Language of document :

Mededeling in het PB

 

ARREST VAN HET HOF

van 6 maart 2003

in zaak C-466/00 (verzoek van de Immigration Adjudicator om een prejudiciële beslissing): Arben Kaba tegen Secretary of State for the Home Department (1)

("Vrij verkeer van werknemers ( Verordening (EEG) nr. 1612/68 ( Sociaal voordeel ( Recht van echtgenoot van migrerend werknemer op vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd op grondgebied van lidstaat")

(Procestaal: Engels)

(Voorlopige vertaling; de definitieve vertaling verschijnt in de Jurisprudentie van het Hof)

In zaak C-466/00, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Immigration Adjudicator (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen Arben Kaba en Secretary of State for the Home Department, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de algemene rechtsbeginselen die de procedure voor het Hof van Justitie beheersen, en van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), heeft het Hof, samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J.-P. Puissochet, M. Wathelet, R. Schintgen en C. W. A. Timmermans, kamerpresidenten, D. A. O. Edward en P. Jann (rapporteur), F. Macken en N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues, rechters; advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer; griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur, op 6 maart 2003 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

Het antwoord dat het Hof in zijn arrest van 11 april 2000, Kaba (C-356/98), op de prejudiciële vragen heeft gegeven, zou niet anders hebben geluid indien het Hof rekening had gehouden met het feit dat volgens de verwijzende rechter naar nationaal recht de situatie van de echtgenoot van een migrerende werknemer die onderdaan is van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland, en die van de echtgenoot van een in het Verenigd Koninkrijk "aanwezige en gevestigde" persoon in elk opzicht vergelijkbaar zijn, behalve wat de vereiste duur betreft van het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk voordat hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend. Aangezien deze situaties uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht niet vergelijkbaar zijn, is in dit opzicht irrelevant of een dergelijk verschil in behandeling gerechtvaardigd kan zijn.

____________

1 - )PB C 61 van 24.02.2001.