Language of document : ECLI:EU:C:2006:338

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. A. GEELHOED

van 18 mei 2006 (1)

Zaak C-244/05

Bund Naturschutz in Bayern e. a.

tegen

Freistaat Bayern

[Verzoek van het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG alsmede van artikel 10, tweede alinea, EG – Te nemen beschermingsmaatregelen voor gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang, die voorkomen op naar de Commissie gezonden nationale lijst, maar nog niet op door haar vastgestelde lijst zijn geplaatst – Mogelijkheid in nationale wetgeving van tijdelijk verbod op wijziging van toestand van deze gebieden – Tracé van snelweg”





I –    Inleiding

1.        In deze zaak wordt het Hof verzocht uitleg te geven over artikel 3, lid 1, juncto de zesde overweging van de considerans van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: „habitatrichtlijn”).(2) In het bijzonder wenst het Verwaltungsgerichtshof te vernemen welke beschermingsmaatregelen moeten worden genomen ten aanzien van gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats of prioritaire soorten die nog niet overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn zijn opgenomen in de door de Commissie vast te stellen lijst van gebieden van communautair belang.

II – Rechtskader

A –    De gemeenschapsregeling

2.        Overeenkomstig de zesde overweging van de considerans van de richtlijn [moeten] er speciale beschermingszones [...] worden aangewezen om volgens een welbepaald tijdschema een coherent Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen, teneinde het herstel of de handhaving van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te waarborgen.

3.        Luidens artikel 3, lid 1, van de richtlijn wordt [er] een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.

4.        Artikel 4 van de richtlijn voorziet in een procedure volgens welke gebieden waar door de richtlijn beschermde soorten en habitats voorkomen, als speciale beschermingszones worden aangewezen. De leden 1 tot en met 5 luiden als volgt:

„1.      Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. […]

De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. […]

2.      Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, letter c, sub iii, genoemde biogeografische regio’s en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de lidstaten een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.

De lidstaten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast.

De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.

3.      De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld.

4.      Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken lidstaat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone […]

5.      Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.”

5.        Ten behoeve van de beoordeling van het communautair belang van de in de nationale lijsten genoemde gebieden bepaalt bijlage III (fase 2):

„1.      Alle door de lidstaten in fase 1 aangewezen gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten worden beschouwd als gebieden van communautair belang.

2.      De beoordeling van het communautaire belang van de overige gebieden die voorkomen op de lijsten van de lidstaten, d.w.z. van de bijdrage die zij leveren tot het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een natuurlijke habitat uit bijlage I of van een soort uit bijlage II en/of de coherentie van Natura 2000, geschiedt met inachtneming van de volgende criteria:

[…]”

6.        In artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn is bepaald dat de lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.

7.        Ingevolge artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

8.        In artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn is bepaald dat indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

B –    De nationale regeling

9.        Artikel 48, lid 2, van het Bayerische Naturschutzgesetz (Wet natuurbescherming van de deelstaat Beieren) luidt als volgt:

„Tot de vaststelling van verordeningen overeenkomstig hoofdstuk III kunnen de krachtens artikel 45 bevoegde natuurbeschermingsautoriteiten of organen ter voorlopige vrijwaring van beschermingszones en voorwerpen van bescherming bij verordening of individuele beschikking voor de duur van maximaal twee jaar de in hoofdstuk III bepaalde wijzigingsverboden uitvaardigen, wanneer moet worden gevreesd dat door wijzigingen de doelstelling van de beoogde bescherming zou worden aangetast; in uitzonderlijke omstandigheden kan deze termijn met één jaar worden verlengd.

Deze maatregel mag niet worden uitgevaardigd wanneer de bevoegde natuurbeschermingsautoriteit of het bevoegde orgaan niet tegelijkertijd of onmiddellijk daaropvolgend de procedure voor definitieve bescherming inleidt.”

III – Feitelijk kader en de prejudiciële vragen

10.      Verzoekers in het hoofdgeding verzetten zich tegen de aanleg van een deel van een nieuwe snelweg, de A 94 die München zal verbinden met Zuidoost‑Beieren en die een verbinding met Oostenrijk zal verzekeren. In de uitbreidingsplannen en behoeftenramingen voor autowegen in de Bondsrepubliek is deze snelweg als „dringende behoefte” geclassificeerd. Verder is de A 94 als geplande wegverbinding opgenomen in het programma van het transeuropees vervoersnet.

11.      Het bestreden traject doorkruist gebieden die de Bondsrepubliek Duitsland per brief van 29 november 2004 bij de Commissie heeft voorgesteld als gebieden van communautair belang voor het Europese netwerk Natura 2000. Uit de bij de aanmelding bijgevoegde ecologische gegevens blijkt dat het onder meer gaat om het prioritaire type habitat dat voorkomt op de lijst opgesomd in bijlage I bij de richtlijn, namelijk „ooibossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior”. De betrokken gebieden zijn nog niet overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn door de Commissie opgenomen in de door haar vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang.

12.      De verwijzende rechter is van oordeel dat eventuele maatregelen in het licht van de doelstellingen van de richtlijn moeten worden genomen. Aangezien naar de huidige stand van de procedure niet kan worden uitgesloten dat de genoemde planning significante gevolgen kan hebben voor in het bijzonder het prioritaire type habitat „ooibossen”, zou een ingreep in dit gebied, in strijd kunnen zijn met de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen.

13.      Het Verwaltungsgerichtshof heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof drie prejudiciële vragen gesteld:

1)         Welke beschermingsregeling vereist artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG juncto de zesde overweging van deze richtlijn, gelet op het verbod tot frustratie van de doelstellingen van het Verdrag als bedoeld in artikel 10, tweede alinea, tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van 13 januari 2005 in de zaak C‑117/03, voor gebieden, in het bijzonder die met prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten, die als gebieden van communautair belang zouden kunnen worden aangemerkt, voordat zij zijn opgenomen in de door de Commissie na afloop van de procedure van artikel 21 van de richtlijn vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang?

2)         Welke zijn de gevolgen voor deze beschermingsregeling wanneer de voornoemde gebieden reeds zijn opgenomen in de krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG aan de Commissie gezonden nationale lijst van voorgestelde gebieden?

3)         Voldoet een nationale beschermingsregeling voor de voornoemde gebieden overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Bayerische Naturschutzgesetz aan de gemeenschapsrechtelijke voorschriften van artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG juncto de zesde overweging van deze richtlijn, gelet op het verbod tot frustratie van de doelstellingen van het Verdrag als bedoeld in artikel 10, tweede alinea, EG?

14.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Bund Naturschutz in Bayern, J. Märkl e.a., F. Nischwitz e.a. (hierna: „verzoekers in het hoofdgeding”), Freistaat Bayern alsook de Commissie. Allen hebben hun standpunt mondeling op de hoorzitting van 6 april 2006 toegelicht.

IV – Beoordeling

15.      Met de eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter verduidelijking over het beschermingsniveau dat moet worden toegepast op gebieden, in het bijzonder die met prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten, die als gebieden van communautair belang zouden kunnen worden aangemerkt, maar die nog niet overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn door de Commissie zijn opgenomen in de door haar vast te stellen lijst van gebieden van communautair belang.

16.      Uit de verwijzingsbeschikking blijkt daarnaast dat de verwijzende rechter wil weten of de gebieden die nog niet zijn opgenomen in de door de Commissie vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang, door middel van een gemeenschapsrechtelijke beschermingsregeling moeten worden beschermd of dat de lidstaten de gebiedsbescherming door middel van passende maatregelen louter in het kader van een nationale beschermingsregeling moeten verzekeren. Naargelang het antwoord kan de nationale rechter bepalen aan de hand van welke normen en toepassingsvoorwaarden de met de planning vermoedelijk verbonden inbreuken moeten worden beoordeeld.

17.      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting van de lidstaten krachtens artikel 10 EG om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in die staten gelden, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties.(3)

18.      Daaruit volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, deze zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen.(4)

19.      De vraag die rijst is, welke bescherming zou moeten worden geboden op grond van de habitatrichtlijn, aan gebieden die als gebieden van communautair belang zouden kunnen worden aangemerkt, maar die nog niet door de Commissie zijn opgenomen in de door haar vast te stellen lijst van gebieden van communautair belang.

20.      De richtlijn beoogt de totstandbrenging van een coherent Europees ecologisch netwerk, teneinde de handhaving of zelfs het herstel van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora op het grondgebied van de lidstaten in een gunstige staat van instandhouding te bevorderen.(5) Om dit doel te bereiken is voorzien in de aanwijzing van speciale beschermingszones(6) volgens een procedure op grond van artikel 4 van de habitatrichtlijn.

21.      De procedure van artikel 4 voor de aanwijzing van speciale beschermingszones verloopt in vier fasen. In de eerste plaats stelt iedere lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen (artikel 4, lid 1). In de tweede plaats werkt de Commissie aan de hand van de lijsten van de lidstaten en met instemming van iedere lidstaat een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang uit (artikel 4, lid 2, eerste en tweede alinea). Vervolgens stelt de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang vast volgens de procedure van artikel 21 (artikel 4, leden 2, derde alinea, en 3). Ten slotte wijzen de lidstaten de gebieden van communautair belang aan als speciale beschermingszones (artikel 4, lid 4).

22.      Volgens het tijdschema zoals voorgeschreven door de habitatrichtlijn moeten de lidstaten eerst de Commissie binnen drie jaar – derhalve vóór 10 juni 1995 – alle gebieden voorstellen die in aanmerking komen om deel uit te maken van Natura 2000. Vervolgens moet de Commissie binnen zes jaar na kennisgeving van de richtlijn – derhalve vóór 10 juni 1998 – aan de hand van deze voorstellen een gemeenschapslijst uitwerken van gebieden van communautair belang, die in Natura 2000 worden opgenomen. De lidstaten moeten tenslotte binnen 6 jaar – derhalve vóór 10 juni 2004 – de gebieden van communautair belang als speciale beschermingszones aanwijzen.

23.      In casu heeft de Duitse regering onder meer op 29 november 2004 een lijst van habitatgebieden aan de Commissie toegezonden op grond van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn. Deze gebieden zijn nog niet door de Commissie op de communautaire lijst geplaatst.

24.      In het arrest Società Italiana Dragaggi(7) van 13 januari 2005 waarin het Hof werd verzocht te oordelen over de toepassing van artikel 6 van de habitatrichtlijn, had een overheidsdienst in Italië een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht voor het verrichten van baggerwerkzaamheden in een haven geannuleerd, omdat het terrein waarop de baggerspecie moest worden gestort binnen een gebied lag dat door Italië overeenkomstig de habitatrichtlijn als beschermingszone aan de Commissie was voorgesteld. In deze zaak rees de vraag of de beschermingsbepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn reeds van toepassing waren, hoewel de in artikel 4, van de richtlijn neergelegde procedure voor de aanwijzing van de zone nog niet was afgesloten. In dit arrest oordeelde het Hof dat:

„(…) artikel 4, lid 5, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de beschermingsmaatregelen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn enkel moeten worden vastgesteld voor de gebieden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn zijn opgenomen in de door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van deze richtlijn vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang.

Hieruit volgt evenwel niet dat de lidstaten de gebieden niet moeten beschermen vanaf het moment dat zij deze krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn op de aan de Commissie toegezonden nationale lijst voorstellen als gebieden die kunnen aangewezen worden als gebieden van communautair belang.

Wanneer er met ingang van dat moment geen afdoende bescherming aan deze gebieden wordt geboden, zou de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, lid 1, van de richtlijn, immers in het gedrang dreigen te komen. (…)”(8)

25.      Blijkens het aangehaalde arrest zijn de beschermingsmaatregelen zoals voorzien in artikel 6, leden 2 tot 4, van deze richtlijn slechts vereist met betrekking tot de gebieden die door de Commissie in de lijst van gebieden van communautair belang zijn opgenomen.

26.      Zoals verzoekers in het hoofdgeding evenals de Commissie benadrukken mogen lidstaten evenwel gedurende de gefaseerde totstandkoming van Natura 2000 geen schade toebrengen dan wel anderszins de kwaliteit van deze gebieden aantasten. Immers, hoewel op de lidstaten geen verplichting rust om de maatregelen tot uitvoering van een richtlijn vóór het verstrijken van de daarvoor geldende termijn vast te stellen, volgt uit artikel 10, tweede alinea, EG in samenhang met artikel 249, derde alinea, EG en met de richtlijn zelf, dat zij zich gedurende deze termijn dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen.(9) Dit geldt ook indien de procedure tot aanwijzing van gebieden van communautair belang zoals in casu is voorzien in artikel 4 van de habitatrichtlijn, nog loopt.

27.      De verplichting van lidstaten om zich te onthouden van activiteiten die de verwezenlijking van het door de habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zou kunnen brengen moet strikt worden nageleefd nu het tijdschema zoals voorgeschreven door de habitatrichtlijn niet is gehaald. Volgens dit schema had het Europees ecologisch netwerk vóór 10 juni 2004 tot stand kunnen zijn gebracht. Indien dit schema was gevolgd, hadden de betrokken gebieden de bescherming van artikel 6 van de habitatrichtlijn reeds genoten. In haar schriftelijke opmerkingen wijst de Commissie erop dat het tijdschema niet is gehaald aangezien de lidstaten slechts met grote vertraging gebieden hebben voorgesteld.(10)

28.      Naarmate een lidstaat meer vertraging oploopt bij de vaststelling van een lijst van gebieden van communautair belang en bij de aanwijzing van speciale beschermingszones, zullen dergelijke gebieden verregaandere bescherming behoeven. Daarbij is het niet van belang of het om gebieden gaat die reeds zijn opgenomen in de krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn aan de Commissie gezonden nationale lijst van voorgestelde gebieden of om gebieden die op grond van hun kenmerken op de gemeenschapslijst zouden moeten worden opgenomen maar die nog niet door de lidstaat bij de Commissie zijn voorgesteld als gebieden van communautair belang voor het Europese netwerk Natura 2000. In beide gevallen moet een lidstaat ervoor zorg dragen dat het relevante ecologisch belang dat het gebied op nationaal niveau vertoont, in stand blijft totdat de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang heeft vastgesteld.

29.      Verzoekers in het hoofdgeding hebben aangevoerd dat uit de verplichting van lidstaten om zich te onthouden van activiteiten die de verwezenlijking van het door de habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zou kunnen brengen, een absoluut wijzigingsverbod voortvloeit.

30.      Bund Naturschutz in Bayern, J. Märkl e.a. en F. Nischwitz e.a. stellen dat lidstaten de plicht hebben om de gebieden in een gunstige staat te houden totdat de Commissie zich kan uitspreken over de vraag of de gebieden op de gemeenschapslijst moeten worden geplaatst als gebieden van communautair belang. Voor dergelijke gebieden zou derhalve een verslechteringsverbod moeten gelden. Dat wil zeggen dat lidstaten geen wijzigingen mogen aanbrengen waardoor de betekenis van het gebied zou kunnen worden aangetast. Een minder ingrijpend middel dan een absoluut wijzigingsverbod zou het ecologische belang van de gebieden onvoldoende waarborgen, aldus verzoekers in het hoofdgeding.

31.      Freistaat Bayern is daarentegen van mening dat het doel van de richtlijn weliswaar niet in gevaar mag worden gebracht of anderszins mag worden ondermijnd, echter dit zou niet tot een absoluut verbod tot wijziging van een gebied leiden. Het verbod tot het toebrengen van schade aan gebieden die op de aan de Commissie toegezonden nationale lijst staan, impliceert niet dat elke wijziging verboden is.

32.      In artikel 6 van de richtlijn zijn de beschermingsmaatregelen neergelegd die moeten worden vastgesteld voor de gebieden die zijn opgenomen in de door de Commissie vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang. Lid 4 van deze bepaling bepaalt: „indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.”

33.      Blijkens de tekst van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn legt deze geen absoluut wijzigingsverbod op. Echter de uitvoering van plannen of projecten wordt wel zwaar geclausuleerd. Slechts ingeval van dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen bepaalde plannen en projecten doorgang vinden. Daarbij worden nog strengere criteria aan de dag gelegd voor bijzondere gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats of prioritaire soorten.

34.      Ik ben van mening dat de criteria van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn naar analogie moeten worden toegepast totdat de Commissie de lijst heeft vastgesteld. Dit betekent dat voor de vaststelling van plannen en projecten rekening kan worden gehouden met andere belangen. Een absoluut wijzigingsverbod is in het licht van deze bepaling een te ver reikend middel om de gebieden te beschermen.

35.      Wel moeten lidstaten ervoor zorgen dat de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, lid 1, van de richtlijn, niet ernstig in het gedrang komt. Plannen en projecten kunnen derhalve enkel tot uitvoering worden gebracht indien zij geen afbreuk doen aan het relevante ecologisch belang dat het gebied op nationaal niveau vertoont. Daarbij dienen lidstaten voorzieningen te treffen die ervoor zorg dragen dat het uiteindelijke effect op de gebieden minimaal is en zij moeten de minst schadelijke maatregelen nemen die in zijn totaliteit er niet toe leiden dat het gebied van zijn wezenlijke waarde wordt ontdaan.

36.      In het bijzonder moeten de criteria van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn voor bijzondere gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats of prioritaire soorten strikt worden gehanteerd. Voor dit type geldt dat het noodzakelijk is om ze te beschermen vanwege de bedreigingen waaraan zij zijn blootgesteld. In de considerans wordt benadrukt dat de natuurlijke habitats op het Europese grondgebied van de lidstaten steeds meer achteruitgaan en dat een toenemend aantal wilde soorten ernstig bedreigd is en dat het noodzakelijk is op communautair niveau maatregelen te nemen voor de instandhouding van de bedreigde habitats en soorten, aangezien deze tot het natuurlijk erfgoed van de gemeenschap behoren en de bedreiging voor hun voortbestaan vaak van grensoverschrijdende aard is. Een snelle uitvoering van maatregelen voor de instandhouding ervan is dan ook van groot belang, zoals wordt aanbevolen in de vijfde overweging van de considerans van de richtlijn.(11)

37.      Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of door de uitvoering van plan A 94 de kwaliteit van het gebied wordt verslechterd en afbreuk wordt gedaan aan het relevante ecologisch belang dat het gebied op nationaal niveau vertoont.

38.      Gelet op het bovenstaande behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

V –    Conclusie

39.      Ik geef het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

„Op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, in samenhang met in het bijzonder artikel 10 EG en artikel 249 EG, dienen de lidstaten ervoor zorg te dragen dat de uitvoering van plannen of projecten geen afbreuk doet aan het relevante ecologisch belang van de door hen voorgestelde gebieden of van gebieden die op grond van hun kenmerken op de gemeenschapslijst zouden moeten worden opgenomen, waardoor de verwezenlijking van het door de habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zou kunnen worden gebracht; het staat aan de nationale rechter om te beoordelen, of zulks het geval is ten aanzien van de in het geding zijnde plannen.”


1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.


2 – PB L 206, blz. 7.


3 – Zie onder meer arresten van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26), en 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, Jurispr. blz. I‑4135, punt 8).


4 – Zie in deze zin onder meer de reeds aangehaalde arresten Von Colson en Kamann, punt 26, en Marleasing, punt 8.


5 – Eerste, derde, vierde, vijfde en zesde overweging van de considerans.


6 – Zesde en zevende overweging van de considerans.


7 – C‑117/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.


8 –      Arrest Società Italiana Dragaggi, reeds aangehaald, punten 25‑27.


9 – Arrest van 18 december 1997, Inter‑Environnement Wallonie (C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, punt 45).


10 – Het Hof heeft vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens de habitatrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn bedoelde lijst van gebieden samen met de volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn vereiste informatie over elk gebied aan de Commissie toe te zenden. Arrest van 11 september 2001, Commissie/Duitsland (C‑71/99, Jurispr. blz. I‑5811). Zie ook arresten van 11 september 2001, Commissie/Ierland (C‑67/99, Jurispr. blz. I‑5757), en Commissie/Frankrijk (C‑220/99, Jurispr. blz. I‑5831).


11 – Overigens zal een snelle uitvoering van maatregelen niet worden gehaald aangezien de lidstaten slechts met grote vertraging gebieden hebben voorgesteld. Volgens het tijdschema zoals voorgeschreven door de habitatrichtlijn had het Europees ecologisch netwerk vóór 10 juni 2004 tot stand moeten zijn gebracht.