Language of document : ECLI:EU:C:2007:424

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

D. RUIZ-JARABO COLOMER

van 10 juli 2007 1(1)

Zaak C‑300/06

Ursula Voß

tegen

Land Berlin

[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Sociale politiek – Gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers – Leraren in openbaar onderwijs – Vergoeding van deeltijdwerkers voor overwerk – Indirecte discriminatie – Vaststellingscriteria”





1.        Het Bundesverwaltungsgericht heeft het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 141 EG in verband met de vergoeding die – hoofdzakelijk vrouwelijke – deeltijdwerkers betaald krijgen voor overwerk.

2.        De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de nationale bepalingen die hij moet toepassen overeenkomstig het arrest van 27 mei 2004, Elsner-Lakeberg(2), tot een naar Europees recht verboden indirecte discriminatie leiden, nu de vergoeding op grond daarvan wordt vastgesteld op basis van de rang van de overwerker en niet in verhouding tot het salaris van voltijdwerkers.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Bepalingen van gemeenschapsrecht

3.        De gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid vormt als uitdrukking bij uitstek van de afschaffing van de ongelijke behandeling op arbeidsvlak(3) „een der grondslagen van de Gemeenschap”.(4)

4.        Dit beginsel is sinds 1957 verankerd in artikel 119 EG-Verdrag, dat bij het Verdrag van Amsterdam(5) artikel 141 EG is geworden. Laatstgenoemd artikel luidt als volgt:

„1.      Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2.      Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis‑ of minimumloon of ‑salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a)      dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf;

b)      dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor eenzelfde functie.

[...]”

B –    Bepalingen van Duits recht

5.        Overeenkomstig § 35, lid 2, van het Landesbeamtengesetz (wet houdende het ambtenarenstatuut voor de deelstaat Berlijn)(6) moet overwerk een uitzondering blijven; worden meer dan vijf overuren in de maand gemaakt, dan moet rusttijd, of, wanneer dit niet mogelijk is, een vergoeding worden toegekend.

6.        In § 4 van de Verordnung über die Gewährung von Mehrarbeitsvergütung für Beamte (besluit inzake overwerkvergoeding voor ambtenaren; hierna: „MVergV”)(7) is per overuur een vergoeding vastgesteld naar de rang van degene die overwerkt; in § 5, lid 2, punt 1, heet het verder dat drie lesuren in het onderwijs gelden als vijf volle uren.

II – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag

7.        U. Voß werkt als leerkracht voor de deelstaat Berlijn. Zij kreeg toestemming om tussen 15 juli 1999 en 29 mei 2000 deeltijdarbeid te verrichten naar rato van 23 lesuren per week, tegenover 26,5 uur voor voltijdleraren.

8.        Tussen 11 januari en 23 mei 2000 gaf zij 27 uur extra les. Overeenkomstig de MVergV diende zij hiervoor 1 075,14 DEM te ontvangen, maar zij vorderde een vergoeding die overeenkwam met die welke aan voltijdleraren werd betaald, zijnde 1 616,15 DEM.

9.        Dit verzoek werd afgewezen door de werkgever, maar niet door het Verwaltungsgericht, dat op grond van artikel 141 EG en artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG(8) oordeelde dat verzoekster recht had op een overwerkvergoeding berekend op basis van het uursalaris van de ambtenaren van haar rang.

10.      Het Bundesverwaltungsgericht (Tweede kamer) heeft de behandeling van het rechtstreekse beroep tot Revision tegen die uitspraak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Staat artikel 141 EG in de weg aan een nationale regeling volgens welke voltijd‑ en deeltijdambtenaren voor overwerk buiten de normale arbeidstijd dezelfde vergoeding ontvangen – waarvan het bedrag lager is dan het evenredige bedrag aan salaris dat voltijdambtenaren ontvangen voor een even lang gedeelte van hun normale arbeidstijd – wanneer vooral vrouwen in deeltijd werkzaam zijn?”

III – Procesverloop voor het Hof

11.      Voß, de Duitse regering en de Commissie hebben binnen de termijn van artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen gemaakt.

12.      Volgens Voß leidt de MVergV tot indirecte discriminatie van deeltijdwerkers, hoofdzakelijk leerkrachten, daar zij zonder objectieve rechtvaardiging minder worden betaald dan voltijdwerkers en de extra tijdbesteding volgens de rechtspraak voor deeltijdwerkers een zwaardere belasting vormt.

13.      De Duitse regering ontkent evenwel dat er sprake is van ongelijke behandeling, omdat aan de hand van de verschillende salarisbestanddelen kan worden vastgesteld dat de vergoeding, naargelang van de rang van de betrokkene, gelijk is voor alle bezoldigden en voor elk soort arbeidsuur.

14.      De Commissie legt de nadruk op de methode die wordt gebruikt om de vergoedingen te vergelijken; voor een doeltreffende controle moet namelijk elk bestanddeel van het salaris worden afgewogen – een globale beoordeling kan dus niet worden aanvaard. Vanuit deze premisse voert zij aan dat deeltijdleerkrachten onder de Duitse regeling voor dezelfde wekelijkse arbeidsduur minder betaald krijgen dan voltijdwerkers. Zou deze ongelijke behandeling meer vrouwen dan mannen treffen, dan is zij in strijd met artikel 141 EG.

15.      Na sluiting van de schriftelijke behandeling is niet om een mondelinge behandeling verzocht, zodat na de algemene vergadering van 5 juni 2007 in deze zaak conclusie kon worden genomen.

IV – Analyse van de prejudiciële vraag

16.      Om de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, dien ik eerst in te gaan op het verbod van discriminatie op het gebied van arbeid in de Europese context, waarvoor ik aanknoop bij wat ik in eerdere conclusies(9) heb uiteengezet; vervolgens komen de specifieke kenmerken van deeltijdarbeid – in het bijzonder de vergoeding daarvan – ter sprake en ten slotte ga ik nader in op de vraag van het Bundesverwaltungsgericht.

A –    Gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers in de Unie

17.      De discriminatie van de vrouw op de arbeidsmarkt is in grote mate hieraan te wijten dat zij traditioneel als de zwakkere werd beschouwd, die de gezinstaken voor haar rekening moest nemen.(10) Volgens de heilige Thomas van Aquino vormde de mannelijkheid het hoogtepunt van de natuur; de vrouw is „iets onvolmaakts en toevalligs”; „zij is van nature ondergeschikt aan de man, die een beter verstandelijk inzicht heeft, en onschuld sluit ongelijke behandeling niet uit”.(11) In dergelijke ideologie hoeft het niet te verbazen dat naar middeleeuws recht de vrouw de toestemming van haar vader of haar echtgenoot nodig had om vermogen te vervreemden, goederen te beheren of voor een rechtbank te verschijnen – ook al ging het er in werkelijkheid anders aan toe, zoals blijkt uit het feit dat in 1270 het volgende lid in de Sachsenspiegel (verzameling van Germaans gewoonterecht) werd ingelast: „daar vrouwen meer boeken lezen, zouden zij deze door vererving moeten verkrijgen”.(12)

18.      Miguel de Cervantes vertolkt deze seculiere karakterisering wanneer de geitenhoeder in zijn verhaal aan Don Quichot over Leandra spreekt van „[...] de natuurlijke aard van de vrouw, die wat de meesten betreft grillig en onbezonnen pleegt te zijn”. Vervolgens heeft hij het over „[...] de lichtzinnigheid der vrouwen, [...] haar onstandvastigheid, [...] haar dubbelzinnig optreden, [...] haar ijdele beloften, [...] haar trouwbreuk, en ten slotte [...] de weinige redelijkheid die zij tonen wanneer zij haar zinnen en gedachten richten”.(13)

19.      Geleidelijk gingen bepaalde auteurs, zoals Stuart Mill in 1869, de toestand van „burgerlijke slavernij” waarin gehuwde vrouwen waren, evenwel aanklagen(14); de handelingsonbekwaamheid van de vrouw werd in de burgerlijke wetboeken van de 19e eeuw, die op de Code Napoléon waren geïnspireerd, echter gehandhaafd.

20.      Ten tijde van de oprichting van de Europese Gemeenschappen kwam in de praktijk van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen nog niet veel terecht. Hoewel in de oorspronkelijke versie van het Verdrag van Rome alleen de gelijkheid van beloning was opgenomen, is genoemd beginsel toch een van de hoekstenen van het communautaire optreden geworden, dat ten grondslag ligt aan een groot aantal voorschriften(), waaronder met name de bepalingen inzake gelijkheid op het gebied van beloning(16), toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleiding en promotiekansen, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(17) of de sociale zekerheid.(18)

21.      Met het Verdrag van de Europese Unie van 1992(19) werd dit gemeenschapsbeleid inzake gelijkheid een autonoom en onafhankelijk beleid ten opzichte van het economisch beleid (voorheen artikel B EU-Verdrag en artikel 2 EG-Verdrag).

22.      Deze tendens is nog nadrukkelijker aanwezig in het Verdrag van Amsterdam van 1997, dat de Gemeenschap uitdrukkelijk opdraagt „[...] de gelijkheid van mannen en vrouwen [te bevorderen] [...]” (artikel 2), en het wegwerken van verschillen en het bevorderen van deze gelijkheid als doelstellingen aan de bestaande toevoegt (artikel 3). Verder werden in artikel 119 – na Amsterdam artikel 141 EG – twee nieuwe leden ingevoegd, bepalende dat de Raad de toepassing waarborgt van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep – ook wat beloning betreft –, en voorts dat een lidstaat maatregelen kan handhaven of aannemen waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

23.      Met het Verdrag van Nice van 2001 werd de reeds gemaakte vooruitgang bevestigd en werd artikel 13 EG gewijzigd; op grond van lid 1 daarvan kan de Raad „passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht [...] te bestrijden”.

24.      Deze vernieuwingen in het primaire recht, de historische ontwikkeling en de bevestiging van de afwijzing van onderscheid tussen werknemers op grond van geslacht hebben niet alleen geleid tot de vaststelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(20), maar ook tot de wijziging van richtlijn 76/207.(21)

25.      Al deze regels tegen discriminatie vermochten echter niet de tendens te keren die de samenleving al eeuwen kenmerkt, aangezien het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt weliswaar toeneemt, maar hun tewerkstellingsgraad(22) en salarisniveau niet vergelijkbaar(23) zijn met die van de mannen.

26.      Wetgevende initiatieven volstaan dus niet om een redelijker evenwicht tot stand te brengen. De hachelijke positie van de vrouw op arbeidsvlak is immers het gevolg van overtuigingen en gewoonten die diep geworteld zijn in eeuwenoude vooroordelen, zodat een mentaliteitswijziging nodig is om de historische fundamenten van deze achterstelling aan het wankelen te brengen. Het betreft een moeilijke, complexe en moeizame taak waarvoor iedereen, in het bijzonder de overheidsinstanties, zich moet inzetten.

27.      Het Hof van Justitie heeft deze taak opgenomen en draagt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid bij tot het ongedaan maken van de talrijke vormen van discriminatie die ook in zo vooruitstrevende rechtsstelsels als dat van de Europese Unie en haar lidstaten nog steeds bestaan.

B –    Deeltijdarbeid

1.      Algemene beschouwing

28.      Op gemeenschapsniveau wordt onder „deeltijdwerker” verstaan een „werknemer wiens normale arbeidsduur, berekend op weekbasis of als gemiddelde over een werkperiode van maximaal een jaar, minder is dan die van een vergelijkbare voltijdwerker”.(24)

29.      Omdat het een ruim begrip betreft, kunnen er vele, aan een verschillend doel beantwoordende arbeidsverhoudingen onder vallen, maar de snelle opmars van deeltijdarbeid heeft vooral te maken met het gebruik ervan, op grond van de flexibiliteit die het biedt(25), ter bevordering van de zogenoemde „verdeling van de arbeid”.(26)

30.      Bij dit soort arbeid is de arbeidstijd korter dan bij voltijdarbeid, in welk stelsel – dat het uitgangspunt van de wettelijke en collectieve regelingen vormt – het merendeel van de werknemers is tewerkgesteld. Het voornaamste kenmerk van deeltijdarbeid is dus gelegen in de arbeidsduur, waarop de overuren een weerslag hebben, zodat het maken van overuren in een stelsel van verminderde arbeidsduur herhaaldelijk is gekritiseerd.(27)

31.      Voorts moet worden vastgesteld dat meer vrouwen dan mannen deeltijdarbeid verrichten, omdat zij zo meer tijd hebben voor andere taken, zoals huishoudelijke taken(28), ofschoon de tijd die aan het gezin moet worden besteed varieert naargelang van het aantal gezinsleden, de leeftijd van de kinderen, eventuele afhankelijke personen, culturele en sociale gewoonten, de beschikbare economische middelen, de omgeving(29) en andere omstandigheden van alle aard.

2.      Discriminatie op het gebied van bezoldiging

a)      Algemene overwegingen

32.      De verhouding tussen deeltijd‑ en voltijdarbeidsovereenkomsten wordt beheerst door het grondbeginsel van de gelijkheid, dat een minder gunstige behandeling op grond van deeltijdarbeid verbiedt, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.(30) Het beginsel berust hierop, dat de verschillen tussen de beide overeenkomsten uitsluitend de arbeidsduur betreffen, daar voor het overige identieke rechten en verplichtingen gelden.

33.      De gelijkheid geldt ook op het gebied van de bezoldiging(31), daar deze in verhouding moet staan tot de duur van de arbeid.(32) Maar het loon wordt gevormd door bestanddelen van diverse aard, waarvan sommige losstaan van de arbeidsduur, zodat zij niet noodzakelijk in de afweging moeten worden betrokken.(33) Gelijkheid houdt dus niet in dat een lineair of eenzelfde standpunt moet worden ingenomen, daar dat tot absurde situaties kan leiden. (34)

34.      Het Hof van Justitie heeft discriminatie op grond van geslacht bij de vergoeding van deeltijdwerkneemsters ten aanzien van mannelijke collega’s met een voltijdbaan onderzocht.(35)

35.      In het arrest Jenkins(36) van 31 maart 1981 heeft het Hof uitspraak gedaan over het beroep van een vrouw met een deeltijdbaan, wiens uurloon minder bedroeg dan dat van een mannelijke collega met een voltijdbaan. Het Hof heeft geoordeeld dat het verschil in beloning tussen twee groepen werknemers het vroegere artikel 119 EEG-Verdrag schond, wanneer het een middel was om de beloning van deeltijdwerkers te verlagen en „deze groep werknemers uitsluitend dan wel voornamelijk uit vrouwen bestaat” (punt 15).

36.      In de lijn van het arrest Jenkins heeft het Hof jaren later de arresten van 13 mei 1986, Bilka(37), 13 juli 1989, Rinner-Kühn(38), en 27 juni 1990, Kowalska(39), gewezen. In het arrest Bilka heeft het Hof geoordeeld dat de uitsluiting van deeltijdwerkers, in het bijzonder vrouwen, van de bedrijfspensioenregeling het gemeenschapsrecht schendt, tenzij deze maatregel zijn verklaring vindt in factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. In het arrest Rinner-Kühn heeft het Hof een soortgelijk geval onderzocht en het heeft daarbij dezelfde schending vastgesteld, voor zover werknemers werden uitgesloten van de doorbetaling van loon bij ziekte. In het arrest Kowalska heeft het Hof in vergelijkbare omstandigheden beslist dat de werkgever zijn werknemer geen betaling mag weigeren van de overgangstoelage die bij beëindiging van de dienstbetrekking wordt toegekend.

37.      Ongelijke behandeling van – voor het merendeel vrouwelijke – deeltijdwerkers is ook vastgesteld in de arresten van 7 februari 1991, Nimz(40), inzake de proeftijd die nodig is om naar een hogere salarisgroep over te gaan, en 4 juni 1992, Böttel(41), over de lagere vergoeding die leden van de ondernemingsraad ontvingen voor het bijwonen van voor hen bestemde vormingscursussen.

38.      Recenter is in de arresten van 20 maart 2003, Kutz-Bauer(42), en 11 september 2003, Steinicke(43), onderzocht onder welke voorwaarden Duitse ambtenaren van een bepaalde leeftijd in een stelsel van deeltijdarbeid kunnen stappen; in het arrest van 23 oktober 2003, Schönheit en Becker(44), heeft het Hof de Bilka-doctrine herhaald, voor zover het in strijd met de gemeenschapsbepalingen heeft verklaard een wettelijke regeling die kan leiden tot „een verlaging van het pensioen van ambtenaren die althans een deel van hun loopbaan in deeltijd werkzaam zijn geweest, indien deze categorie ambtenaren uit veel meer vrouwen dan mannen bestaat” (punt 74).

b)      Vergelijkingscriteria

39.      Hoewel aan de genoemde uitspraken een gemeenschappelijk beginsel ten grondslag ligt, worden niet steeds dezelfde factoren in aanmerking genomen om discriminatie vast te stellen.

40.      In de zaak Helmig e.a., bijvoorbeeld, maakten vrouwelijke deeltijdwerkers die méér uren hadden gewerkt dan contractueel was overeengekomen, aanspraak op de toeslag waarin was voorzien bij een collectieve overeenkomst voor door voltijdwerkers gemaakte overuren. In het arrest van 15 december 1994(45) heeft het Hof benadrukt dat „van ongelijke behandeling sprake is, telkens wanneer de totale beloning die aan voltijdwerkers wordt betaald, bij hetzelfde aantal uren dat uit hoofde van een dienstbetrekking is gewerkt, hoger is dan de aan deeltijdwerkers betaalde” (punt 26). Zulks was in het bedoelde hoofdgeding niet het geval, daar beide groepen werknemers bij een gelijk aantal normale arbeidsuren of overuren dezelfde beloning kregen (punten 27‑29).(46)

41.      In het arrest van 31 mei 1995, Royal Copenhagen(47), heeft het Hof opnieuw aan een „globale” beoordeling gerefereerd (punt 18), ofschoon in het kader van stukwerk een eventueel verschil in de gemiddelde beloning van vrouwen en mannen „niet volstaat om tot discriminatie op het punt van de beloning te concluderen” (punt 22). In soortgelijke bewoordingen heeft het Hof in het arrest van 6 februari 1996, Lewark(48), met een beroep op de „totale beloning” (punt 25) geoordeeld dat als ongelijke behandeling moet worden aangemerkt de weigering om aan een vrouwelijke deeltijdwerknemer de vergoeding voor het bijwonen van vormingscursussen voor leden van de ondernemingsraad te betalen, op grond dat die cursussen weliswaar in de werktijd van voltijdwerknemers, maar buiten haar werktijd werden georganiseerd, zodat eerstgenoemden de betrokken vergoeding wél ontvingen (punt 26).

42.      In het arrest van 17 mei 1990, Barber(49), heeft het Hof evenwel verklaard dat werkelijke doorzichtigheid, waardoor een doeltreffende rechterlijke controle van ongelijkheid mogelijk is, niet kan worden verzekerd door de voordelen van verschillende aard die naargelang van de omstandigheden aan mannelijke en vrouwelijke werknemers worden toegekend, in hun totaliteit te vergelijken, maar wél door de afzonderlijke bestanddelen van de hun toegekende beloning te vergelijken (punt 34).

43.      De Barber-rechtspraak is in latere arresten overgenomen, onder meer in dat van 30 maart 2000, JämO(50), waarin het Hof het noodzakelijk heeft geoordeeld „het basisloon per maand van de vroedvrouwen met dat van de ziekenhuistechnici” te vergelijken (punt 44), of in het reeds aangehaalde arrest van 27 mei 2004, Elsner-Lakeberg, in verband met een regeling op grond waarvan de voltijd‑ of deeltijdwerkers slechts voor overuren werden vergoed wanneer die overuren meer dan drie uur per maand bedroegen. Het Hof heeft in dat arrest beslist dat de beloning uit hoofde van de normale arbeidstijden en die uit hoofde van de overuren afzonderlijk dienden te worden vergeleken (punt 15), op grond dat voor de beloning uit hoofde van overuren zowel voor deeltijd- als voor voltijdwerkers weliswaar dezelfde voorwaarden gelden, doch 3 overuren een grotere last betekenen voor deeltijdleraren dan voor voltijdleraren, zodat eerstgenoemden ten opzichte van laatstgenoemden „ongelijk behandeld” worden (punt 17).(51)

44.      Ik onderscheid in de rechtspraak bijgevolg twee benaderingen inzake de criteria die kunnen worden aangelegd om schending van het beginsel van gelijke beloning vast te stellen: de ene benadering gaat uit van een globale beoordeling, en de andere gaat uit van een onderzoek van elk bestanddeel afzonderlijk. De vraag welke van deze twee benaderingen de voorkeur verdient, ligt ten grondslag aan de prejudiciële vraag van het Bundesverwaltungsgericht.

45.      Dat er twee verschillende criteria zijn, is het Hof bekend, aangezien het ze in het arrest van 26 juni 2001, Brunnhofer(52), met elkaar in verband heeft gebracht. In die zaak ontving een vrouwelijke bankbediende, in tegenstelling tot een mannelijke collega van haar functiegroep, geen individuele toelage; in geding was daarbij of zij soortgelijke arbeid verrichtten. Het Hof heeft geoordeeld dat „gelijke beloning niet alleen ten aanzien van een globale beoordeling van de aan de werknemers toegekende voordelen, maar ook ten aanzien van ieder afzonderlijk bestanddeel van de beloning verzekerd moet zijn” (dictum, eerste streepje).

46.      Evenzeer met het doel om de twee criteria met elkaar te verzoenen merkt advocaat-generaal Jacobs in punt 32 van de conclusie in de reeds aangehaalde zaak JämO op dat wanneer om historische of andere redenen de beloningsstructuren zo complex zijn, dat de afzonderlijke onderdelen of de grondslagen waarop deze uitgekeerd worden moeilijk of onmogelijk los van elkaar kunnen worden gezien, het onrealistisch en zinloos zou zijn de afzonderlijke onderdelen van het totale loonpakket „los van elkaar te beschouwen”, zodat alleen een „globale beoordeling” mogelijk is.(53)

C –    Met de prejudiciële vraag aan de orde gesteld probleem

47.      De vergoeding van overuren vormt zonder enige twijfel een vergoeding die is onderworpen aan het in artikel 141 EG neergelegde beginsel van gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers.

48.      Volgens de rechtspraak is sprake van een met dit beginsel strijdige discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties (54); om dit punt te kunnen beoordelen moet worden uitgemaakt of de betrokken bepalingen voor werknemers van een bepaald geslacht ongunstiger gevolgen hebben(55), zonder uit het oog te verliezen dat het beginsel van gelijke beloning, evenals het non-discriminatiebeginsel waarvan het een bijzondere uitdrukking vormt, steeds vergelijkbare situaties veronderstelt.(56) Ook indirecte discriminatie kan niet worden aanvaard; daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer een regeling wordt vastgesteld die, hoewel in neutrale bewoordingen gesteld, veel meer vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij dit verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.(57)

49.      Om deze overwegingen op de onderhavige zaak te kunnen toepassen, moeten achtereenvolgens de volgende drie kwesties worden onderzocht: 1) is er sprake van ongelijke behandeling van voltijdwerkers en deeltijdwerkers of van nadelige gevolgen voor laatstgenoemden; 2) treft die ongelijke behandeling een groter aantal vrouwen dan mannen, en 3) is die ongelijke behandeling noodzakelijk om het nagestreefde doel te bereiken en is zij gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht?

1.      Vaststelling van discriminatie

a)      Probleemstelling

50.      Een voltijdleraar ontvangt een salaris dat wordt berekend op basis van 26,5 lesuren per week. Een deeltijdleraar krijgt een bedrag dat overeenkomt met de hem toegewezen 23 uur per week. Overuren worden in de beide gevallen op gelijke wijze vergoed, namelijk overeenkomstig de rang waartoe de overwerker behoort en ongeacht of hij voltijd- dan wel deeltijdarbeid verricht, met dien verstande dat de overwerkvergoeding lager ligt dan die welke een voltijdleraar voor een normaal lesuur betaald krijgt.(58)

51.      Doordat de uurvergoeding op deze wijze wordt bepaald, verdient een deeltijdleerkracht die overuren maakt die in de marge tussen zijn kortere arbeidstijdenregeling en de normale arbeidstijdenregeling voor voltijdarbeid vallen – en die dus tussen 23 en 26,5 uur per week werkt – naar verhouding minder dan iemand die voltijds werkt. Wanneer die leerkracht dus 3,5 uur méér werkt dan de 23 contractueel overeengekomen uren, krijgt hij niet het salaris van iemand die sowieso 26,5 uur les moet geven, daar deze 3,5 uur in de twee gevallen verschillend worden vergoed.(59)

52.      Zoals het Bundesverwaltungsgericht evenwel terecht stelt, kunnen geen nadelige gevolgen worden vastgesteld, wanneer uitsluitend enerzijds het lagere salaris van de deeltijdwerkers met het normale salaris van de voltijdwerkers, en anderzijds de aan elke groep betaalde overwerkvergoeding wordt vergeleken.

53.      Bijgevolg bestaat het probleem in de keuze van het vergelijkingscriterium.

b)      Voorgestelde oplossing

i)      Inleidende overwegingen

54.      Ik heb reeds uiteengezet dat in de rechtspraak het bewijs van schending van het beginsel van gelijke beloning wordt geleverd hetzij op grond van een globale beoordeling hetzij door middel van een onderzoek van de verschillende salarisbestanddelen.

55.      Deze twee criteria zijn onderling niet in tegenspraak, maar vullen elkaar aan en de toepassing ervan in een concrete zaak hangt af van de gegeven omstandigheden. Ook is er geen sprake van voorrang van het ene criterium op het andere, hoewel over het algemeen wordt overgegaan tot een onderzoek van de salarisbestanddelen en slechts occasioneel tot een globale beoordeling.

56.      Werd de oplossing gezocht door mechanische toepassing van een van beide criteria, dan zou worden voorbijgegaan aan de standpunten die ik heb uiteengezet over de communautaire gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers en over de specificiteit van deeltijdarbeid, alsmede aan de basisregel van artikel 141 EG dat gelijke arbeid gelijk moet worden beloond.

57.      Voorts is de verwijzing naar de brutobezoldiging of de bestanddelen daarvan dubbelzinnig, nu sommige van deze bestanddelen geen verband houden met de arbeidsduur, die zelf het hoofdkenmerk van deeltijdarbeidsovereenkomsten is. Ook de globale beoordeling van een aantal specifieke bestanddelen zou moeten worden aanvaard.

58.      Bovendien is de taak van het Hof van Justitie niet strak afgebakend; wanneer verschillende instrumenten ter beschikking staan, moet het Hof het instrument kiezen dat het meest in overeenstemming is met het doel van de gemeenschapsbepaling die het moet uitleggen.

ii)    Hoofdgeding

59.      Wanneer voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel wordt uitgegaan van de vergoeding van de normale arbeidsuren en die van de overuren, en uitsluitend de vergoedingen van elke soort onderling worden vergeleken, brengt dat geen inbreuk aan het licht, daar voor overuren van deeltijdwerkers en overuren van voltijdwerkers in wezen dezelfde vergoeding wordt betaald.

60.      Op die manier wordt evenwel geen rekening gehouden met de weerslag van de vergoeding voor beide soorten arbeidsuren – hoewel zij van dezelfde aard zijn – op het uiteindelijke salaris. Daarenboven is nooit gesteld dat het werk dat Voß na de contractueel overeengekomen arbeidstijd verricht, verschilt van het werk dat zij gedurende die tijd verricht dan wel van de taken die voltijdwerkers uitvoeren.

61.      Bijgevolg dient een globale beoordeling te worden gemaakt, waarbij homogene salarisbestanddelen worden afgewogen en rekening wordt gehouden met het beginsel dat gelijke arbeid gelijk moet worden beloond.

62.      Ik kan derhalve niet anders dan mij aansluiten bij de verklaringen van verzoekster en van de Commissie, dat het Hof moet onderzoeken of in onderhavig geval de overuren van deeltijdwerkers slechter worden betaald dan de arbeidsuren van voltijdwerkers in dezelfde tijdsspanne.

63.      Elk ander standpunt zou ertoe leiden dat het evenwicht in de verhouding tussen voltijd‑ en deeltijdwerkers ten koste van laatstgenoemden wordt verbroken.

64.      De discriminatie doet zich evenwel alleen voor in de tijdsspanne tussen het einde van elk van de twee contractueel overeengekomen arbeidstijdenregelingen, nu voltijdwerkers en deeltijdwerkers voor overuren buiten de voor een voltijdbaan geldende arbeidstijd gelijk worden vergoed.

65.      Ook mag de positie van de werkgever niet uit het oog worden verloren, die, zoals de Commissie heeft uiteengezet, om financiële redenen ertoe geneigd zou kunnen zijn deeltijdwerkers tot overwerk te verplichten om kosten te besparen.

2.      De vraag of de ongelijke behandeling vooral vrouwen treft

66.      Zodra een met het gemeenschapsrecht strijdige discriminatie is vastgesteld, staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of de meeste deeltijdarbeidsovereenkomsten door vrouwen wordt aangegaan – een vraag die hij overigens al bevestigend heeft beantwoord.(60)

3.      Bestaan van een rechtvaardiging

67.      Net als met betrekking tot het vorige punt, staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de ongelijke behandeling een geschikt middel is om het gewenste doel te bereiken en gerechtvaardigd is op objectieve gronden, die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. Ook in dit verband heeft de verwijzende rechter zijn standpunt al uiteengezet.(61)

V –    Conclusie

68.      Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:

„Artikel 141 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan deeltijdwerkers voor hun overuren tussen het einde van hun werkdag en die van voltijdwerkers een lagere vergoeding krijgen dan laatstgenoemden voor hun normale arbeidsuren, wanneer de ongelijke behandeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft en niet wordt aangetoond dat de betrokken regeling noodzakelijk is om een rechtmatig doel te bereiken en gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren, die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.”


1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.


2 – Zaak C-285/02, Jurispr. blz. I-5861.


3 – Quintanilla Navarro, B., Discriminación retributiva. Diferencias salariales por razón de sexo, Ed. Marcial Pons, Madrid, 1996, blz. 63-168.


4 – Arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455), punt 12.


5 – PB 1997, C 340, blz. 1.


6 – Nieuwe versie van 20 februari 1979 (GVBl. BE, blz. 368).


7 – Versie van de mededeling van 3 december 1998 (BGBl. I, blz. 3494).


8 – Richtlijn van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19).


9 – Conclusie bij het arrest van 21 juli 2005, Vergani (C-207/04, Jurispr. blz. I-7453), punten 19-38.


10 – Rodríguez-Piñero en Bravo-Ferrer, M., „La conciliación de la vida familiar y laboral de las personas trabajadoras (I)”, Relaciones Laborales, 1999/II, blz. 27.


11 – Summa Theologica, deel I, vraag 92, De schepping van de vrouw.


12 – Citaat overgenomen uit Rucqoui, A., „La mujer medieval: fin de un mito”, Cuadernos de Historia 16, Grupo 16, Madrid, 1985.


13 – Cervantes Saavedra, M., Don Quijote de la Mancha (De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha, vertaling door J. W. F. Werumeus Buning en C. F. A. van Dam, 11e druk, Querido, Amsterdam, 1992).


14 – Stuart Mill, J., Subjection of Women.


16 – Richtlijn 75/117, reeds aangehaald.


17 – Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40).


18 – Richtlijnen van de Raad 79/7/EEG van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24) en 86/378/EEG van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB L 225, blz. 40), gewijzigd bij richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 (PB 1997, L 46, blz. 20).


19 – PB 1992, C 191, blz. 1.


20 – Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 (PB L 303, blz. 16).


21 – Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van genoemde richtlijn (PB L 269, blz. 15).


22 – Rivas García, J., La Europa social, Ed. José María Bosch, Barcelona, 1999, blz. 77-80, toont met statistische gegevens aan dat in 1995 de gemiddelde tewerkstelling bij mannen 66,2 % en bij vrouwen 45 % bedroeg.


23 – In 2002 verdienden Europese vrouwen in de particuliere sector gemiddeld 18 % en in de openbare sector gemiddeld 13 % minder dan de mannen (Europeas discriminadas, EL PAÍS, 14 oktober 2002, blz. 12).


24 – Clausule 3, lid 1, van de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid in bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 (PB L 14, blz. 9). Voor de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: „IAO”) staat de uitdrukking voor „iedere werknemer wiens normale werktijd minder bedraagt dan die van voltijdwerkers in een vergelijkbare situatie” [artikel 1, sub a, van Overeenkomst nr. 175 inzake deeltijdwerk, vastgesteld op 24 juni 1994, van kracht sinds 28 februari 1998].


25 – Eerste alinea van de preambule, punten 3 en 4 van de algemene overwegingen en clausule 1, sub b, van de aangehaalde raamovereenkomst.


26 – Durán López, F., „La reducción del tiempo de trabajo: una aproximación al debate europeo”, Revista de Trabajo, nrs. 57 en 58, 1980, blz. 52.


27 – Cabeza Pereiro, J., en Losada Arochena, J.F., El nuevo régimen legal del trabajo a tiempo parcial, Ed. Comares, Granada, 1999, blz. 43-45, zetten uiteen welke bezwaren de rechtsleer heeft, zoals het disfunctioneren van overwerk ten aanzien van de premissen van de deeltijdarbeidsovereenkomst, de tegenstrijdigheid met het doel van arbeidsverdeling en met de flexibiliteit die deze overeenkomst kenmerkt, alsmede de fraude waartoe dergelijk overwerk leidt. Deze kritiek vindt weerklank in de lidstaten, zo bijvoorbeeld in Spanje, waar artikel 12, lid 4, sub c, van het werknemersstatuut [in de versie van Real Decreto-Ley 15/1998 van 27 november 1998 (BOE nr. 285, blz. 39188 e.v.)] overuren op algemene wijze verbiedt en vervangt door „aanvullende” uren; in Frankrijk maken de artikelen L. 212‑4-3 en L. 212-4-4 van de Code du Travail [Frans arbeidswetboek; gewijzigd bij wet 2005‑841 van 26 juli 2005 (JORF van 27 juli 2005)] eveneens gewag van „aanvullende uren”, en in Italië legt artikel 3 van Decreto-legislativo nr. 61 van 25 februari 2000, attuazione della direttiva 97/81/CE relativa all'accordo-quadro sul lavoro a tempo parziale (GURI nr. 66 van 20 maart 2000) een aantal beperkingen op.


28 – McRae, S., El trabajo a tiempo parcial en la Unión Europea: dimensión en función del sexo, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Luxemburg, 1996, identificeert de voor- en de nadelen van deeltijdarbeid voor vrouwen. Grossin, W., wees er in de inleiding bij de Spaanse editie van haar werk Trabajo y tiempo, Ed. Nova Terra, Barcelona, 1974, reeds op dat „het arbeidsleven het gehele leven van de werknemer bepaalt”. In casu stelt verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen zelf dat zij deeltijdarbeid verricht om haar gezins- en beroepsleven met elkaar te kunnen verzoenen.


29 – Beltrán Felip, R., „Las mujeres y el trabajo a tiempo parcial en España. Elementos para su análisis”, Cuaderno de Relaciones Laborales, nr. 17, 2000, blz. 145.


30 – Clausule 4, lid 1, van de aangehaalde raamovereenkomst, die de toepassing van dit beginsel evenwel tot „de arbeidsvoorwaarden” beperkt.


31 – Benavente Torres, M. I., El trabajo a tiempo parcial, Ed. Consejo Económico y Social de Andalucía, Sevilla, 2005, blz. 333.


32 – Artikel 5 van Overeenkomst nr. 175 van de IAO schrijft voor dat het loon „evenredig” moet zijn en moet worden „berekend per uur, volgens rendement of per stuk”.


33 – Het verschil tussen de salarisbestanddelen is aan de orde in punt 10 van aanbeveling nr. 182 van de IAO – van dezelfde datum als Overeenkomst nr. 175 –, waarin het heet dat ook deeltijdwerkers „op rechtvaardige basis” aanvullende financiële vergoedingen moeten kunnen genieten.


34 – Merino Senovilla, H., El trabajo a tiempo parcial, Ed. Lex Nova, Valladolid, 1994, blz. 136.


35 – Evenzo heeft het Hof uitspraak gedaan over andere aspecten van deeltijdarbeid. Van de meest recente uitspraken haal ik de volgende aan: arresten van 22 november 2005, Mangold (C-144/04, Jurispr. blz. I-9981), over de mogelijkheid om dit type van overeenkomsten onbeperkt te sluiten; 10 maart 2005, Nikoloudi (C‑196/02, Jurispr. blz. I-1789), over de berekening van de anciënniteit en de overgang naar een vast dienstverband; 12 oktober 2004, Wippel (C‑313/02, Jurispr. blz. I‑9483), over de arbeidsduur en de organisatie van de arbeidstijd.


36 – Zaak 96/80, Jurispr. blz. 911.


37 – Zaak 170/84, Jurispr. blz. 1607.


38 – Zaak 171/88, Jurispr. blz. 2743.


39 – Zaak C-33/89, Jurispr. blz. I-2591.


40 – Zaak C-184/89, Jurispr. blz. I-297.


41 – Zaak C-360/90, Jurispr. blz. I-3589.


42 – Zaak C‑187/00, Jurispr. blz. I‑2741.


43 – Zaak C-77/02, Jurispr. blz. I-9027.


44 – Zaken C-4/02 en C-5/02, Jurispr. blz. I-12575.


45 – Zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93, Jurispr. blz. I‑5727.


46 – Enerzijds immers ontvangt „een deeltijdwerknemer met een contractuele arbeidstijd van achttien uur voor het negentiende uur dezelfde totale beloning als een voltijdwerknemer voor negentien arbeidsuren ontvangt” (punt 28), daar het overuur als een normaal uur wordt vergoed; anderzijds „ontvangt de deeltijdwerknemer eveneens dezelfde totale beloning als de voltijdwerknemer wanneer hij de normale cao-arbeidstijd overschrijdt, want dan ontvangt ook hij de toeslag voor overuren” (punt 29).


47 – Zaak C-400/93, Jurispr. blz. I-1275.


48 – Zaak C-457/93, Jurispr. blz. I-243.


49 – Zaak C-262/88, Jurispr. blz. I-1889.


50 – Zaak C-236/98, Jurispr. blz. I-2189.


51 – Volgens het arrest stond het aan de verwijzende rechter na te gaan of de ongelijke behandeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen trof, en of dit verschil in behandeling beantwoordde aan een niet aan een bepaalde kunne gebonden doelstelling en noodzakelijk was om de nagestreefde doelstelling te bereiken (punt 18).


52 – Zaak C-381/99, Jurispr. blz. I-4961.


53 – In punt 44 van de conclusie stelt advocaat-generaal Jacobs verder dat „de algemene regel moet luiden dat bij de vergelijking van de beloningen van twee werknemers natuurlijk rekening wordt gehouden met het aantal gewerkte uren en dat een verschil hierin een verschil in beloning rechtvaardigt, zodat, om een extreem voorbeeld te geven, het duidelijk niet discriminerend zou zijn een man die voltijds werkt tweemaal zoveel te betalen als een vrouw die hetzelfde werk halftijds verricht, of een man die overwerkt meer dan een vrouw die niet overwerkt”.


54 – Arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, Jurispr. blz. I-225), punt 30; 13 februari 1996, Gillespie e.a. (C‑342/93, Jurispr. blz. I‑475), punt 16; en 27 oktober 1998, Boyle e.a. (C‑411/96, Jurispr. blz. I‑6401), punt 39.


55 – Arresten van 9 februari 1999, Seymour-Smith en Pérez (C-167/97, Jurispr. blz. I‑623), punt 58; en Schönheit en Becker, reeds aangehaald, punt 69.


56 – Arresten van 16 september 1999, Abdoulaye e.a. (C-218/98, Jurispr. blz. I‑5723), punt 16; en 29 november 2001, Griesmar (C-366/99, Jurispr. blz. I-9383), punt 39.


57 – Arresten van 30 november 1993, Kirsammer-Hack (C‑189/91, Jurispr. blz. I‑6185), punt 22; 2 oktober 1997, Gerster (C-1/95, Jurispr. blz. I-5253), punt 30, en Kording (C‑100/95, Jurispr. blz. I-5289), punt 16; 17 juni 1998, Hill en Stapleton (C‑243/95, Jurispr. blz. I‑3739), punt 34; 12 juli 2001, Jippes e.a. (C‑189/01, Jurispr. blz. I‑5689), punt 129; 12 december 2002, Rodríguez Caballero (C‑442/00, Jurispr. blz. I‑11915), punt 32; en reeds aangehaalde arresten Rinner-Kühn, punt 12; Lewark, punt 31, en Kutz-Bauer, punt 50.


58 – Anders dan wat volgens verzoekster gebruikelijk is, nu overuren gewoonlijk beter worden betaald, hoewel de Duitse regering het tegendeel beweert (punt 35 van haar opmerkingen).


59 – Zulks is niet het geval voor overuren buiten de voor een voltijdbaan geldende arbeidstijd, dat wil zeggen vanaf 26,5 uur; vanaf dat punt komen de beide situaties namelijk volledig overeen.


60 – Volgens de in punt 2 van de verwijzingsbeslissing weergegeven vaststelling van het Verwaltungsgericht waren in het voorjaar 2000 ongeveer 88 % van de deeltijdleraren in de deelstaat Berlijn vrouwen, wat in punt 19 van de verwijzingsbeslissing wordt herhaald.


61 – In punt 19 van de verwijzingsbeslissing heet het dat „nergens blijkt dat de lagere overwerkvergoeding berust op factoren die objectief gerechtvaardigd zijn, en niets met een discriminatie op grond van geslacht van doen hebben”.