tussen het verdrag en deze verordening te waarborgen, inzonderheid wat de uitlegging door het Hof van de bepalingen van dat verdrag betreft. Indien evenwel de eenvormige bevoegdheidsregels van de verordening door het Hof aldus zouden worden uitgelegd dat zij uitsluitend tot doel hebben bevoegdheidsconflicten tussen de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten te regelen, zou een dergelijke uitlegging afwijken van de overvloedige rechtspraak van het Hof betreffende het verdrag en inzonderheid zijn doelstellingen (de versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen en de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel). Dit zou derhalve neerkomen op een ommekeer in de rechtspraak die klaarblijkelijk niet beantwoordt aan het streven van de communautaire wetgever de continuïteit van de uitlegging van beide instrumenten te verzekeren. Zonder vooruit te lopen op de eventuele rechtspraak van het Hof inzake de territoriale of personele werkingssfeer van artikel 2 van de verordening, wil ik enkel erop wijzen dat ik mij moeilijk kan voorstellen dat het Hof zijn rechtspraak in die zin zou wijzigen.

195. Ofschoon het voorts juist is dat artikel 65 EG, waarnaar artikel 61, sub c, EG (dat de materiële rechtsgrondslag van de verordening vormt) verwijst, op het betrokken gebied uitdrukkelijk spreekt van maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen, die voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt moeten worden genomen, ben ik er niet van overtuigd dat daaruit moet worden afgeleid dat de situaties die vallen onder de bevoegdheidsregels van de verordening, die in wezen die van het verdrag overnemen, noodzakelijkerwijs aanknopingspunten met verschillende lidstaten moeten hebben.

196. Zoals in de tweede en de achtste overweging van de considerans van de verordening is beklemtoond, zijn de daarin genoemde bevoegdheidsregels immers – gelet op de verschillen tussen de desbetreffende nationale regels, die de goede werking van de interne markt bemoeilijken – gericht op eenmaking van „de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken”, teneinde „gemeenschappelijke regels” voor de lidstaten te definiëren. Deze eenmaking van de bevoegdheidsregels beantwoordt aan een gedachte die ook te vinden is in artikel 94 EG wat de vaststelling van richtlijnen betreft, aangezien deze materiële rechtsgrondslag betrekking heeft op „de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt”.

197. Het Hof heeft recentelijk in het arrest van 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a.(101), geoordeeld dat „voor een beroep op artikel 100 A van het Verdrag als rechtsgrondslag [dat wil zeggen op de procedurele rechtsgrondslag die thans in artikel 95 EG is opgenomen] niet vereist [is], dat in elke situatie die valt onder een op deze grondslag gebaseerde handeling een daadwerkelijk verband met het vrije verkeer tussen lidstaten bestaat”. Het heeft verder verklaard dat „artikel 100 A van het Verdrag als rechtsgrondslag [kan] worden gebruikt wanneer de op die grondslag vastgestelde handeling daadwerkelijk tot doel heeft de voorwaarden voor de instelling en de werking van de interne markt te verbeteren”.(102)

198. Het Hof kwam tot de conclusie dat „de toepasselijkheid van richtlijn 95/46 [(103)] niet [kan] afhangen van de vraag of de concrete situaties in de hoofdgedingen voldoende verband houden met de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, in casu inzonderheid het vrije verkeer van werknemers”.(104)

199. Deze conclusie is gebaseerd op de overweging dat „[i]edere andere uitlegging [...] het gevaar met zich [brengt] dat de grenzen van de werkingssfeer van de richtlijn bijzonder onzeker en vaag worden, hetgeen strijdig zou zijn met de voornaamste doelstelling van de richtlijn, namelijk de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten teneinde de belemmeringen van de werking van de interne markt die voortvloeien uit de verschillen tussen nationale wetgevingen, weg te nemen”.(105)

200. Deze redenering werd bevestigd in het arrest van 6 november 2003, Lindqvist(106), dat eveneens betrekking heeft op richtlijn 95/46.

201. Men kan ervan uitgaan dat wat voor deze richtlijn geldt op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen ter zake van de verwerking van persoonsgegevens en het vrije verkeer van deze gegevens, eveneens geldt voor verordening nr. 44/2001 op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid en het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen, ofschoon deze twee communautaire handelingen van afgeleid recht van verschillende aard zijn.

202. Wanneer de toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 2 van die verordening in elk geschil afhankelijk werd gemaakt van het bestaan van een daadwerkelijk en voldoende verband met meerdere lidstaten, zou immers het gevaar bestaan (zoals ik al heb uiteengezet met betrekking tot de doelstellingen van het verdrag) dat de grenzen van de werkingssfeer van dit artikel bijzonder onzeker en van het toeval afhankelijk werden. Een dergelijke uitlegging van de territoriale of personele werkingssfeer van artikel 2 zou in strijd zijn met de doelstelling van de verordening, te weten eenmaking van de regels inzake competentieconflicten en vereenvoudiging van de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen teneinde de obstakels voor het functioneren van de interne markt, die juist het gevolg zijn van de verschillen tussen de nationale wetgevingen op dit gebied, uit de weg te ruimen.

203. Men zou zelfs kunnen stellen dat wat geldt voor richtlijn 95/46, a fortiori geldt voor verordening nr. 44/2001, omdat de keuze voor een verordening in plaats van een richtlijn ter vervanging van het verdrag in hoge mate het streven weergeeft om de eenmaking van de onderhavige voorschriften te verzekeren en niet alleen maar de nationale voorschriften nader tot elkaar te brengen door de omzetting van een richtlijn in het nationale recht, met alle onzekerheden vandien ten aanzien van de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht.

204. Naast deze overwegingen betreffende de gevolgen van een beroep op artikel 95 EG als rechtsgrondslag voor de geografische werkingssfeer van een richtlijn, wijs ik er nog op dat de toepassing van een verordening, evenals die van een richtlijn(107), niet noodzakelijkerwijs vereist dat de daaronder vallende situaties uitsluitend aanknopingspunten hebben met het grondgebied van lidstaten en niet eveneens met dat van derde staten.

205. Dit geldt uiteraard voor verordeningen die voorschriften bevatten die uitdrukkelijk het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen regelen. Daartoe behoren bijvoorbeeld verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), en verordening nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1).

206. Dit is eveneens het geval voor bijvoorbeeld verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2).

207. Deze verordening, die beoogt het vrije verkeer van werknemers op het gebied van de sociale zekerheid te verzekeren, definieert niet met zoveel woorden haar territoriale werkingssfeer, ofschoon haar doorgaans inhoudelijk een territoriaal karakter wordt toegeschreven, in die zin dat de toepassing ervan wordt bepaald door een „plaatsgebonden element”.(108)

208. Ofschoon het ruimtelijk gebied van deze verordening, dat wil zeggen de ruimte waarin dit karakteristiek verband moet zijn gesitueerd, noodzakelijkerwijs overeenkomt met dat van de bepalingen van het Verdrag betreffende het vrij verkeer van personen, zodat de toepassing van deze bepalingen een ruimtelijke binding met het „grondgebied van de Gemeenschap” vergt, is het geenszins noodzakelijk, opdat deze bepalingen (met name die welke de gelijkheid van behandeling waarborgen) hun gevolgen zouden behouden, dat de betrokken beroepsactiviteit op dit grondgebied wordt uitgeoefend.(109)

209. Zo kan het feit dat de desbetreffende socialezekerheidsprestaties zelfs uitsluitend berusten op verzekeringsperioden die zijn vervuld buiten het door het Verdrag bestreken gebied, als zodanig niet leiden tot uitsluiting van de toepassing van verordening nr. 1408/71 wanneer sprake is van een nauw verband tussen het recht op de sociale uitkeringen en de lidstaat die deze verschuldigd is.(110)

210. Mijns inziens kan deze rechtspraak betreffende verordening nr. 1408/71 worden toegepast op verordening nr. 44/2001. Deze laatste verordening is namelijk aangenomen op grond van de bepalingen van titel IV van het Verdrag, betreffende het beleid inzake het vrije verkeer van personen. Bovendien veronderstelt de toepassing van verordening nr. 44/2001, evenals die van verordening nr. 1408/71, het bestaan van een bepaald verband met het grondgebied van de lidstaten waarvoor deze verordening geldt. Zo is voor de toepassing van artikel 2 van de onderhavige verordening (dat gelijkluidend is aan artikel 2 van het verdrag) vereist dat de verweerder woonachtig is op het grondgebied van een lidstaat. In de lijn van de rechtspraak die ik zojuist heb genoemd, moet worden aangenomen dat het voor de toepassing van artikel 2 van de verordening (of van het verdrag) geenszins vereist is dat het betrokken geschil uitsluitend aanknopingspunten heeft met het door de verordening (of het verdrag) bestreken grondgebied, en niet eveneens met dat van derde staten.

211. In dit verband dient te worden beklemtoond dat volgens de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 44/2001 „[d]e zaken waarin deze verordening wordt toegepast [...] een aanknopingspunt [moeten] hebben met het grondgebied van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is”(111), en dat „[d]e gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid [...] derhalve in beginsel van toepassing [moeten] zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft”.

212. Naar mijn mening bevestigt deze overweging duidelijk dat het voor de toepassing van artikel 2 van de verordening (dat gelijkluidend is aan artikel 2 van het verdrag), volstaat dat de verweerder woonplaats heeft in een lidstaat die door die verordening is gebonden, zodat het betrokken geschil een aanknopingspunt heeft met een van de lidstaten van de Gemeenschap. Het is derhalve niet van belang dat het betrokken geschil verder geen aanknopingspunt heeft met een andere lidstaat, dan wel een aanknopingspunt heeft met een derde staat.

213. Verordening nr. 44/2001 verzet zich dus niet tegen de opvatting dat het toepassingsgebied van artikel 2 van het verdrag geenszins beperkt is tot geschillen die aanknopingspunten hebben met meerdere verdragsluitende staten.

214. Uit dit alles volgt dat de internationaalrechtelijke of gemeenschapsrechtelijke bezwaren die sommige deelnemers aan de onderhavige prejudiciële procedure tegen deze opvatting hebben aangevoerd, als niet ter zake doende moeten worden beschouwd.

215. Bijgevolg dient op het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 2 Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het ook van toepassing is wanneer de verzoeker en de verweerder hun woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben en het tussen hen aanhangige geding voor de gerechten van die verdragsluitende staat bepaalde aanknopingspunten heeft met een derde staat, en niet met een andere verdragsluitende staat, zodat de vraag naar de verdeling van de bevoegdheden in het kader van dit geding uitsluitend kan rijzen in de betrekkingen tussen de gerechten van een verdragsluitende staat en die van een derde staat, en niet in de betrekkingen tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten.

216. Aangezien artikel 2 Executieverdrag in casu kan worden toegepast, dient te worden onderzocht of dit verdrag zich in een situatie zoals die van het hoofdgeding ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid op grond van dit artikel 2 vaststaat – op discretionaire wijze beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen omdat het van mening is dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat geschikter is om het geschil ten gronde te beslechten. Vastgesteld moet dus worden of in een situatie zoals die van het hoofdgeding de leer van het forum non conveniens met het verdrag verenigbaar is.

B –    De verenigbaarheid van de leer van het forum non conveniens met het Executieverdrag

217. Om het voorwerp van dit onderzoek te beperken tot een situatie zoals die van het hoofdgeding, wijs ik erop dat de verwijzende rechter door middel van het tweede deel van zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen, of het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid gebaseerd is op artikel 2 van dit verdrag – op discretionaire wijze beslist deze bevoegdheid niet uit te oefenen, omdat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geschil ten gronde te beslechten, wanneer dat gerecht niet in een bevoegdheidsbeding is aangewezen, voordien bij dat gerecht geen vordering aanhangig is gemaakt die aanleiding zou kunnen geven tot een situatie van aanhangigheid of samenhang, en de aanknopingspunten van het geschil met deze derde staat van een andere aard zijn dan die bedoeld in artikel 16 Executieverdrag.

218. Ter beantwoording van deze vraag zal ik om te beginnen de bedoeling van de auteurs van het verdrag bespreken en daarna achtereenvolgens de bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, de algemene systematiek van het verdrag alsmede de daarmee nagestreefde doelstellingen de revue laten passeren.

1.      De bedoeling van de auteurs van het verdrag

219. Ten tijde van de uitwerking van het Executieverdrag waren het Verenigd Koninkrijk en Ierland nog geen lidstaten van de Gemeenschap. Zij hebben dus niet deelgenomen aan de onderhandelingen die overeenkomstig artikel 293 EG tussen de lidstaten hebben plaatsgehad en die hebben geleid tot de vaststelling van het verdrag van 27 september 1968. Deze twee staten zijn pas op 1 januari 1973 tot de Gemeenschap toegetreden, derhalve precies een maand voor de inwerkingtreding van het verdrag op 1 februari 1973.

220. De leer van het forum non conveniens is in wezen alleen in deze twee lidstaten tot ontwikkeling gekomen.(112) Deze leer is immers in de „civil law”-lidstaten, dat wil zeggen de lidstaten die aan de onderhandelingen over het Executieverdrag hebben deelgenomen, grotendeels onbekend, hetgeen verklaart dat dit verdrag geen enkele bepaling bevat die naar deze leer verwijst.

221. Eerst bij de uitwerking van het op 9 oktober 1978 vastgestelde toetredingsverdrag van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en het Koninkrijk Denemarken tot het Executieverdrag is de kwestie van de verenigbaarheid van de leer van het forum non conveniens ter sprake gekomen.(113)

222. Uit het met betrekking tot dit toetredingsverdrag opgestelde rapport-Schlosser blijkt de omvang van de debatten waartoe deze kwestie aanleiding heeft gegeven.(114)

223. In punt 78 van dit rapport wordt er namelijk op gewezen dat „volgens de delegatie van de continentale lidstaten van de Gemeenschap gerechten in de oorspronkelijke lidstaten [dergelijke mogelijkheden] [inzonderheid tot schorsing van de procedure met toepassing van de leer van het forum non conveniens] [niet hebben], als zij volgens het Executieverdrag bevoegd zijn en worden ingeschakeld”.

224. Voorts wordt in dit rapport verklaard dat „werd aangevoerd dat volgens het Executieverdrag de verdragstaten niet alleen gerechtigd zijn om onder de voorwaarden van titel II rechtsmacht uit te oefenen, maar dat zij daartoe ook verplicht zijn”. In dit verband werd gesteld dat „[e]en eiser [...] zekerheid [dient] te hebben over de vraag welk gerecht bevoegd is”, want „[h]ij moet geen tijd en kosten behoeven te verspillen met het risico dat het aangezochte gerecht zich minder geschikt acht dan een ander”.

225. Bovendien wordt in hetzelfde punt 78 van het rapport verklaard: „Zijn er rechters in meerdere staten bevoegd, dan heeft de eiser bewust een keuzerecht gekregen, dat door de toepassing van de ‚doctrine of the forum conveniens’ niet mag worden verzwakt”. In dit opzicht wordt beklemtoond dat „[d]e eiser [...] uit de bevoegde gerechten een ander ‚ongeschikt’ schijnend gerecht [kan] hebben uitgezocht om een beslissing te krijgen in de staat waar hij ook wil executeren”.

226. In ditzelfde punt van het rapport wordt hieraan toegevoegd dat „het risico van negatieve competentieconflicten niet uit het oog [mag] worden verloren. De continentale rechter kan zich namelijk ondanks de beslissing van de Britse rechter, ook onbevoegd achten.”

227. Tot slot wordt gesteld dat „[d]e zakelijke argumenten [die tot dusver pleiten voor] de ‚doctrine of the forum conveniens’ [en de daarmee samenhangende leer van het forum non conveniens], [...] trouwens aanzienlijk aan gewicht [zullen verliezen], zodra het Executieverdrag ook in het Verenigd Koninkrijk en Ierland in werking treedt”. In dit opzicht preciseert het rapport, nog steeds in punt 78, dat de invoeringswetgeving van het verdrag in die twee staten enerzijds zal leiden tot een striktere opvatting van het begrip domicilie dan tot dusverre werd aangenomen, en anderzijds tot het afschaffen van hun nationale exorbitante bevoegdheidsregel die is gebaseerd op de loutere betekening of meedeling van een gedinginleidend stuk aan de verweerder die tijdelijk op het grondgebied van de betrokken staten verblijft, een en ander overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, van het verdrag.

228. Het is op grond van deze argumenten dat volgens punt 78 van het rapport „Ierland en het Verenigd Koninkrijk af[zagen] van formele wijzigingen op dit punt”.

229. Uit al het voorgaande leid ik af dat de lidstaten die, na onderhandelingen, het Executieverdrag of het toetredingsverdrag van 1978 hebben gesloten, ofwel geenszins de bedoeling hadden de leer van het forum non conveniens een rol te laten spelen in het systeem van het Executieverdrag, ofwel daar in meerderheid sterk tegen gekant waren.

230. Er anders over denken zou neerkomen op een miskenning van de bedoeling van de partijen bij het verdrag, zoals dit bij het toetredingsverdrag van 1978 is gewijzigd. Deze bedoeling is overigens bij de vaststelling van de latere toetredingsverdragen en van verordening nr. 44/2001 niet gewijzigd. De tekst van artikel 2, eerste alinea, van het verdrag, de algemene systematiek van het verdrag alsmede de nuttige werking ervan, rekening houdend met de doelstellingen van het verdrag, pleiten eveneens tegen aanvaarding van de leer van het forum non conveniens.

2.      De tekst van artikel 2, eerste alinea, van het verdrag

231. Ik herinner eraan dat artikel 2, eerste alinea, van het verdrag bepaalt: „Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat.”

232. Volgens vaste rechtspraak moeten de communautaire bepalingen op uniforme wijze worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Gemeenschap.(115) Mijns inziens geldt ditzelfde noodzakelijkerwijs voor de uitlegging en de toepassing van het Executieverdrag, gelet op het veelvuldig tot uitdrukking gebrachte streven van het Hof de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel alsmede de gelijkheid en de eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die uit dit verdrag voortvloeien te verzekeren, zowel jegens de verdragsluitende staten als ten behoeve van de betrokken personen.(116)

233. Het staat vast dat het onderzoek van de verschillende taalversies van artikel 2, eerste alinea, van het verdrag aantoont dat de daarin vervatte bevoegdheidsregel een dwingend, en niet facultatief, karakter heeft en dat van een dergelijke regel slechts kan worden afgeweken in de uitdrukkelijk in het verdrag genoemde gevallen. Het staat eveneens vast dat een situatie als die van het hoofdgeding valt onder geen van de in het verdrag limitatief opgesomde gevallen, die ik nog gedetailleerder zal onderzoeken in samenhang met de algemene systematiek van het verdrag.

234. Op grond hiervan kom ik tot de conclusie dat de tekst van artikel 2, eerste alinea, van het verdrag zich ertegen verzet dat in een situatie als die van het hoofdgeding een gerecht van een verdragsluitende staat waarbij op grond van dit artikel een geschil aanhangig is gemaakt, met een beroep op zijn discretionaire bevoegdheid ervan afziet het geschil ten gronde te beslechten omdat een gerecht van een derde staat daartoe geschikter zou zijn. Deze conclusie vindt eveneens steun in de algemene systematiek van het verdrag.

3.      De algemene systematiek van het verdrag

235. Wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een verdragsluitende staat zoals het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 4 van het verdrag is gebaseerd op exorbitante bevoegdheidsregels die in die staat van kracht zijn (aangenomen dat de verweerder in een derde staat woonachtig is), moet worden erkend dat het verdrag zich er a priori niet tegen verzet dat het betrokken gerecht er onder toepassing van de leer van het forum non conveniens (dat in de betrokken verdragsluitende staat van kracht is), van afziet zijn bevoegdheid uit te oefenen op grond dat een gerecht van een derde land geschikter of beter in staat zou zijn om het geschil ten gronde te beslechten.

236. Deze mogelijkheid bestaat evenwel alleen wanneer (anders dan in de zaak Owusu) de verweerder woonplaats heeft in een derde staat, omdat artikel 4 van het Executieverdrag alleen op een dergelijk geval betrekking heeft.

237. Wanneer de verweerder daarentegen woonplaats heeft in een verdragsluitende staat en de bevoegdheid van een gerecht van een verdragsluitende staat aldus berust op artikel 2, eerste alinea, van het verdrag, verzet de algemene systematiek van dit verdrag zich ertegen dat, in een situatie zoals die van het hoofdgeding, het betrokken gerecht discretionair beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geschil ten gronde te beslechten.

238. Ofschoon enkele bepalingen van het verdrag de bindende kracht van de bevoegdheidsregel van artikel 2 afzwakken, is dit alleen het geval in zeer bijzondere omstandigheden, waarvan in het hoofdgeding geen sprake is, zodat de algemene systematiek van het verdrag zich ertegen verzet dat de gerechten van een verdragsluitende staat ervan afzien deze dwingende bevoegdheid uit te oefenen in de omstandigheden van het onderhavige geval, die niet overeenstemmen met die welke in het verdrag uitdrukkelijk en uitputtend zijn genoemd.

239. Bovendien dient te worden beklemtoond dat sommige bepalingen van het verdrag zijn ingegeven door overwegingen die aanzienlijk verschillen van die waarop de leer van het forum non conveniens berust. Dit sterkt mij in de overtuiging dat de algemene systematiek van het verdrag zich verzet tegen de toepassing van deze leer voorzover het gaat om de uitoefening van een op artikel 2 berustende bevoegdheid.

240. Ik zal dit thans nader uiteenzetten.

241. Ik wijs er om te beginnen op dat – ofschoon op grond van de specifieke of bijzondere bevoegdheidsregels van het verdrag (genoemd in de artikelen 5 en 6 alsmede in titel II, afdelingen 3 en 4) mag worden afgeweken van de dwingende bevoegdheidsregel van artikel 2, inzonderheid bij het bestaan van een rechtstreeks of bijzonder nauw aanknopingspunt tussen het geschil en de gerechten van een andere staat dan die waarin de betrokken verweerder zijn woonplaats heeft – deze forumkeuze alleen mogelijk is in de betrekkingen tussen verschillende verdragsluitende staten, en niet in de betrekkingen tussen een verdragsluitende staat en een derde staat, zoals in het hoofdgeding het geval is.

242. Vooral wil ik erop wijzen dat enkel de verzoeker, voor de indiening van zijn vordering, deze keuzemogelijkheid heeft. Bijgevolg heeft een gerecht van een verdragsluitende staat waarbij een vordering is ingediend krachtens de bevoegdheidsregel van artikel 2, niet het recht om op grond van de specifieke of bijzondere bevoegdheidsregels die in het verdrag zijn neergelegd, te weigeren de zaak te beslechten, zelfs wanneer het betrokken geschil een belangrijk aanknopingspunt heeft met de gerechten van een andere (al dan niet verdragsluitende) staat dan die van de woonplaats van de verweerder.

243. Op grond van artikel 17, eerste alinea, van het verdrag alsmede de artikelen 19, 21 en 22, is een gerecht van een verdragsluitende staat weliswaar verplicht zich onbevoegd te verklaren of kan het weigeren uitspraak te doen, ook al is het op basis van de algemene en dwingende bevoegdheidsregel van artikel 2 aangezocht, maar het is duidelijk dat geen van deze gevallen van toepassing is op het hoofdgeding, zodat de bevoegdheidsregel van artikel 2 niet aan bindende kracht inboet. Ik zal dit nader toelichten aan de hand van de individuele bepalingen die ik heb genoemd.

244. Om te beginnen bepaalt artikel 17, eerste alinea, van het verdrag, betreffende de uitdrukkelijke aanwijzing van de bevoegde rechter, dat wanneer ten minste één van de partijen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, het gerecht of de gerechten van deze staat die door de partijen (onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden) zijn aangewezen, bij uitsluiting bevoegd zijn. Dit betekent dat ieder ander gerecht dat door een partij wordt aangezocht, inzonderheid op grond van artikel 2 van het verdrag, in beginsel onbevoegd is, tenzij de verweerder overeenkomstig artikel 18 van het verdrag bereid is voor het aangezochte gerecht te verschijnen zonder zich op grond van de forumkeuzeclausule op de onbevoegdheid daarvan te beroepen. Behoudens in het in artikel 18 bedoelde geval moet het gerecht dat door een partij met miskenning van een bevoegdheidsbeding wordt aangezocht, zich derhalve onbevoegd verklaren.

245. Ditzelfde geldt wanneer een gerecht van een verdragsluitende staat, met name dat van de verdragsluitende staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, in strijd met de exclusieve bevoegdheidsregels van artikel 16 van het verdrag is aangezocht, gelet op het bestaan van bijzonder nauwe aanknopingspunten tussen de grond van de zaak en het grondgebied van een verdragsluitende staat. Bovendien is het dwingende karakter van deze bevoegdheidsregels zeer groot, aangezien artikel 19 van het verdrag bepaalt dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor een gerecht van een andere verdragsluitende staat krachtens artikel 16 uitsluitend bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren.

246. Alleen deze exclusieve bevoegdheidsvoorschriften kunnen in de weg staan aan de toepassing van de algemene en bindende bevoegdheidsregel van artikel 2 van het verdrag. Ik herinner er evenwel aan dat deze exclusieve bevoegdheidsvoorschriften niet van toepassing zijn op een situatie zoals die van het hoofdgeding.

247. Hetzelfde geldt voor de voorschriften van de artikelen 21 en 22 van het verdrag, betreffende de toepassing van de bevoegdheidsregels.

248. Artikel 21 van het verdrag, ter zake van aanhangigheid, bepaalt dat wanneer vorderingen die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, aanhangig zijn tussen dezelfde partijen voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten, het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve moet aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat, en zich vervolgens ten gunste van dit laatste onbevoegd moet verklaren.

249. Zoals ik al heb aangegeven, valt de situatie van het hoofdgeding niet hieronder, omdat bij geen enkel gerecht van een andere verdragsluitende staat dan die van de woonplaats van de eerste verweerder een parallelle procedure aanhangig is gemaakt.

250. Zoals het Hof recentelijk in punt 47 van het reeds aangehaalde arrest Gasser heeft geoordeeld, is deze procedureregel bovendien „duidelijk en uitsluitend gebaseerd [...] op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht”. Hij laat derhalve geen ruimte voor enige beoordelingsbevoegdheid aangaande de vraag of een van de aangezochte gerechten beter in staat zou zijn dan het andere om het hoofdgeding ten gronde te beslechten. In tegenstelling tot wat wel eens is gesteld, volgt hieruit dat de in het verdrag voorziene regeling inzake aanhangigheid beantwoordt aan een geheel andere logica dan de leer van het forum non conveniens, aangezien, zoals reeds gezegd, deze laatste ervan uitgaat dat de aangezochte rechter een discretionaire bevoegdheid bezit om te beoordelen of een buitenlands gerecht duidelijk geschikter is om het hoofdgeding ten gronde te beslechten.

251. Artikel 22 van het verdrag bepaalt dat wanneer voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten samenhangende vorderingen zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht hetzij zijn uitspraak kan aanhouden hetzij op verzoek van één der partijen tot verwijzing kan overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.

252. Anders dan artikel 21 ter zake van aanhangigheid, is artikel 22 niet uitsluitend gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht. Het laat de rechter bij wie de zaak het laatst is aangebracht enige beoordelingsbevoegdheid, aangezien hij de keuze heeft tussen aanhouding en verwijzing van de zaak. Er mag van worden uitgegaan dat deze keuze met name afhangt van de vraag of de rechter bij wie de zaak het eerst is aangebracht beter in staat is het geschil te beslechten dat bij de later aangezochte rechter aanhangig is. In dit opzicht (maar niet op andere punten) zou deze regeling kunnen worden vergeleken met die van de leer van het forum non conveniens.

253. Ik wil evenwel beklemtonen dat de aan de rechter geboden mogelijkheid om overeenkomstig artikel 22 van het verdrag de zaak aan te houden dan wel te verwijzen, uitsluitend geldt voor het bijzondere geval dat parallelle procedures bij de gerechten van verschillende verdragsluitende staten zijn aangebracht, en tot doel heeft tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg zouden kunnen zijn te voorkomen, en dus in de mate van het mogelijke het risico uit te sluiten dat een in een verdragsluitende staat gegeven beslissing in een andere verdragsluitende staat niet wordt erkend.

254. Ook al zou de vordering tot schadevergoeding van de Engelse vakantiegangster die het slachtoffer is geworden van een soortgelijk ongeval als Owusu, nog aanhangig zijn en als samenhangend met de vordering in het hoofdgeding kunnen worden beschouwd, is deze parallelle procedure in Jamaica aangespannen, dat wil zeggen voor de gerechten van een derde staat, zodat artikel 22 in beginsel daarop niet van toepassing is.

255. Afgezien van deze overwegingen, die specifiek zijn voor het onderhavige geval, volgt deze regeling voor de coördinatie van de rechtsbedeling in de diverse verdragsluitende staten een geheel andere logica dan de leer van het forum non conveniens, omdat de toepassing van die leer in beginsel niet afhangt van het bestaan van een parallelle procedure in een andere verdragsluitende staat. Zoals in het arrest Spiliada is gepreciseerd(117), dient de rechter bij wie de zaak is aangebracht immers het „natuurlijke forum” van het geschil, dat wil zeggen „het forum waarmee het geschil het nauwst is verbonden”, vast te stellen op grond van praktische of financiële criteria, zoals de aanwezigheid van getuigen, of van criteria zoals het op de betrokken transactie toepasselijke recht. De geschiktheid van de aangezochte rechter hangt derhalve niet noodzakelijkerwijs en uitsluitend af van het bestaan van een parallelle procedure voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat.

256. Hieruit volgt dat wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een verdragsluitende staat is gebaseerd op artikel 2 van het verdrag (en niet is uitgesloten door de exclusieve bevoegdheidsregels van de artikelen 16 en 17), dit gerecht niet van de uitoefening van zijn bevoegdheid mag afzien, behoudens in de in het hoofdgeding niet aan de orde zijnde bijzondere gevallen van de artikelen 21 en 22 van dit verdrag.

257. Dit onderzoek van de algemene systematiek van het verdrag bevestigt derhalve de stelling dat het verdrag zich er in een situatie zoals die van het hoofdgeding tegen verzet, dat een gerecht van een verdragsluitende staat waarvan de bevoegdheid is gebaseerd op artikel 2 van het verdrag, discretionair beslist zijn bevoegdheid niet uit te oefenen, op grond dat een gerecht van een derde land geschikter zou zijn om het hoofdgeding ten gronde te beslechten.

258. Mijns inziens kan aan deze stelling geen afbreuk worden gedaan door de omstandigheid dat, zoals in casu het geval is, het geschil dat op grond van artikel 2 van het verdrag bij het gerecht van een verdragsluitende staat aanhangig is gemaakt, niet alleen betrekking heeft op een verweerder met woonplaats in de verdragsluitende staat waar dit gerecht is gevestigd, maar eveneens op meerdere verweerders die woonplaats hebben in een derde staat.

259. Wanneer meerdere verweerders woonplaats hebben in een derde staat, kan de aangezochte rechter zich weliswaar bij toepassing van artikel 4 van het verdrag afvragen of hij wel het geschikte forum is, gezien de criteria van de leer van het forum non conveniens, maar dit neemt niet weg dat dit artikel 4 dit gerecht er geenszins toe verplicht af te zien van de uitoefening van de bevoegdheid die het ontleent aan artikel 2 ten aanzien van de verweerder die woonachtig is op het grondgebied van de verdragsluitende staat waarin het gerecht is gevestigd. Het aangezochte gerecht dient, rekening houdende met de situatie van partijen en hun diverse belangen, alleen te beoordelen of het het gehele geschil moet beslechten of alleen het deel van het geschil dat de verweerder die in de betrokken verdragsluitende staat woonachtig is, aangaat.

4.      De doelstellingen en het nuttig effect van het verdrag

260. Ook al zou de leer van het forum non conveniens een procedureregel vormen die als zodanig alleen onder het nationale recht valt, dan nog mag de toepassing van een dergelijke regel geen afbreuk doen aan het nuttig effect van het verdrag. Daarop heeft het Hof recentelijk de aandacht gevestigd in het reeds aangehaalde arrest Turner, betreffende het mechanisme van de „anti-suit injunctions”.(118)

261. Ik ben van mening dat de toepassing van een dergelijke procedureregel afbreuk doet aan de doelstellingen van het verdrag en dus aan zijn nuttig effect, en dat deze twee factoren zich tegen de toepassing van de leer van het forum non conveniens verzetten.

262. Meerdere argumenten verlenen steun aan deze opvatting.

263. In de eerste plaats doet de leer van het forum non conveniens, door aan de aangezochte rechter de mogelijkheid te geven om – op volstrekt discretionaire wijze – af te zien van de uitoefening van de bevoegdheid die hij ontleent aan een voorschrift van het verdrag zoals artikel 2, ernstig afbreuk aan de voorspelbaarheid van de in het verdrag bepaalde bevoegdheidsregels, met name die van artikel 2. Zoals ik al heb opgemerkt, kan enkel deze voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel en de versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen verzekeren, overeenkomstig de door het verdrag nagestreefde doelstellingen. Door afbreuk te doen aan de voorspelbaarheid van de in het verdrag opgenomen bevoegdheidsregels, inzonderheid die van artikel 2 (die een algemene bevoegdheidsregel is), doet men dus tevens afbreuk aan het nuttig effect van het verdrag.

264. In dit verband moet worden bedacht dat het verdrag grotendeels is geïnspireerd door het civil law-stelsel, dat bijzondere betekenis hecht aan de voorspelbaarheid en de onaantastbaarheid van de bevoegdheidsregels. Dit aspect is in het common law-stelsel minder nadrukkelijk aanwezig, omdat de geldende regels op nogal soepele wijze en geval per geval worden toegepast. In dit opzicht past de leer van het forum non conveniens probleemloos in het kader van het common law-stelsel, omdat zij het aan het aangezochte gerecht overlaat om discretionair te beoordelen of het zijn bevoegdheid al dan niet zal uitoefenen. Deze leer lijkt dus moeilijk verenigbaar met de geest van het verdrag.

265. Los van deze algemene overwegingen dienen de procedurele consequenties van de toepassing van de leer van het forum non conveniens nauwkeuriger te worden onderzocht. Mijns inziens zijn deze consequenties moeilijk verenigbaar met de doelstellingen van het verdrag die, het zij herhaald, zowel betrekking hebben op de inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel als op de versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen.

266. Zoals reeds gezegd, leidt de toepassing van deze leer bij de huidige stand van het Engelse recht er namelijk toe dat de procedure wordt aangehouden, dat wil zeggen dat de behandeling van de zaak wordt geschorst, in voorkomend geval sine die. Deze situatie is op zich uit het oogpunt van de rechtszekerheid weinig bevredigend.

267. Daar komt bij dat mijns inziens de leer van het forum non conveniens, in plaats van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken, daaraan eerder afbreuk doet. Dit gaat met name op voor de verzoeker.

268. Een verzoeker die wenst te ontsnappen aan de gevolgen van de betrokken procedurele exceptie, zal namelijk moeten aantonen dat hij bij het desbetreffende buitenlandse forum geen toegang heeft tot een goede rechtsbedeling. Ook deze situatie is weinig bevredigend, temeer omdat gevreesd moet worden dat deze procedurele exceptie door bepaalde verweerders zal worden ingeroepen met de uitsluitende bedoeling de voortgang van de tegen hen aangespannen procedures te vertragen.

269. Bovendien, wanneer de aangezochte rechter heeft besloten de forum non conveniens-exceptie toch te aanvaarden, zal de verzoeker die de procedure wenst voort te zetten, opnieuw de daarvoor noodzakelijke bewijzen moeten leveren. Zo moet hij aantonen dat het buitenlandse forum uiteindelijk niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen of dat hijzelf aldaar geen toegang heeft of had tot een doeltreffende rechtsbedeling. Deze bewijslast kan voor de verzoeker bijzonder zwaar zijn. In dit opzicht kan derhalve de toepassing van de leer van het forum conveniens zeer nadelig zijn voor de verdediging van zijn belangen, zodat zij de rechtsbescherming van de verzoeker, anders dan het verdrag wil, eerder verzwakt dan versterkt.

270. Ingeval de verzoeker er niet in zou slagen om de nodige bewijzen te leveren om zich te kunnen verzetten tegen een schorsing van de procedure (die sine die kan worden uitgesproken) of om de hervatting van de al geschorste procedure te kunnen bewerkstelligen, rest hem, indien hij zijn vorderingen wil doorzetten, enkel nog de mogelijkheid om alle noodzakelijke stappen te zetten om voor het buitenlandse gerecht een nieuwe procedure aan te spannen. Het ligt voor de hand dat deze stappen kosten meebrengen en de procedure die de verzoeker moet doorlopen om ten slotte gehoor te vinden, aanzienlijk kunnen verlengen. In dit opzicht kan de op de leer van het forum non conveniens gebaseerde regeling ook onverenigbaar worden geacht met de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

271. Uit dit alles blijkt dat deze leer afbreuk doet aan het nuttig effect van het verdrag doordat zij indruist tegen de doelstellingen van rechtszekerheid en versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen die door het verdrag worden nagestreefd via de vaststelling van dwingende bevoegdheidsregels zoals die van artikel 2.

272. Mijns inziens geldt deze conclusie eveneens voor de in het verdrag vastgestelde regels ter vergemakkelijking van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tussen de verdragsluitende staten. Immers, door te weigeren de bevoegdheid die hij aan de verdragsregels ontleent, met name aan artikel 2, uit te oefenen, op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het bij hem aanhangige geschil te beslechten, ontneemt de rechter van een verdragsluitende staat aan de verzoeker de mogelijkheid om te profiteren van het in het verdrag neergelegde vereenvoudigde stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging. Deze situatie is eveneens in strijd met de doelstellingen van het verdrag aangaande de inachtneming van het rechtszekerheidsvereiste en de versterking van de rechtsbescherming van in de Gemeenschap gevestigde personen. Ook in dit opzicht doet de op de leer van het forum non conveniens gebaseerde regeling derhalve afbreuk aan het nuttig effect van het verdrag.

273. Voorts dient erop te worden gewezen dat deze leer de uniforme toepassing van de in het verdrag vervatte regels kan ondermijnen en derhalve in strijd kan komen met de vaste rechtspraak van het Hof.

274. Zoals gezegd, heeft het Hof immers veelvuldig uitdrukking gegeven aan zijn streven de gelijkheid en de eenvormigheid van de uit het verdrag voortvloeiende rechten en plichten te verzekeren, zowel ten aanzien van de verdragsluitende staten als ten behoeve van de betrokken personen.

275. In dit verband herinner ik eraan dat de leer van het forum non conveniens zich alleen in het Verenigd Koninkrijk en Ierland duidelijk heeft ontwikkeld, maar niet in de andere verdragsluitende staten.

276. Indien werd toegestaan dat deze leer alleen in deze twee verdragsluitende staten, waar zij bekend is, werd toegepast, zou dit tot gevolg hebben dat tussen de in de Gemeenschap gevestigde justitiabelen werd gediscrimineerd naargelang de verdragsluitende staat op wiens grondgebied de verweerder woonachtig is, al dan niet van de onderhavige leer op de hoogte is. Een dergelijke discriminatie zou ongetwijfeld in strijd zijn met het in de rechtspraak geformuleerde beginsel van de gelijkheid en eenvormigheid van de uit het verdrag voortvloeiende rechten.

277. Uit dit alles volgt dat zowel de bewoordingen van artikel 2, eerste alinea, als de algemene systematiek, de doelstellingen en het nuttig effect van het verdrag zich ertegen verzetten dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid berust op artikel 2 van het verdrag – discretionair beslist om zijn bevoegdheid niet uit te oefenen, op grond dat een gerecht van een derde land geschikter zou zijn om het geding ten gronde te beslechten, wanneer dit laatste niet in een bevoegdheidsbeding is aangewezen en voordien geen vordering bij dit gerecht aanhangig is gemaakt die zou kunnen leiden tot een situatie van aanhangigheid of samenhang, en de aanknopingspunten van dit geding met deze derde staat een ander karakter hebben dan die bedoeld in artikel 16 van het Executieverdrag.

278. Ik voeg hieraan toe dat verordening nr. 44/2001 deze zienswijze duidelijk bevestigt. De elfde overweging van de considerans ervan bepaalt immers: „De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt” (cursivering van mij).

279. Deze overwegingen sluiten impliciet maar onvermijdelijk de mogelijkheid uit dat een op grond van artikel 2 van het verdrag aangezochte rechter afziet van de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond dat vanuit het oogpunt van de leer van het forum non conveniens een gerecht van een ander land beter in staat zou zijn om het geschil te beslechten.(119) Mijns inziens geldt deze conclusie niet alleen wanneer er samenloop van rechtsmacht is met een gerecht uit een andere lidstaat dan die waar de verweerder woonachtig is, maar ook wanneer dat gerecht in een derde staat is gevestigd.

280. Bijgevolg dient het tweede deel van de eerste vraag aldus te worden beantwoord, dat het Executieverdrag zich ertegen verzet dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid berust op artikel 2 van dat verdrag – discretionair beslist om deze bevoegdheid niet uit te oefenen op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geding ten gronde te beslechten, wanneer dit laatste niet is aangewezen in een bevoegdheidsbeding, voordien geen vordering bij dit gerecht aanhangig is gemaakt die zou kunnen leiden tot een situatie van aanhangigheid of samenhang, en de aanknopingspunten van dit geding met deze derde staat een ander karakter hebben dan die bedoeld in artikel 16 van het Executieverdrag.

V –    Conclusie

281. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de door de Court of Appeal (England & Wales) Civil Division (Verenigd Koninkrijk) gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 2 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (hierna: ‚Executieverdrag’), moet aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is wanneer de verzoeker en de verweerder hun woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben en het tussen hen aanhangige geding voor de gerechten van die verdragsluitende staat bepaalde aanknopingspunten heeft met een derde staat, en niet met een andere verdragsluitende staat, zodat de vraag naar de verdeling van de bevoegdheden in het kader van dit geding uitsluitend kan rijzen in de betrekkingen tussen de gerechten van een verdragsluitende staat en die van een derde staat, en niet in de betrekkingen tussen de gerechten van verschillende verdragsluitende staten.

2)      Het Executieverdrag verzet zich ertegen dat een gerecht van een verdragsluitende staat – waarvan de bevoegdheid berust op artikel 2 van dit verdrag – discretionair beslist om deze bevoegdheid niet uit te oefenen op grond dat een gerecht van een derde staat geschikter zou zijn om het geding ten gronde te beslechten, wanneer dit laatste niet is aangewezen in een bevoegdheidsbeding, voordien geen vordering bij dit gerecht aanhangig is gemaakt die zou kunnen leiden tot een situatie van aanhangigheid of samenhang, en de aanknopingspunten van dit geding met deze derde staat een ander karakter hebben dan die bedoeld in artikel 16 van het Executieverdrag.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – PB 1972, L 299, blz. 32, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1); hierna: „Executieverdrag” of „verdrag”. Een geconsolideerde versie van dit verdrag, zoals gewijzigd bij de vier toetredingsverdragen, is gepubliceerd in PB 1998, C 27, blz. 1.


3 – Het betreft de zaak Ladenimor (C‑314/92) (doorhalingsbeschikking van 21 februari 1994). Aangezien deze zaak veelvuldig wordt aangehaald onder de naam „Harrods”, zal ik dit eveneens doen.


4 – Advies 1/03. Het Verdrag van Lugano van 16 september 1988 inzake de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, vormt een zogenoemd „parallel” verdrag met het Executieverdrag, aangezien zijn inhoud voor het overgrote deel identiek is met die van het Executieverdrag. Het Verdrag van Lugano is bindend voor alle lidstaten van de Gemeenschap (partijen bij het Executieverdrag) alsmede de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Polen. Dit verdrag dient te worden herzien teneinde het aan te passen aan verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1), die, zoals we verder zullen zien, recentelijk in de plaats is gekomen van het Executieverdrag. Het verzoek aan het Hof om een advies betreft de vraag of de sluiting van het herziene verdrag onder de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap valt of onder de gezamenlijke bevoegdheid van de Gemeenschap en de lidstaten. Daarbij dient met name te worden onderzocht in hoeverre de territoriale of personele werkingssfeer van het verdrag dezelfde is als die van de genoemde verordening. Deze vraag hangt samen met die betreffende de territoriale of personele werkingssfeer van het Executieverdrag, aangezien de verordening die in de plaats is gekomen van dit verdrag, de bepalingen ervan grotendeels overneemt.


5 – Arrest van 27 april 2004 (C‑159/02, Jurispr. blz. I‑3565).


6 – Zie punt 35.


7 – Dit artikel bepaalt: „De lidstaten treden, voorzover nodig, met elkaar in onderhandeling ter verzekering, voor hun onderdanen, van [...] de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen [...] onderworpen zijn.”


8 – Deze facultatieve bevoegdheidsregels zijn met name van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst (artikel 5, lid 1: eveneens bevoegd is het gerecht van de plaats van uitvoering van de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd), op verbintenissen uit onrechtmatige daad (artikel 5, lid 3: eveneens bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan), op consumentenovereenkomsten (artikel 14, eerste alinea: eveneens bevoegd zijn de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft), alsmede in geval van pluraliteit van verweerders (artikel 6, lid 1: bevoegd is eveneens het gerecht van de woonplaats van één der verweerders).


9 – Deze bevoegdheidsregels zijn met name van toepassing op zakelijke rechten op en op de huur en verhuur van onroerende goederen (artikel 16, lid 1, sub a: uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen), alsmede bij uitdrukkelijke aanwijzing van de bevoegde rechter (artikel 17: uitsluitend bevoegd is het gerecht of zijn de gerechten die door partijen zijn aangewezen in het kader van een bevoegdheidsovereenkomst, onder uitdrukkelijk voorbehoud van de inachtneming van de uitsluitende bevoegdheidsregels van artikel 16).


10 – Volgens artikel 18 Executieverdrag is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, ook al heeft hij geen woonplaats in die staat, behoudens wanneer de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is. Men spreekt dan van stilzwijgende aanwijzing van de bevoegde rechter.


11 – Ofschoon verordening nr. 44/2001 niet van toepassing is op het hoofdgeding, wijs ik erop dat in artikel 4 daarvan een aanvullend voorbehoud is toegevoegd ten opzichte van de werking van exorbitante bevoegdheidsvoorschriften, dat betrekking heeft op de wil van partijen.


12 – Deze merkwaardige situatie vloeit voort uit het protocol inzake de positie van het Koninkrijk Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Op grond daarvan is verordening nr. 44/2001 niet op Denemarken van toepassing, maar blijft het Executieverdrag gelden tussen die lidstaat en de andere lidstaten waarvoor de verordening bindend is. Voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland geldt een vergelijkbaar protocol, dat eveneens is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van dit protocol hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland evenwel hun wens te kennen gegeven om aan de vaststelling en de toepassing van verordening nr. 44/2001 deel te nemen, zodat deze laatste ook voor hen geldt.


13 – Hierna: „arrest Spiliada” (1987, AC 460). Het schijnt dat de in dit arrest vastgestelde beginselen eveneens in Jamaica gelden. Zie in die zin de opmerkingen van Jackson, eerste verweerder in het hoofdgeding (punt 25).


14 – Zie blz. 476 van het arrest Spiliada, reeds aangehaald.


15 – Ibidem, blz. 474. In dit opzicht kan de leer van het forum non conveniens, die van toepassing is op een procedure tegen een in Engeland verblijvende verweerder (waarop in het Engelse recht een zogenoemde „gewone” bevoegdheidsregel van toepassing is), worden vergeleken met de leer van het forum conveniens. Volgens deze laatste kan de Engelse rechter, wanneer een procedure is ingeleid tegen een verweerder die niet in Engeland aanwezig is (waarop in het Engelse recht een zogenoemde „buitengewone” bevoegdheidsregel van toepassing is), verbieden de dagvaarding in het buitenland te doen betekenen, op grond dat de buitenlandse rechter het forum conveniens vormt, zodat de betrokken procedure niet in Engeland kan worden voortgezet. Zie dienaangaande blz. 480-482.


16 – Zie blz. 477 (sub c) van het arrest Spiliada, reeds aangehaald.


17 – Ibidem, blz. 477 en 478 (sub d).


18 – Het is nuttig eraan te herinneren dat in de common law-landen bijzonder belang wordt gehecht aan het horen van getuigen ter terechtzitting, waaronder met name deskundigen.


19 – Zie blz. 478 (sub d) van het arrest Spiliada, reeds aangehaald.


20 – Ibidem, blz. 482.


21 – Deze uitdrukking werd door het House of Lords gebruikt in een arrest dat dateert van na het arrest Spiliada, te weten het arrest Lubbe v. Cape plc (2000, 1 WLR, 1545, HL) (hierna: „arrest Lubbe”).


22 – Idem.


23 – Zie blz. 482 van het arrest Spiliada, reeds aangehaald.


24 – Zie in deze zin de rechtspraak van het House of Lords, aangehaald door Nuyts A., L’exception de forum non conveniens (étude de droit international privé comparé), dissertatie ULB, 2001‑2002, deel II, punt 218. Zie meer in het bijzonder de arresten Cornelly v. RTZ Corporation plc (1998, AC 854, blz. 873 en 874) en Lubbe, reeds aangehaald.


25 – Zie Nuyts, A., reeds aangehaald, punt 202.


26 – Sedert de herziening van de regels voor de civiele procedure in 1998 moet in het Engelse recht de forum non conveniens-exceptie in limine litis worden aangevoerd, dat wil zeggen vóór elk verweer ten gronde, en is dit dus niet meer mogelijk in elke willekeurige fase van de procedure. Zie dienaangaande Nuyts, A., reeds aangehaald, punt 204.


27 – Zie Nuyts, A., reeds aangehaald, punt 208.


28 – Hierna „arrest Harrods” (1992, Ch. 72, CA). Dit arrest is gewezen in een geding tussen een vennootschap naar Engels recht – met zetel in Engeland, doch die haar activiteiten volledig uitoefende in Argentinië, waar haar bestuurs‑ en controleorganen (de vennootschap Harrods Buenos Aires) alsmede haar meerderheidsaandeelhouder (de Zwitserse vennootschap Intercomfinanz) waren gevestigd – en haar minderheidsaandeelhouder (de Zwitserse vennootschap Ladenimor), ter zake van het beheer van die Engelse vennootschap.


29 – Zie in deze zin arresten Berisford plc v. New Hampshire Insurance Co. (1990, 2 QB 631) en Arkwright Mutual Insurance Co. v. Bryanston Insurance Co. Ltd (1990, 2 QB 649). In deze arresten heeft de High Court geoordeeld dat de toepassing van de regel van het forum non conveniens in strijd is met het dwingende karakter van artikel 2 Executieverdrag en afbreuk doet aan de uniforme toepassing van de bevoegdheidsregels in de verdragsluitende staten.


30 – Ibidem, blz. 96 en 103.


31 – Ibidem, blz. 97 en 98.


32 – Ibidem, blz. 97.


33 – Ibidem, blz. 103 (sub d).


34 – De desbetreffende prejudiciële vragen waren als volgt geformuleerd:


1) Regelt het Verdrag van Brussel van 1968 de bevoegdheid van de gerechten van een verdragsluitende staat ook dan wanneer van enig bevoegdheidsgeschil met de gerechten van een andere verdragsluitende staat geen sprake is?


2) a) Verzet het Verdrag van 1968 zich ertegen dat een gerecht van een verdragsluitende staat, wanneer zijn bevoegdheid is gebaseerd op artikel 2 van dat verdrag, de discretionaire bevoegdheid die zijn nationale recht hem toekent aldus gebruikt dat hij zich onbevoegd verklaart in een geding tegen een in die staat wonende persoon, ten gunste van de gerechten van een derde staat, indien de bevoegdheid van andere contractsluitende staten krachtens dat verdrag niet ter discussie staat?


b) Bij bevestigende beoordeling: verzet het verdrag zich daartegen onder alle omstandigheden of alleen in bepaalde gevallen en, zo ja, welke?


3) a) Bij bevestigende beantwoording van vraag 2: is het met het Verdrag van Brussel van 1968 niettemin verenigbaar dat een gerecht van een verdragsluitende staat de discretionaire bevoegdheid die zijn nationale recht hem toekent aldus uitoefent, dat het ervan afziet kennis te nemen van een vordering tegen een in een derde staat woonachtige medegedaagde, ten gunste van de gerechten van een derde staat?


b) Zou het antwoord op vraag 3 anders luiden wanneer de omstandigheid dat het gerecht ervan afziet kennis te nemen van die vordering tegen een medegedaagde tot gevolg heeft dat de vordering tegen de in de betrokken verdragsluitende staat wonende verweerder moet worden afgewezen?”


35 – Zie voetnoot 21.


36 – Zie punt 28 van deze conclusie.


37 – Zie inzonderheid Nuyts A., reeds aangehaald (punt 181), en Fentiman, R., „Ousting Jurisdiction in the European Judicial Area”, Cambridge Yearbook of European Legal Studies, 2000, blz. 109, en Stays and the European Conventions: End-Game?, CLJ 10, 2001, blz. 11).


38 – Hierna: „eerste verweerder”.


39 – Hierna: „derde verweerder”.


40 – Hierna: „vierde verweerder”.


41 – Hierna: „zesde verweerder”.


42 – C‑412/98, Jurispr. blz. I‑5925.


43 – Dienaangaande verwijst rechter Bentley QC met name naar de punten 59‑61 van het reeds aangehaalde arrest Group Josi.


44 – Zie punten 35‑39 van deze conclusie.


45 – Dit volgt inderdaad uit artikel 2 van het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.


46 – Zie punt 47 van de verwijzingsbeschikking.


47 – Zie punten 33‑35 van de verwijzingsbeschikking.


48 – Zie punten 47 en 48, alsmede punten 82‑88 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.


49 – Zie punt 32 van de schriftelijke opmerkingen.


50 – Dit moge blijken uit de punten 44 en 45 van de verwijzingsbeschikking, alsmede uit de punten 48 (vijfde alinea), 55 en 56, waarin de argumenten van partijen in het hoofdgeding worden uiteengezet die, zoals men zich zal herinneren, grotendeels overeenkomen met die welke in de zaak Harrods zijn aangevoerd en waarover de Court of Appeal zich al heeft uitgelaten.


51 – Zie met name arresten van 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59); 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 38); 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 18); 21 maart 2002, Cura Anlagen (C‑451/99, Jurispr. blz. I‑3193, punt 16), en 30 maart 2004, Alabaster (C‑147/02, Jurispr. blz. I‑3101, punt 54).


52 – PB 1979, C 59, blz. 1.


53 – Zie blz. 8 van het rapport.


54 – 12/76, Jurispr. blz. 1473, punt 9.


55 – C‑365/88, Jurispr. blz. I‑1845, punt 17.


56 – Zie punten 99 en 100 alsmede 126-131 van deze conclusie.


57 – Zie met betrekking tot deze strekking in de Engelse doctrine, Collins, L., 1990, 106 LQR, blz. 538 en 539, aangehaald door de Court of Appeal in het arrest Harrods (blz. 103), en Kaye, P., Civil jurisdiction and enforcement of foreign judgments, Professional Books Limited, 1987, blz. 216-225.


58 – Zie Droz, G., Compétence judiciaire et effets des jugements dans le marché commun (Étude de la convention de Bruxelles du 27 septembre 1968), 1972, blz. 23-25.


59 – Zie met name voor de Belgische doctrine: Rigauz, F., en Fallon, M., Droit international privé, Maison Larcier, 2e herziene druk, 1993, deel II, Droit positif belge, blz. 173; Weser, M., Convention communautaire sur la compétence judiciaire et l’exécution des décisions, CIDC, en Pédone, A., 1975, blz. 215-217; voor de Duitse doctrine Geimer, R., en Schütze, R., Internationale Urteilsanerkennung, C. H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, 1983, Band I, 1. Halbband, blz. 220-222; Geimer, R., „The right of acces to the Courts under the Brussels convention”, Civil Jurisdiction and Judgments in Europe, Proceedings of the Colloquium on the Interpretation of the Brussels Convention by the Court of Justice considered in the context of the European Judicial Area, Luxembourg, 11 and 12 march 1991, Butterworths, 1992, blz. 39 en 40 (naar aanleiding van het arrest Harrods van de Court of Appeal); voor de Nederlandse doctrine: Duintjer Tebbens, H., „The English Court of Appeal in re Harrods: An unwelcome Interpretation of the Brussels Convention”, Law and Reality: Essays on National and International Procedural Law in Honour of Cornelis Carel Albert Voskuil, Martinus Nijhoff Uitgevers, 1992, blz. 47 e.v.


60 – Volgens Droz geldt dit evenzeer voor de exclusieve bevoegdheidsregels in artikel 16 van het verdrag.


61 – De meeste auteurs zijn van mening dat dit zelfs geldt wanneer het overeengekomen forum is gevestigd in een andere verdragsluitende staat dan die van de woonplaats van partijen. Bevoegdheidsbedingen zijn immers in het nationale recht niet populair, zodat hun aanvaarding overeenkomstig artikel 17 van het verdrag moet worden beperkt tot rechtsverhoudingen die intrinsiek van internationale aard zijn, ongeacht de plaats waar het gekozen forum is gevestigd. Zie in deze zin Gaudemet-Tallon, H., Compétence et exécution des jugements en Europe, LGDJ, 3e druk, 2002, blz. 97, met verschillende verwijzingen naar de doctrine.


62 – Zie met name Kropholler, J., Europäisches Zivilprozessrecht – Kommentar zu EuGvO und Lugano-Übereinkommen, Verlag Recht und Wirtschaft GmbH, 2002, blz. 106.


63 – In de onderhavige zaak heeft de Commissie zich beperkt tot de stelling dat de toepassing van artikel 2 van het verdrag niet wordt uitgesloten door het feit dat verzoeker in dezelfde verdragsluitende staat woont als de eerste verweerder en dat het hoofdgeding is verbonden met een verdragsluitende staat en een derde staat. Zij heeft zich niet duidelijk uitgelaten over de vraag of de toepassing van artikel 2 al dan niet vereist dat het een internationaal geding betreft en, zo ja, of het volstaat dat het vereiste extraneïteitselement in een derde staat is gesitueerd. In dit verband wijs ik erop dat de Commissie in het kader van adviesprocedure 1/03 betreffende de toekomstige herziene versie van het Verdrag van Lugano heeft aangevoerd (in punt 170 van haar schriftelijke opmerkingen) dat elk geding dat bij een rechter van een lidstaat aanhangig is gemaakt en dat een aanknopingspunt met een andere staat heeft, ongeacht of dit een lidstaat dan wel een derde staat betreft, onder verordening nr. 44/2001 valt. Zij heeft daaraan toegevoegd dat buiten de werkingssfeer van die verordening alleen zuiver interne gedingen (waarin alle aanknopingspunten in dezelfde staat zijn gesitueerd) vallen.


64 – Zie punt 30.


65 – Ibidem, punt 57.


66 – Ibidem, punt 58 (cursivering van mij).


67 – Ibidem, punt 59.


68 – Zie inzonderheid arresten van 17 juni 1992, Handte (C‑26/91, Jurispr. blz. I‑3967, punt 14); 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C‑89/91, Jurispr. blz. I‑139, punten 15 en 16); 3 juli 1997, Benincasa (C‑269/95, Jurispr. blz. I‑3767, punt 13); 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a. (C‑51/97, Jurispr. blz. I‑6511, punt 16); arrest Group Josi, reeds aangehaald (punten 36‑40), en, recenter, arrest van 10 juni 2004, Kronhofer (C‑168/02, Jurispr. blz. I‑6009, punten 12 en 13).


69 – Zie inzonderheid aangaande artikel 5, lid 1, ten aanzien van verbintenissen, arrest van 17 januari 1980, Zelger (56/79, Jurispr. blz. 89, punt 3); aangaande artikel 5, lid 3, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, arrest van 30 november 1976, Bier, genoemd „Mines de potasse d’Alsace” (21/76, Jurispr. blz. 1735, punt 11); aangaande artikel 6, sub 1, betreffende pluraliteit van verweerders, arrest van 27 september 1988, Kalfelis (189/87, Jurispr. blz. 5565, punt 11), en aangaande artikel 6, sub 2, betreffende een vordering tot vrijwaring, voeging of tussenkomst, arrest Hagen, reeds aangehaald (punt 11).


70 – Het betreft het geval van de onderhoudsgerechtigde, die geacht wordt behoeftig te zijn (artikel 5, lid 2), alsmede dat van de consument (artikelen 13 en 14) of de verzekeringsnemer (artikelen 8, 9 en 10), contractpartijen die geacht worden economisch zwakker en juridisch minder ervaren te zijn dan hun professionele medecontractant. Zie aangaande de doelstelling van de artikelen 13 en 14 van het verdrag inzonderheid arrest van 11 juli 2002, Gabriel (C‑96/00, Jurispr. blz. I‑6367, punt 39).


71 – Het Hof heeft dit beklemtoond met betrekking tot artikel 13, tweede alinea, in het arrest van 15 september 1994, Brenner en Noller (C‑318/93, Jurispr. blz. I‑4275, punt 18).


72 – Zie met name in deze zin arrest Group Josi, reeds aangehaald (punt 46).


73 – Idem.


74 – Zie met name Gaudemet-Tallon, H., aangehaald in voetnoot 61, blz. 71.


75 – Deze vraag blijft onbeantwoord. Zoals al in punt 70 aangegeven, laat ik haar terzijde omdat de situatie van het hoofdgeding een dergelijk onderzoek niet vergt.


76 – Zie inzonderheid arresten van 27 juni 1991, Overseas Union Insurance e.a. (C‑351/89, Jurispr. blz. I‑3317, punt 16), en 9 december 2003, Gasser (C‑116/02, Jurispr. blz. I‑14693, punt 41).


77 – Zie arresten Gasser en Turner, reeds aangehaald (punt 24).


78 – C‑129/92, Jurispr. blz. I‑117, punt 25.


79 – Ibidem, punt 37.


80 – Zie punt 14.


81 – Zie in deze zin arrest van 11 juni 1985, Debaecker en Plouvier (49/84, Jurispr. blz. 1779), betreffende de toepassing van artikel 27, lid 2, van het verdrag in het kader van de erkenning in Nederland van een door een Belgisch gerecht gegeven beslissing in een geding tussen in België woonachtige partijen over de huur van een eveneens in België gelegen onroerend goed.


82 – Zie dienaangaande Juenger, F., La Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968 et la courtoisie internationale – Réflexions d’un Américain, RC, 1983, blz. 37.


83 – „Les frontières extérieures de l’espace judiciaire européen: quelques repères”, E Pluribus Unum – Liber Amicorum Georges A.L. Droz, Martinus Nijhoff Uitgevers, 1996, blz. 85, met name blz. 103 en 104.


84 – Zie met name arresten van 4 maart 1982, Effer (38/81, Jurispr. blz. 825, punt 6); 13 juli 1993, Mulox IBC (C‑125/92, Jurispr. blz. I‑4075, punt 11); arrest Benincasa, reeds aangehaald (punt 26); arresten van 17 september 2002, Tacconi (C‑334/00, Jurispr. blz. I‑7357, punt 20); 5 februari 2004, DFDS Torline (C‑18/02, Jurispr. blz. I‑1417, punt 36), en arrest Kronhofer, reeds aangehaald (punt 20).


85 – Zie met name arresten van 29 juni 1994, Custom Made Commercial (C‑288/92, Jurispr. blz. I‑2913, punt 15), en 19 februari 2002, Besix (C‑256/00, Jurispr. blz. I‑1699, punt 25).


86 – Zie inzonderheid arresten Effer (punt 6), Owens Bank (punt 32), Custom Made Commercial (punt 18), en Besix (punten 24‑26), reeds aangehaald, alsmede arresten van 28 september 1999, GIE Groupe Concorde e.a. (C‑440/97, Jurispr. blz. I‑6307, punt 23), en 6 juni 2002, Italian Leather (C‑80/00, Jurispr. blz. I‑4995, punt 51).


87 – Zie met name arresten Handte (punt 14) en Group Josie (punt 35), reeds aangehaald.


88 – Zie met name arrest van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, Jurispr. blz. 1553, punt 13).


89 – Zie met name arresten Handte (punt 14) en Group Josi (punt 36), reeds aangehaald.


90 – Punt 48 van de verwijzingsbeschikking.


91 – Punt 21 van haar schriftelijke opmerkingen.


92 – Zie Quoc Dinh, N., Daillier, P., en Pellet, A., Droit international public, 6e volledig herziene druk, 1999, LGDJ, blz. 239 e.v.


93 – Zie Quoc Dinh, N., Daillier, P., en Pellet, A., reeds aangehaald, blz. 249, die met name verwijzen naar het Internationaal Verdrag van Brussel van 29 november 1969 betreffende maatregelen in volle zee in geval van een ongeval dat verontreiniging door olie tot gevolg heeft of kan hebben. De staten die partij zijn bij dit verdrag behouden zich het recht voor in volle zee voor hun kust op te treden, zelfs ten opzichte van schepen die de vlag van een derde land voeren.


94 – PB 1980, L 266, blz. 1.


95 – Zie dienaangaande het rapport van Giuliano en Lagarde inzake het Verdrag van Rome (PB 1980, C 282, blz. 1). Zie met name punt 8 van de inleidende beschouwingen alsmede het commentaar op de artikelen 1, lid 1, en 2 van dit verdrag.


96 – Zie in dit verband het in het bovengenoemde rapport opgenomen commentaar op artikel 2 van het Verdrag van Rome alsmede Jacquet, J.‑M., „Aperçu de la convention de Rome”, L’européanisation du droit international privé, Academie voor Europees recht van Trier, 1996, blz. 21.


97 – C‑398/92, Jurispr. blz. I‑467, punt 11 (cursivering van mij).


98 – Zie punt 12. Zie eveneens in deze zin arrest Tessili, reeds aangehaald (punt 9).


99 – Zie punt 8.


100 – Zie punt 24 van haar schriftelijke opmerkingen.


101 – C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, Jurispr. blz. I‑4989, punt 41. Zie eveneens in deze zin met name arresten van 18 februari 1987, Mathot (98/86, Jurispr. blz. 809, punt 11); 12 december 1990, SARPP (C‑241/89, Jurispr. blz. I‑4695, punt 16), inzake richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 33, blz. 1), en 25 april 1996, Commissie/België (C‑87/94, Jurispr. blz. I‑2043, punten 30‑33), inzake richtlijn 90/531/EEG van de Raad van 17 september 1990 betreffende de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 297, blz. 1). Zie over dit onderwerp Fallon, M., „Les conflits de lois et de juridictions dans un espace économique intégré – L’expérience de la Communauté européenne”, Recueil des cours, Académie de droit international, Martinus Nijhoff Uitgevers, 1996, blz. 49, 182 en 183.


102 – Zie arrest Österreichischer Rundfunk e.a., reeds aangehaald (punt 41).


103 – Het betreft richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31).


104 – Zie arrest Österreichischer Rundfunk e.a., reeds aangehaald (punt 42).


105 – Idem.


106 – C‑101/01, Jurispr. blz. I‑12971, punten 40 en 41.


107 – Zie in deze zin met name arrest van 9 september 2004, Commissie/Spanje (C‑70/03, Jurispr. blz. I‑7999, punt 30), aangaande richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).


108 – Zie dienaangaande Aussant, J., Fornasier, R., Louis, J.‑V., Seché, J.‑C., en Van Raepenbusch, S., Commentaire J. Mégret – Le droit de la CEE, deel 3, Universiteit van Brussel, 2e uitgave, blz. 113 e.v., alsmede Fallon, M., reeds aangehaald, blz. 43 e.v. (in het bijzonder blz. 45 en 46).


109 – Idem. Zie in deze zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch (36/74, Jurispr. blz. 1405, punten 26‑28), en 12 juli 1984, Prodest (237/83, Jurispr. blz. 3153, punt 6), inzake, in het algemeen, de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap en, inzonderheid, verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).


110 – Zie in deze zin met name arresten van 23 oktober 1986, Van Roosmalen (300/84, Jurispr. blz. 3097, punten 30 en 31), en 9 juli 1987, Laborero en Sabato (82/86 en 103/86, Jurispr. blz. 3401, punten 25‑28).


111 – Cursivering van mij.


112 – Deze leer schijnt eveneens in Nederland te zijn toegepast, zij het in veel mindere mate.


113 – Al sedert 1972 heeft Droz zich nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat deze leer in het Executieverdrag niet thuis hoort, reden waarom hij van mening was dat „het aanbeveling verdient deze bron van onenigheid in de kiem te smoren”, Droz, G., Droits de la demande dans les relations privées internationales, TCFDIP, 1993-1995, blz. 97.


114 – PB 1979, C 59, punten 77 en 78.


115 – Zie met name arresten van 5 december 1967, Van der Vecht (19/67, Jurispr. blz. 445); 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, Jurispr. blz. 3415, punt 18); 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie (C‑219/95 P, Jurispr. blz. I‑4411, punt 15), en 29 april 2004, Björnekulla Fruktindustrier (C‑371/02, Jurispr. blz. I‑5791, punt 16).


116 – Zie met name arresten van 14 juli 1977, Bavaria Fluggesellschaft en Germanair/Bedarfsluftfahrt (9/77 en 10/77, Jurispr. blz. 1517, punt 4); 22 november 1978, Somafer (33/78, Jurispr. blz. 2183, punt 8), en 15 november 1983, Duijnstee (288/82, Jurispr. blz. 3663, punt 13).


117 – Zie punt 27 van deze conclusie.


118 – Zie punt 29. Dit arrest sluit aan bij het arrest Hagen, reeds aangehaald (punt 20).


119 – Zie in deze zin Gaudemet-Tallon, H., aangehaald in voetnoot 61, blz. 57 e.v.