Language of document : ECLI:EU:C:2008:406

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

11 juli 2008 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen – Tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Verzoek om niet-erkenning van beslissing inhoudende terugkeer van kind dat ongeoorloofd wordt vastgehouden in andere lidstaat – Prejudiciële spoedprocedure”

In zaak C‑195/08 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) bij beslissing van 30 april 2008, ingekomen bij het Hof op 14 mei 2008, in de procedure ingeleid door

Inga Rinau,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), J. Klučka, P. Lindh, en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffiers: C. Strömholm, administrateur, en M.‑A. Gaudissart, hoofd van administratieve eenheid,

gezien het verzoek van de verwijzende rechter van 21 mei 2008, ingekomen bij het Hof op 22 mei daaropvolgend, om de prejudiciële verwijzing aan een spoedprocedure overeenkomstig artikel 104 ter van het Reglement van de procesvoering te onderwerpen,

gezien de beslissing van de Derde kamer van 23 mei 2008 tot inwilliging van het verzoek,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 en 27 juni 2008,

gelet op de opmerkingen van:

–        mevrouw Rinau, vertegenwoordigd door G. Balčiūnas en G. Kaminskas, advokatai,

–        de heer Rinau, vertegenwoordigd door D. Foigt, advokatė,

–        de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en R. Mackevičienė als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Kemper als gemachtigde,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. During als gemachtigde,

–        de Letse regering, vertegenwoordigd door E. Balode-Buraka en E. Eihmane als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. ten Dam als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. Jenkinson als gemachtigde, bijgestaan door C. Howard, QC,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en A. Steiblytė als gemachtigden,

de advocaat-generaal gehoord,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1; hierna: „verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen mevrouw Rinau en de heer Rinau betreffende de terugkeer naar Duitsland van hun dochter Luisa, die door mevrouw Rinau in Litouwen wordt vastgehouden.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van ’s Gravenhage van 1980

3        Artikel 3 van het op 25 oktober 1980 te ’s Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: „Verdrag van ’s Gravenhage van 1980”), luidt:

„Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a)      dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b)      dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Het sub a bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die staat.”

4        Artikel 12 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 is als volgt verwoord:

„Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.

De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat redenen heeft om aan te nemen dat het kind naar een andere staat is meegenomen, kan zij de procedure schorsen of het verzoek tot terugkeer van het kind afwijzen.”

5        Artikel 13 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 luidt:

„Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:

a)      de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat

b)      er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.”

6        Het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 is op 1 december 1983 in werking getreden. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verdragsluitende staten.

 Gemeenschapsregeling

7        Punt 17 van de considerans van de verordening preciseert:

„In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 25 oktober 1980 van toepassing te blijven, zoals aangevuld door de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder artikel 11. De gerechten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, dienen in staat te zijn zich in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen tegen de terugkeer van het kind te verzetten. Een dergelijke beslissing moet evenwel kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waar het ontvoerde kind zich bevindt.”

8        Punt 21 van de considerans van de verordening bepaalt het volgende:

„De erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen gebaseerd te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven.”

9        Artikel 2 van de verordening luidt:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

4)      ‚beslissing’: een door een gerecht van een lidstaat uitgesproken echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, alsmede een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht de benaming van die beslissing, zoals arrest, vonnis of beschikking;

5)      ‚lidstaat van herkomst’: de lidstaat waar de ten uitvoer te leggen beslissing is gegeven;

6)      ‚lidstaat van tenuitvoerlegging’: de lidstaat waar tenuitvoerlegging van de beslissing wordt gevraagd;

7)      ‚ouderlijke verantwoordelijkheid’: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht;

8)      ‚persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt’: elke persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt;

[...]

11)      ‚ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind’: het overbrengen of niet doen terugkeren van een kind:

a)      wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of niet doen terugkeren, zijn gewone verblijfplaats had;

en

b)      indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het gezag wordt geacht gezamenlijk te worden uitgeoefend als een van de personen die, ingevolge een beslissing of van rechtswege, de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, de verblijfplaats van het kind niet kan bepalen zonder de instemming van een andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt.”

10      Artikel 8 van de verordening vermeldt:

„1.      Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2.      Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”

11      Artikel 10 van de verordening bevat de volgende bepaling:

„In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen [...]”.

12      Artikel 11 van de verordening luidt:

„1.      Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 25 oktober 1980 [...] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing.

2.      Bij de toepassing van de artikelen 12 en 13 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980 wordt ervoor gezorgd dat het kind tijdens de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, tenzij dit gezien zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam wordt geacht.

3.      Het gerecht waarbij een in lid 1 bedoeld verzoek om terugkeer van het kind is ingediend, beschikt met bekwame spoed, met gebruikmaking van de snelste procedures die in het nationale recht beschikbaar zijn.

Onverminderd de eerste alinea beslist het gerecht uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt.

4.      Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13, sub b, van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980 weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.

5.      Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet weigeren indien de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

6.      Indien een gerecht op grond van artikel 13 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980 een beslissing houdende de niet-terugkeer heeft gegeven, zendt het onmiddellijk, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van zijn centrale autoriteit, een afschrift van het bevel en van de desbetreffende stukken, met name het zittingsverslag toe aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zulks in overeenstemming met het nationale recht. Dit gerecht dient alle bedoelde stukken te ontvangen binnen een maand te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven.

7.      Tenzij één van de partijen zich reeds heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, stelt het gerecht of de centrale autoriteit die de in lid 6 bedoelde informatie ontvangt, de partijen daarvan op de hoogte en nodigt hen uit binnen drie maanden na de oproeping overeenkomstig het nationale recht conclusies in te dienen, opdat de rechterlijke instantie de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken.

Onverminderd de bevoegdheidsregels van deze verordening verklaart het gerecht de zaak gesloten indien het binnen die termijn geen conclusie heeft ontvangen.

8.      Niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980, is een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar, zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren.”

13      Hoofdstuk III van de verordening, dat de titel „Erkenning en tenuitvoerlegging” draagt, bevat de artikelen 21 tot en met 52. Afdeling 4 van bedoeld hoofdstuk III, getiteld „Uitvoerbaarheid van bepaalde beslissingen omtrent het omgangsrecht en bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich brengen”, bevat de artikelen 40 tot en met 45 van deze verordening.

14      Artikel 21, leden 1 en 3, van de verordening luidt:

„1.      De in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is.

[...]

3.      Onverminderd afdeling 4 kan elke belanghebbende volgens de procedures van afdeling 2 een verzoek om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van de beslissing indienen.”

15      Artikel 23 van de verordening bepaalt:

„Een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet erkend:

a)      indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]”

16      Artikel 24 van de verordening is als volgt verwoord:

„De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, sub a, en artikel 23, sub a, wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.”

17      Artikel 28, lid 1, van de verordening zet uiteen:

„Beslissingen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, en die betekend zijn, zijn in een andere lidstaat uitvoerbaar nadat zij aldaar op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar zijn verklaard.”

18      Artikel 31 van de verordening luidt:

„1.      De rechterlijke instantie waarbij het verzoek [om uitvoerbaarverklaring] is ingediend, doet daarover onverwijld uitspraak. Noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind wordt in deze stand van de procedure in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

2.      Het verzoek kan slechts om een van de in de artikelen 22, 23 en 24 genoemde redenen worden afgewezen.

3.      In geen geval wordt de juistheid van de beslissing onderzocht.”

19      In artikel 40 van de verordening is het volgende bepaald:

1.      Deze afdeling is van toepassing op:

[...]

b)      de terugkeer van een kind die voortvloeit uit een beslissing als bedoeld in artikel 11, lid 8.

2.      De bepalingen van deze afdeling vormen voor een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt geen beletsel om overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing te vragen.”

20      Artikel 42 van de verordening, dat de titel „Terugkeer van een kind draagt”, houdt de volgende regeling in:

1.      De in artikel 40, lid 1, sub b, bedoelde terugkeer van een kind, die voortvloeit uit een in een lidstaat gegeven uitvoerbare beslissing, wordt in een andere lidstaat erkend en is aldaar uitvoerbaar zonder dat een uitvoerbaarverklaring behoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning kan verzetten, indien met betrekking tot de beslissing in de lidstaat van herkomst een certificaat overeenkomstig lid 2, is afgegeven.

Ook indien het nationale recht niet bepaalt dat een overeenkomstig artikel 11, lid 8, gegeven beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, kan het gerecht in de lidstaat van herkomst de beslissing bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

2.      De rechter van de lidstaat van herkomst geeft het in artikel 40, lid 1, sub b, bedoelde certificaat slechts af indien:

a)      het kind in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, tenzij zulks vanwege zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht,

b)      de partijen in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord, en

c)      het gerecht bij het geven van de beslissing rekening heeft gehouden met de redenen en het bewijs op grond waarvan de beslissing ingevolge artikel 13 van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980 is gegeven.

Indien het gerecht of enige andere autoriteit maatregelen treft ter bescherming van het kind na diens terugkeer naar de staat van zijn gewone verblijfplaats, vermeldt het certificaat de bijzonderheden van die maatregelen.

De rechter van de lidstaat van herkomst geeft het certificaat ambtshalve af, met gebruikmaking van het in bijlage IV opgenomen modelformulier (certificaat betreffende de terugkeer).

Het certificaat wordt in de taal van de beslissing gesteld.”

21      Artikel 43 van de verordening luidt:

„1.      Het recht van de lidstaat van herkomst is van toepassing op een eventuele verbetering van het certificaat.

2.      Voor het overige staat tegen de afgifte van een certificaat overeenkomstig artikel 41, lid 1, of artikel 42, lid 1, geen rechtsmiddel open.”

22      Luidens artikel 44 van de verordening heeft „het certificaat [...] alleen gevolg binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de uitspraak”.

23      Artikel 60 van de verordening zet uiteen:

„In de betrekkingen tussen de lidstaten heeft deze verordening voorrang boven de volgende verdragen, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld:

[...]

e)      het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 25 oktober 1980 [...]”.

24      Artikel 68 van de verordening luidt:

„De lidstaten doen de Commissie mededeling van de in de artikelen 21, 29, 33 en 34 genoemde lijsten van gerechten en rechtsmiddelen, alsmede van de wijzigingen die daarin worden aangebracht.

De Commissie houdt deze gegevens bij en maakt deze door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie of door enig ander passend middel openbaar.”

25      Volgens de gegevens betreffende de gerechten en de rechtsmiddelen in de zin van artikel 68 van verordening nr. 2201/2003 (PB 2005, C 40, blz. 2), heeft de Republiek Litouwen uit hoofde van artikel 68, eerste alinea, aan de Commissie te kennen gegeven dat de in de artikelen 21 en 29 van de verordening bedoelde verzoeken alsook het in artikel 33 daarvan bedoelde rechtsmiddel bij het Lietuvos apeliacinis teismas (gerechtshof) worden ingediend c.q. ingesteld en dat de op het rechtsmiddel gegeven beslissing, bedoeld in artikel 34 van die verordening, enkel vatbaar is voor cassatieberoep bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Hooggerechtshof).

26      Uit deze gegevens volgt dat een verzoek om uitvoerbaarverklaring van een door een rechter van een andere lidstaat dan de Republiek Litouwen krachtens artikel 28 van de verordening gegeven beslissing, bij het Lietuvos apeliacinis teismas moet worden ingediend.

27      Krachtens artikel 72 ervan is de verordening, behoudens enkele artikelen, van toepassing met ingang van 1 maart 2005. De verordening is niet van toepassing op het Koninkrijk Denemarken.

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

28      Mevrouw Rinau, die de Litouwse nationaliteit bezit, en de heer Rinau, die de Duitse nationaliteit bezit, zijn op 27 juli 2003 gehuwd en hebben in Bergfeld (Duitsland) gewoond. Op 11 januari 2005 is hun dochter Luisa geboren. In de loop van de maand maart 2005 zijn de echtelieden Rinau apart gaan wonen, waarbij Luisa bij haar moeder is gebleven. Volgens de verwijzingsbeslissing is bij het Amtsgericht Oranienburg (Duitsland) een echtscheidingsprocedure ingeleid.

29      Na van de heer Rinau toestemming te hebben gekregen om met hun dochter het Duitse grondgebied te verlaten om twee weken vakantie door te brengen, is mevrouw Rinau op 21 juli 2006 met hun dochter en een zoon uit een eerste relatie Litouwen binnengegaan, waar zij tot op heden verblijft.

30      Op 14 augustus 2006 heeft het Amtsgericht Oranienburg het gezagsrecht over Luisa voorlopig toegekend aan haar vader. Op 11 oktober 2006 heeft het Brandenburgische Oberlandesgericht (Duitsland) het hoger beroep van mevrouw Rinau verworpen en de beslissing van het Amtsgericht Oranienburg bevestigd.

31      Op 30 oktober 2006 heeft de heer Rinau zich met het oog op de terugkeer van Luisa naar Duitsland, op grond van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 en de verordening, tot de Klaipėdos apygardos teismas (kantongerecht te Klaipėda, Litouwen) gewend. Dit gerecht heeft dit verzoek op 22 december 2006 verworpen.

32      Volgens de ter terechtzitting verstrekte informatie, is deze beslissing van 22 december 2006 door de advocaat van de heer Rinau doorgezonden naar de Duitse centrale autoriteit, die ze aan het Amtsgericht Oranienburg heeft meegedeeld. Later heeft de Litouwse centrale autoriteit een Duitse vertaling van die beslissing gezonden.

33      Op 15 maart 2007 heeft het Lietuvos apeliacinis teismas de beslissing van het Klaipėdos apygardos teismas herzien en de terugkeer van het kind gelast.

34      In de loop van de maand april 2007 heeft het Klaipėdos apygardos teismas bij beschikking de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Lietuvos apeliacinis teismas van 15 maart 2007 gelast. Deze laatste instantie heeft deze beschikking bij beslissing van 4 juni 2007 vernietigd. Zoals ter terechtzitting is verduidelijkt, is de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 maart 2007 meerdere malen opgeschort.

35      Mevrouw Rinau en de procureur-generaal van de Republiek Litouwen hebben op respectievelijk 4 juni 2007 en 13 juni 2007 het Klaipėdos apygardos teismas, met een beroep op nieuwe omstandigheden en het belang van het kind in de zin van artikel 13, eerste alinea, van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980, verzocht de procedure te heropenen. Dit gerecht heeft deze verzoeken op 19 juni 2007 afgewezen omdat de bevoegdheid daarover te beslissen niet bij hem lag, maar bij de Duitse gerechten. Het Lietuvos apeliacinis teismas heeft deze beslissing op daartoe strekkend hoger beroep van mevrouw Rinau op 27 augustus 2007 bevestigd. Deze beide laatste beslissingen zijn in cassatie bij arrest van 7 januari 2008 vernietigd door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas, dat bedoelde verzoeken naar het Klaipėdos apygardos teismas heeft terugverwezen.

36      Bij beslissing van 21 maart 2008 heeft het Klaipėdos apygardos teismas deze verzoeken opnieuw afgewezen. Deze beslissing is bij beslissing van 30 april 2008 door het Lietuvos apeliacinis teismas bevestigd. Op verzoek van mevrouw Rinau heeft het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas op 26 mei 2008 beslist, deze beslissingen in cassatie te behandelen, en de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 maart 2007 waarbij de terugkeer van Luisa naar Duitsland is gelast, opgeschort totdat het ten gronde zou hebben beslist.

37      In de tussentijd heeft het Amtsgericht Oranienburg op 20 juni 2007 de echtscheiding tussen de echtelieden Rinau uitgesproken. Het heeft het gezagsrecht over Luisa definitief aan de heer Rinau toegekend. Onder meer de beslissing van 22 december 2006 van het Klaipėdos apygardos teismas tot weigering van de terugkeer van het kind in overweging nemend, heeft het Amtsgericht met de inhoud van deze beslissing alsook met de naar voren gebrachte argumenten rekening gehouden en mevrouw Rinau gelast, het kind naar Duitsland terug te sturen en het onder het gezag van de heer Rinau te plaatsen. Mevrouw Rinau was niet op de terechtzitting aanwezig, maar was daar wel vertegenwoordigd en zij heeft opmerkingen ingediend. Het Amtsgericht Oranienburg heeft diezelfde dag bij zijn beslissing het in artikel 42 van de verordening bedoelde certificaat gevoegd.

38      Op 20 februari 2008 heeft het Brandenburgische Oberlandesgericht het hoger beroep van mevrouw Rinau tegen dat vonnis verworpen. Het heeft dit vonnis op het punt van het gezagsrecht over Luisa bevestigd en vastgesteld dat op mevrouw Rinau reeds de verplichting rustte het kind terug te brengen. Mevrouw Rinau was op de terechtzitting aanwezig en heeft opmerkingen ingediend.

39      Mevrouw Rinau heeft bij het Lietuvos apeliacinis teismas een verzoek ingediend strekkende tot niet-erkenning van de beslissing van het Amtsgericht Oranienburg van 20 juni 2007, voor zover daarbij het gezagsrecht over Luisa aan de heer Rinau is toegekend en de moeder is gelast het kind aan de vader over te dragen en onder diens gezag te plaatsen.

40      Op 14 september 2007 heeft het Lietuvos apeliacinis teismas een beschikking gegeven waarbij dit verzoek van mevrouw Rinau niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens dit gerecht bleek uit het uit hoofde van artikel 42 van de verordening door het Amtsgericht Oranienburg afgegeven certificaat, dat was voldaan aan alle voorwaarden voor afgifte van een dergelijk certificaat, zoals neergelegd in lid 2 van dit artikel. Van oordeel dat de beslissing van het Amtsgericht Oranienburg voor zover daarbij de terugkeer van het kind naar Duitsland werd gelast, onmiddellijk ten uitvoer had moeten worden gelegd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 4, van de verordening, zonder dat een bijzondere exequaturprocedure voor de erkenning en de tenuitvoerlegging hoefde te worden gevolgd, achtte het Lietuvos apeliacinis teismas niet-ontvankelijk het verzoek van mevrouw Rinau strekkende tot niet-erkenning van het onderdeel van de beslissing dat haar gelastte Luisa aan haar vader over te dragen en onder diens gezag te plaatsen.

41      Mevrouw Rinau heeft daarop bij het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas beroep tot cassatie ingesteld strekkende tot vernietiging van die beschikking en tot vaststelling van een nieuwe beslissing houdende inwilliging van haar verzoek om niet-erkenning van de beslissing van het Amtsgericht Oranienburg van 20 juni 2007, voor zover daarbij het gezagsrecht over Luisa aan de heer Rinau is toegekend en mevrouw Rinau is gelast, het kind aan de vader over te dragen en onder diens gezag te plaatsen.

42      In die omstandigheden heef het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Kan een belanghebbende in de zin van artikel 21 van [de] verordening [...] om niet-erkenning van een rechterlijke beslissing verzoeken zonder dat een verzoek om erkenning van de beslissing is ingediend?

2)      Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: hoe moet de nationale rechter bij zijn onderzoek van een verzoek om niet-erkenning van de beslissing dat is ingediend door degene jegens wie die beslissing uitvoerbaar is, artikel 31, lid 1, van [de] verordening [...] toepassen, waarin wordt bepaald dat ,[...] noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind in deze stand van de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord’?

3)      Moet de nationale rechter bij wie degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, een verzoek heeft ingediend strekkende tot niet-erkenning van de beslissing van het gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij de terugkeer van het bij hem wonende kind naar de staat van herkomst is gelast en waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 42 van [de] verordening [...] is afgegeven, dat verzoek onderzoeken op grond van bepalingen van de afdelingen 1 en 2, van hoofdstuk III van [de] verordening [...], zoals artikel 40, lid 2, van die verordening bepaalt?

4)      Wat betekent de in artikel 21, lid 3, van [de] verordening [...] gebruikte uitdrukking ,onverminderd afdeling 4’?

5)      Zijn het geven van een beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt en het afgeven van het in artikel 42 van [de] verordening [...] bedoelde certificaat door het gerecht van de lidstaat van herkomst nadat het gerecht van de lidstaat waar het kind ongeoorloofd wordt vastgehouden, een beslissing heeft gegeven die de terugkeer van het kind naar de staat van herkomst met zich brengt, in overeenstemming met de doelstellingen en de procedures van [de] verordening [...]?

6)      Betekent het in artikel 24 van [de] verordening [...] geformuleerde verbod van toetsing van de bevoegdheid van het gerecht van herkomst, dat de nationale rechter bij wie een verzoek om erkenning of niet-erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing is ingediend, die de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst niet mag toetsen en die geen andere in artikel 23 van [de] verordening [...] genoemde gronden voor niet-erkenning van de beslissing heeft vastgesteld, de door het gerecht van de lidstaat van herkomst gegeven beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, moet erkennen indien het gerecht van de lidstaat van herkomst de in de verordening bepaalde procedure voor het beslechten van de kwestie van de terugkeer van het kind niet in acht heeft genomen?”

 Spoedprocedure

43      Bij beslissing van 21 mei 2008, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 mei 2008, heeft het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas verzocht de prejudiciële verwijzing aan de in artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering voorziene spoedprocedure te onderwerpen.

44      De verwijzende rechter heeft dat verzoek onderbouwd onder verwijzing naar punt 17 van de considerans van de verordening, dat ziet op de onverwijlde terugkeer van een ontvoerd kind, en naar artikel 11, lid 3, van die verordening, waarin het gerecht waarbij een verzoek om terugkeer aanhangig is gemaakt een termijn van zes weken wordt gesteld om zijn beslissing te geven. De nationale rechter stelt de noodzaak om met spoed te handelen vast op grond van het feit dat elke vertraging zeer nadelige gevolgen heeft voor de relatie tussen het kind en de ouder bij wie het niet woont. De verslechtering van die relatie zou onherstelbaar kunnen zijn.

45      De verwijzende rechter baseert zich ook op de behoefte, het kind te beschermen tegen mogelijke schade, en de noodzaak een juist evenwicht te verzekeren tussen de belangen van het kind en die van de ouders, hetgeen ook het volgen van de spoedprocedure vereist.

46      Op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, heeft de Derde kamer van het Hof besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing aan de spoedprocedure te onderwerpen, in te willigen.

 Prejudiciële vragen

 Voorafgaande opmerkingen

47      Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), dat meerdere malen is gewijzigd, had tot doel de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken tussen de verdragsluitende staten te vergemakkelijken. Te dien einde heeft het bevoegdheidsregels en procedures voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in dergelijke zaken ingevoerd. Deze regels waren gebaseerd op het beginsel van vertrouwen van de gerechten van een verdragsluitende staat in de beslissingen genomen door de gerechten van een andere verdragsluitende staat, en omgekeerd. Dit verdrag is volgens artikel 1 ervan niet van toepassing op de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen en het huwelijksgoederenrecht.

48      Van oordeel dat het belang van het kind van doorslaggevend belang is bij elke vraag naar het gezagsrecht over dit laatste en dat het kind op internationaal vlak beschermd moet worden tegen de schadelijke gevolgen van een ongeoorloofde overbrenging of een ongeoorloofd niet doen terugkeren en dat procedures moeten worden vastgesteld om de onverwijlde terugkeer van het kind in de staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft te waarborgen en het omgangsrecht zeker te stellen, is het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 vastgesteld.

49      De benadering die is gekozen in de verdragen vermeld in de twee voorafgaande punten, is wat het huwelijk en de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, overgenomen in de verordening. Deze is van toepassing in burgerlijke zaken betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk alsmede op de toekenning, de uitoefening, de overdracht en de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

50      Overeenkomstig punt 21 van de considerans van de verordening, is deze gebaseerd op de opvatting dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen gebaseerd dienen te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en dat de gronden tot weigering van de erkenning tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven.

51      Volgens de punten 12 en 13 van de considerans van de verordening gaat deze uit van de opvatting dat het belang van het kind moet primeren, terwijl overeenkomstig punt 33 van de considerans deze verordening de eerbiediging dient te waarborgen van de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

52      De verordening beoogt met name een afschrikkingseffect te hebben voor de ontvoering van kinderen tussen lidstaten en in geval van ontvoering de onverwijlde terugkeer van het kind te bewerkstelligen.

53      Overeenkomstig punt 17 van de considerans van de verordening vormt deze een aanvulling op de bepalingen van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980, dat niettemin van toepassing blijft.

54      Krachtens artikel 60 ervan heeft de verordening voorrang boven het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980.

55      De prejudiciële vragen moeten in het licht van de opmerkingen in de punten 47 tot en met 54 van het onderhavige arrest en van de daar in herinnering gebrachte beginselen worden beantwoord.

 De vierde tot en met de zesde vraag

56      Met de vierde tot en met de zesde vraag, die tezamen en eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het geven van een beslissing door een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij de terugkeer van het kind wordt uitgesproken, en de afgifte van een certificaat uit hoofde van artikel 42 van de verordening in overeenstemming zijn met de doelstellingen en procedures van deze laatste, ingeval een gerecht van de lidstaat waar het kind ongeoorloofd wordt vastgehouden een beslissing heeft gegeven die de terugkeer van het kind naar de lidstaat van herkomst met zich brengt. De verwijzende rechter wenst ook te vernemen of artikel 24 van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat het gerecht van de lidstaat waar het kind ongeoorloofd wordt vastgehouden, de beslissing van het gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij de terugkeer van het kind wordt gelast, moet erkennen indien dit laatste de in de verordening voorziene procedure niet heeft geëerbiedigd.

57      Artikel 11, lid 8, van de verordening luidt dat „niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980, een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar [is], zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren”.

58      Volgens sommige bij het Hof ingediende opmerkingen heeft deze bepaling tot gevolg dat een certificaat uit hoofde van artikel 42 van de verordening enkel kan worden afgegeven indien voorafgaand een beslissing op grond van artikel 13 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 is gegeven waarbij is geweigerd de terugkeer van het kind te gelasten. Hieruit zou volgen dat in het hoofdgeding, als gevolg van het feit dat het Lietuvos apeliacinis teismas bij beslissing van 15 maart 2007 de terugkeer van het kind heeft gelast, de gerechten van de lidstaat van herkomst niet bevoegd waren een certificaat uit hoofde van voormeld artikel 42 af te geven, zoals het Amtsgericht Oranienburg bij beslissing van 20 juni 2007, bevestigd bij beslissing van 20 februari 2008 van het Brandenburgische Oberlandesgericht, heeft gedaan.

59      De uitlegging volgens welke geen certificaat uit hoofde van artikel 42 van de verordening kan worden afgegeven zonder voorafgaande beslissing waarbij is geweigerd de terugkeer van het kind te gelasten, moet worden gevolgd.

60      Dit is immers de uitlegging die volgt uit de verordening in haar geheel en uit artikel 11, lid 8, ervan in het bijzonder.

61      Na erin te hebben voorzien dat de in een lidstaat gegeven beslissing in de andere lidstaten wordt erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure is vereist, regelt de verordening de erkenning en de uitvoerbaarverklaring van de beslissingen op twee gebieden (artikelen 21, leden 1 en 3, 11, lid 8, 40, lid 1, en 42, lid 1). Volgens het eerste regelingsgebied kan om de vaststelling van een erkenningsbeslissing en de uitvoerbaarverklaring worden verzocht volgens de in hoofdstuk III, onderdeel 2, van de verordening voorziene procedures. Volgens het tweede regelingsgebied is de uitvoerbaarverklaring van sommige beslissingen inzake het omgangsrecht of waarbij de terugkeer van het kind wordt gelast, onderworpen aan de bepalingen van onderdeel 4 van dat hoofdstuk.

62      Dit laatste regelingsgebied sluit nauwgezet aan bij de bepalingen van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 en is, indien een aantal voorwaarden zijn vervuld, op de onmiddellijke terugkeer van het kind gericht.

63      De uitvoerbaarheid van een beslissing waarbij de terugkeer van een kind wordt gelast, die is gegeven na een beslissing waarbij is geweigerd de terugkeer te gelasten, geniet ofschoon zij intrinsiek samenhangt met de overige door de verordening geregelde materies, met name het gezagsrecht, procedurele autonomie, teneinde de terugkeer van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht naar of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan die waarin het onmiddellijk vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, niet te vertragen.

64      De procedurele autonomie van het bepaalde in de artikelen 11, lid 8, 40 en 42 van de verordening en de voorrang die in het kader van hoofdstuk III, afdeling 4, van de verordening aan de bevoegdheid van het gerecht van herkomst wordt gegeven, komen tot uiting in de artikelen 43 en 44 van de verordening, bepalende dat het recht van de lidstaat van herkomst van toepassing is op elke verbetering van het certificaat, dat tegen de afgifte van een certificaat geen rechtsmiddel openstaat en dat het certificaat alleen gevolg heeft binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de uitspraak.

65      Het voorbehoud dat in artikel 21, lid 3, van de verordening wordt gemaakt door het gebruik van de bewoordingen „onverminderd afdeling 4”, waar de als vierde gestelde vraag van de verwijzende rechter betrekking op heeft, heeft tot doel te verduidelijken dat waar deze bepaling elke belanghebbende de mogelijkheid biedt, om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van de in een lidstaat gegeven beslissing te verzoeken, zulks niet uitsluit, wanneer de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, dat op de regeling van de artikelen 11, lid 8, 40 en 42 een beroep kan worden gedaan voor het geval van terugkeer van een kind nadat een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven, nu deze regeling voorrang heeft boven die voorzien in hoofdstuk III, afdelingen 1 en 2.

66      Benadrukt moet worden dat de procedure die is voorzien voor het geval van terugkeer van een kind nadat een beslissing is gegeven waarbij is geweigerd de terugkeer te gelasten, het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 overneemt en versterkt. Meer bepaald is de termijn om te beslissen op een verzoek inzake niet-terugkeer zeer kort. Bovendien kan een gerecht dat krachtens de verordening bevoegd is een definitieve beslissing geven waarbij de terugkeer wordt gelast. Ten slotte eindigt de procedure doordat voor de beslissing een certificaat wordt afgegeven. Daardoor verkrijgt de beslissing bijzondere uitvoerbaarheid, waarbij de voorwaarden voor toekenning en de gevolgen van het certificaat uitdrukkelijk in de verordening zijn gedefinieerd.

67      Zo volgt aangaande de voorwaarden voor toekenning uit artikel 42, lid 2, van de verordening dat de rechter van de lidstaat van herkomst die de beslissing bedoeld in artikel 40, lid 1, sub b, van die verordening heeft gegeven, het certificaat slechts afgeeft indien:

„a)      het kind in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, tenzij zulks vanwege zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam werd geacht,

b)      de partijen in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord, en

c)      het gerecht bij het geven van de beslissing rekening heeft gehouden met de redenen en het bewijs op grond waarvan de beslissing ingevolge artikel 13 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 is gegeven.”

68      De afgifte van een certificaat heeft tot gevolg dat, zodra deze heeft plaatsgevonden, de beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt bedoeld in artikel 40, lid 1, sub b, wordt erkend en uitvoerbaar is in een andere lidstaat, zonder dat enige uitvoerbaarverklaring vereist is en zonder dat tegen de erkenning ervan verzet kan worden aangetekend.

69      Er zij aan herinnerd dat deze regeling enkel van toepassing is in geval van de terugkeer van een kind nadat een beslissing inhoudende de niet-terugkeer als bedoeld in artikel 11, lid 8, van de verordening is gegeven.

70      In die zin pleit artikel 11, lid 8, bepalende dat „niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 1980, [...] een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar [is], zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren”.

71      Ofschoon de uitdrukking „niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer” een zekere dubbelzinnigheid bevat, wijst de omstandigheid dat zij gekoppeld is aan de woorden „een latere beslissing” erop dat er een chronologisch verband bestaat tussen een beslissing, namelijk die waarbij de niet-terugkeer is uitgesproken, en de latere beslissing. Deze formulering laat er geen twijfel over bestaan dat eerstbedoelde beslissing voorafgaat.

72      Punt 17 van de considerans van de verordening bevestigt deze uitlegging door te verduidelijken dat een beslissing inhoudende de niet-terugkeer „moet [...] kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had”.

73      Voorts volgt uit artikel 42, lid 2, sub c, van de verordening, op grond waarvan het gerecht rekening moet houden met de redenen en het bewijs op grond waarvan de beslissing ingevolge artikel 13 van het Verdrag van ’s Gravenhage van 1980 is gegeven, dat dit gerecht pas uitspraak kan doen nadat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een beslissing is gegeven waarbij is geweigerd de terugkeer van het kind te gelasten.

74      Bijgevolg is artikel 40, lid 1, sub b, van de verordening een bepaling die enkel toepassing vindt nadat eerst in de lidstaat van tenuitvoerlegging een beslissing is gegeven waarbij de terugkeer van het kind is geweigerd.

75      De gevolgen die in de in punt 58 van het onderhavige arrest vermelde opmerkingen aan deze uitlegging worden verbonden, kunnen echter niet worden aanvaard.

76      Artikel 11, lid 3, van de verordening vereist immers dat de gerechten waarbij een verzoek om terugkeer is ingediend, met bekwame spoed beschikken, met gebruikmaking van de snelste procedures die in het nationale recht beschikbaar zijn. Ingevolge de tweede alinea van diezelfde bepaling moet bovendien, onverminderd die doelstelling van voortvarendheid, de beslissing worden gegeven uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt.

77      Meer bepaald voorziet lid 6 van bedoeld artikel 11 dat, indien een gerecht een beslissing inhoudende de niet-terugkeer heeft gegeven, het onmiddellijk, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van zijn centrale autoriteit, een afschrift van die gerechtelijke beslissing en van de desbetreffende stukken, met name het zittingsverslag, toezendt aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of zijn niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had. De spoedeisendheid van die stappen volgt ook uit de laatste volzin van datzelfde lid, dat bepaalt dat het gerecht van de lidstaat van herkomst „alle bedoelde stukken [dient te] ontvangen binnen een maand te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven”.

78      Deze bepalingen beogen niet alleen te verzekeren dat het kind onmiddellijk terugkeert naar de lidstaat waar het vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, maar ook het gerecht van de lidstaat van herkomst in de gelegenheid te stellen, de redenen en de bewijsstukken te evalueren op grond waarvan de beslissing inhoudende de niet-terugkeer is genomen.

79      Meer bepaald moet het gerecht van de lidstaat van herkomst onderzoeken of de in punt 67 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden zijn vervuld.

80      Nu deze beoordeling op de voet van de artikelen 10 en 40, lid 1, sub b, van de verordening in laatste instantie aan het gerecht van de lidstaat van herkomst toekomt, zijn procesincidenten die zich nadat een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven voordoen of opnieuw voordoen in de lidstaat van tenuitvoerlegging, niet doorslaggevend. Zij kunnen worden geacht geen gevolgen te hebben voor de tenuitvoerlegging van de verordening.

81      Indien dit niet het geval was, zou de verordening haar nuttig effect kunnen worden ontnomen, daar aan de doelstelling van onmiddellijke terugkeer van het kind dan de voorwaarde gekoppeld zou blijven dat alle procedures die toelaatbaar zijn volgens het nationale recht van de lidstaat waar het kind ongeoorloofd wordt vastgehouden, zijn uitgeput. Dit risico moet temeer voor ogen worden gehouden nu de biologische tijd bij jonge kinderen, gezien de intellectuele en psychologische constitutie van deze kinderen en de snelheid waarmee deze zich ontwikkelt, niet volgens algemene criteria kan worden gemeten.

82      Hoewel de verordening niet tot doel heeft, de regels van materieel recht en de procedureregels van de verschillende lidstaten eenvormig te maken, is het niettemin van belang dat de toepassing van die nationale regels geen afbreuk doet aan het nuttig effect van de verordening (zie naar analogie, aangaande het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, arresten van 15 mei 1990, Hagen, C‑365/88, Jurispr. blz. I‑1845, punten 19 en 20; 7 maart 1995, Shevill e.a., C‑68/93, Jurispr. blz. I‑415, punt 36, en 27 april 2004, Turner, C‑159/02, Jurispr. blz. I‑3565, punt 29).

83      Bovendien is deze uitlegging in overeenstemming met de vereisten en de doelstelling van de verordening en is zij de enige die de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht optimaal verzekert.

84      Zij vindt daarenboven steun in twee elementen. Het eerste is gebaseerd op de bewoordingen „een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt” in artikel 11, lid 8, van de verordening. Deze bewoordingen brengen tot uitdrukking dat het gerecht van de lidstaat van herkomst, zodra de beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven, gehouden kan zijn een of meerdere beslissingen te geven teneinde de terugkeer van het kind te bewerkstelligen, daaronder begrepen in gevallen van een procedurele of feitelijke impasse. Het tweede is een systematisch element en berust op het feit dat, anders dan de in de artikelen 33 tot en met 35 van de verordening voorziene procedure voor het verzoek om uitvoerbaarverklaring, beslissingen uit hoofde van hoofdstuk III, afdeling 4, van de verordening (omgangsrecht en terugkeer van het kind) door het gerecht van de lidstaat van herkomst uitvoerbaar kunnen worden verklaard zonder dat daartegen in de lidstaat van herkomst of in die van tenuitvoerlegging een rechtsmiddel kan worden ingesteld.

85      Doordat de verordening tegen de afgifte van een certificaat uit hoofde van artikel 42, lid 1, ieder ander rechtsmiddel dan een verzoek om verbetering in de zin van artikel 43, lid 1, uitsluit, beoogt zij te voorkomen dat de doeltreffendheid van de bepalingen ervan in het gedrang komt door misbruik van procedure. Daarenboven maakt artikel 68 onder de rechtsmiddelen geen melding van een rechtsmiddel tegen beslissingen uit hoofde van hoofdstuk III, onderdeel 4, van de verordening.

86      Deze overwegingen beantwoorden aan de specifieke punten van het geding in de hoofdzaak.

87      In de eerste plaats lijkt het erop dat de opeenvolgende beslissingen van de Litouwse gerechten, die zowel betrekking hebben op het verzoek om terugkeer als op het verzoek om niet-erkenning van de beslissing waarvoor overeenkomstig artikel 42 van de verordening een certificaat is afgegeven, de in die laatste bepaling voorziene procedurele autonomie niet heeft geëerbiedigd. Bovendien bewijzen het aantal beslissingen en de verscheidenheid ervan (vernietigingen, herzieningen, heropeningen, opschortingen) dat, zelfs indien de snelst mogelijke interne procedures zijn gevolgd, op de datum van afgifte van het certificaat de reeds verstreken termijnen kennelijk in strijd waren met de vereisten van de verordening.

88      Rest nog te preciseren dat nu er geen twijfel is geuit over de echtheid van het door het Amtsgericht Oranienburg afgegeven certificaat en dit alle in artikel 42 van de verordening vereiste elementen bevatte, een beroep tegen de afgifte van het certificaat of verzet tegen de erkenning ervan overeenkomstig artikel 43, lid 2, van de verordening slechts kon worden afgewezen, daar het aangezochte gerecht enkel de uitvoerbaarheid kan vaststellen van de beslissing waarvoor een certificaat is afgegeven.

89      Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de vierde tot en met de zesde vraag worden geantwoord dat zodra een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven en aan het gerecht van de lidstaat van herkomst ter kennis is gebracht, het voor de afgifte van het certificaat voorzien in artikel 42 van de verordening irrelevant is of die beslissing is opgeschort, herzien, vernietigd of, hoe dan ook, geen kracht van gewijsde heeft gekregen of is vervangen door een beslissing waarbij de terugkeer wordt gelast, zolang het kind niet daadwerkelijk is teruggekeerd. Nu geen twijfel is geuit over de echtheid van dat certificaat en dit overeenkomstig het formulier waarvan model in bijlage IV bij deze verordening is opgemaakt, is verzet tegen de erkenning van de beslissing waarbij de terugkeer wordt gelast ontoelaatbaar en kan het aangezochte gerecht enkel de uitvoerbaarheid vaststellen van de beslissing waarvoor een certificaat is afgegeven en de onmiddellijke terugkeer van het kind gelasten.

 Eerste vraag

90      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een belanghebbende in de zin van artikel 21 van de verordening om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing kan verzoeken, zonder dat een verzoek om erkenning van diezelfde beslissing is ingediend.

91      Het op de vierde tot en met de zesde vraag gegeven antwoord sluit de mogelijkheid van een verzoek om niet-erkenning uit ingeval een beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt is gegeven en daarvoor overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 11, lid 8, en 42 van de verordening een certificaat is afgegeven.

92      Deze mogelijkheid kan evenwel niet algemeen worden uitgesloten.

93      Artikel 21, lid 3, van de verordening bepaalt immers dat „onverminderd afdeling 4, [...] elke belanghebbende volgens de procedures van afdeling 2 een verzoek om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van de beslissing [kan] indienen”. De tweede alinea van dat lid legt daartoe de regels voor de relatieve bevoegdheid vast.

94      Evenmin is uitgesloten dat een verzoek om niet-erkenning van een beslissing leidt tot de incidentele erkenning ervan, in welk geval lid 4 van bedoeld artikel 21 van toepassing zou zijn.

95      De mogelijkheid een verzoek om niet-erkenning in te dienen zonder dat daaraan voorafgaand een verzoek om erkenning is ingediend, kan beantwoorden aan verschillende doelstellingen, te weten materiële, die met name verband houden met het belang van het kind of de stabiliteit en de rust binnen het gezin, of procedurele, doordat vroegtijdig bewijsmiddelen kunnen worden overgelegd die in de toekomst wellicht niet meer beschikbaar zijn.

96      Bij het verzoek om niet-erkenning moet evenwel de in hoofdstuk III, afdeling 2, van de verordening voorziene procedure worden gevolgd. Meer bepaald kan het slechts overeenkomstig de bepalingen van intern recht worden behandeld voor zover deze de toepassingssfeer en de werking van de verordening niet beperken.

97      Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat, behalve in gevallen waarin de procedure betrekking heeft op een beslissing waarvoor overeenkomstig de artikelen 11, lid 8, en 40 tot en met 42 van de verordening een certificaat is afgegeven, elke belanghebbende kan verzoeken om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing, ook indien niet voorafgaand een verzoek om erkenning van de beslissing is ingediend.

 Tweede vraag

98      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe artikel 31, lid 1, van die verordening moet worden uitgelegd, meer bepaald de zinsnede „noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind [...] in deze stand van de procedure in de gelegenheid [wordt] gesteld te worden gehoord”, ingeval moet worden overgegaan tot onderzoek van het verzoek om niet-erkenning van de beslissing dat is ingediend door de persoon jegens wie die beslissing uitvoerbaar is terwijl geen voorafgaand verzoek om erkenning is ingediend.

99      Het in punt 91 van het onderhavige arrest gemaakte voorbehoud is ook in het kader van deze vraag van toepassing.

100    Onder dat voorbehoud moet worden geoordeeld dat, ingeval een verzoek om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing wordt ingediend zonder dat een verzoek om erkenning van die beslissing is ingediend, artikel 31, lid 1, van de verordening moet worden uitgelegd in het licht van de specifieke opzet van hoofdstuk III, afdeling 2, van de verordening. Derhalve moet deze bepaling buiten toepassing blijven.

101    Artikel 31 van de verordening heeft immers betrekking op de uitvoerbaarverklaring. Het bepaalt dat in dat geval de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, niet in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. Een dergelijke procedure moet worden begrepen rekening houdend met het feit dat zij het exequatur betreft en eenzijdig is. Opmerkingen van bedoelde partij zijn ontoelaatbaar omdat de procedure anders declaratoir en op tegenspraak zou verlopen, hetgeen zou indruisen tegen de logica ervan, volgens welke de rechten van de verdediging door het in artikel 33 van de verordening voorziene rechtsmiddel worden gewaarborgd.

102    De situatie is anders in geval van een verzoek om niet-erkenning.

103    De reden voor dit verschil is gelegen in het feit dat de verzoeker in een dergelijke situatie degene is tegen wie het verzoek om uitvoerbaarverklaring had kunnen worden gericht.

104    Aangezien de in punt 101 vermelde vereisten hier niet langer gerechtvaardigd zijn, mag de partij tegen wie het verzoek om niet-erkenning is ingediend, niet verstoken blijven van de mogelijkheid om te worden gehoord.

105    Elke andere oplossing zou de doeltreffendheid van de actie van de verzoeker beperken, daar immers de procedure strekkende tot niet-erkenning gericht is op een negatieve vaststelling, die naar haar aard een procedure op tegenspraak vereist.

106    Zoals de Commissie betoogt, moet derhalve de verwerende partij, die erkenning nastreeft, in staat worden gesteld te worden gehoord.

107    Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 31, lid 1, van de verordening, voor zover het bepaalt dat noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind in deze stand van de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, niet van toepassing is op een procedure strekkende tot niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing die wordt ingeleid zonder dat met betrekking tot diezelfde beslissing voorafgaand een verzoek tot erkenning is ingediend. In een dergelijke situatie moet de verwerende partij, die erkenning nastreeft, in staat worden gesteld te worden gehoord.

 Derde vraag

108    Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationale rechter bij wie degene die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, een verzoek heeft ingediend strekkende tot niet-erkenning van de beslissing van het gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij de terugkeer van het kind naar de staat van herkomst is gelast, voor welke beslissing een certificaat als bedoeld in artikel 42 van de verordening is afgegeven, dat verzoek moet onderzoeken op grond van de bepalingen van de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk III van de verordening, zoals artikel 40, lid 2, van deze laatste bepaalt.

109    Zoals uit het op de vorige vragen gegeven antwoord volgt, is een verzoek om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing ontoelaatbaar wanneer een certificaat uit hoofde van artikel 42 van de verordening is afgegeven. In een dergelijke situatie is de beslissing waarvoor een certificaat is afgegeven uitvoerbaar zonder dat tegen de erkenning ervan verzet kan worden aangetekend.

110    Bijgevolg hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

111    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Zodra een beslissing inhoudende de niet-terugkeer is gegeven en aan het gerecht van de lidstaat van herkomst ter kennis is gebracht, is het voor de afgifte van het certificaat voorzien in artikel 42 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, irrelevant of die beslissing is opgeschort, herzien, vernietigd of, hoe dan ook, geen kracht van gewijsde heeft gekregen of is vervangen door een beslissing waarbij terugkeer wordt gelast, zolang het kind niet daadwerkelijk is teruggekeerd. Nu geen twijfel is geuit over de echtheid van dat certificaat en dit overeenkomstig het formulier waarvan model in bijlage IV bij deze verordening is opgemaakt, is verzet tegen de beslissing waarbij de terugkeer wordt gelast ontoelaatbaar en kan het aangezochte gerecht enkel de uitvoerbaarheid vaststellen van de beslissing waarvoor een certificaat is afgegeven en de onmiddellijke terugkeer van het kind gelasten.

2)      Behalve in gevallen waarin de procedure betrekking heeft op een beslissing waarvoor overeenkomstig de artikelen 11, lid 8, en 40 tot en met 42 van verordening nr. 2201/2003 een certificaat is afgegeven, kan elke belanghebbende verzoeken om niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing, ook indien niet voorafgaand een verzoek om erkenning van de beslissing is ingediend.

3)      Voor zover het bepaalt dat noch de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, noch het kind in deze stand van de procedure in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, is artikel 31, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 niet van toepassing op een procedure strekkende tot niet-erkenning van een gerechtelijke beslissing die wordt ingeleid zonder dat met betrekking tot diezelfde beslissing voorafgaand een verzoek tot erkenning is ingediend. In een dergelijke situatie moet de verwerende partij, die erkenning nastreeft, in staat worden gesteld te worden gehoord.

ondertekeningen


* Procestaal: Litouws.