Language of document : ECLI:EU:C:2008:157

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 maart 2008 (*)

„Artikel 81 EG, gelezen in samenhang met artikel 10 EG – Nationale regeling die reclame inzake tandverzorging verbiedt”

In zaak C‑446/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (België), rechtsprekend in correctionele zaken, bij beslissing van 7 december 2005, ingekomen bij het Hof op 14 december 2005, in de strafzaak tegen

Ioannis Doulamis,

in tegenwoordigheid van:

Union des Dentistes et Stomatologistes de Belgique (UPR),

Jean Totolidis,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann, J. Makarczyk (rapporteur), J.‑C. Bonichot en C. Toader, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        I. Doulamis, vertegenwoordigd door E. Koeune, avocat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. Hubert als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Arbault, O. Beynet en K. Mojzesowicz als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 81 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, sub g, EG en 10, tweede alinea, EG.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die tegen I. Doulamis, tandtechnicus, aanhangig is gemaakt wegens overtreding, enerzijds van de regelgeving inzake de uitoefening van de tandheelkunde en van de geneeskunde, en anderzijds van de wetgeving inzake reclame op het gebied van tandverzorging.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 3 van de wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging (Belgisch Staatsblad van 5 mei 1958, blz. 3542; hierna: „wet van 15 april 1958”) stelt gedragingen strafbaar die in strijd zijn met artikel 1 van deze wet, dat luidt als volgt:

„Niemand mag voor het verzorgen of voor het doen verzorgen door een al dan niet bevoegd persoon, in België of in het buitenland, van aandoeningen, letsels of afwijkingen van de mond en van de tanden rechtstreeks of indirect enige reclame maken, zoals door uitstallingen of uithangborden, door opschriften of platen die kunnen misleiden omtrent de wettelijke aard van de opgegeven activiteit, door prospectussen, circulaires, brochures, strooibiljetten, langs de pers, de ether of de bioscoop, door de belofte of het verlenen van allerhande voordelen, zoals kortingen, kosteloos vervoer van patiënten, of door optreden van ronselaars of klantenjagers.

Onder reclame, zoals in dit artikel omschreven, is niet begrepen het feit voor de mutualistische klinieken en poliklinieken ter kennis van hun leden te brengen de zitdagen en ‑uren, de naam van hun titularissen en de wijzigingen die ermede verband houden.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

4        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Doulamis wordt vervolgd onder meer omdat hij in een telefoongids reclame heeft gemaakt voor het Tandheelkundige laboratorium Jean DOULAMIS en voor de Tandheelkundige kliniek Jean DOULAMIS, wat de wet van 15 april 1958 verbiedt. De reclameadvertenties zijn respectievelijk in de pagina’s betreffende tandheelkundige laboratoria en in die betreffende tandheelkundige klinieken geplaatst. Deze advertenties bevatten objectieve informatie, zoals de aangeboden diensten, het adres, het telefoonnummer en de openingsuren van de twee praktijken.

5        Voor de verwijzende rechter heeft Doulamis betoogd dat reclame een voor de vrije economische mededinging noodzakelijk instrument is. Na aldus de artikelen 10 EG en 81 EG, gelezen in samenhang, te hebben ingeroepen, heeft hij onder verwijzing naar het arrest van 21 september 1988, Van Eycke (267/86, Jurispr. blz. 4769), gesteld dat, gezien het verbod voor de lidstaten maatregelen te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken, de tegen hem gerichte strafvervolging wegens reclame voor tandverzorging ongegrond is.

6        Dienaangaande heeft Doulamis betoogd dat de tandheelkundige kliniek waarvan hij eigenaar is, gezien de activiteit die er wordt uitgeoefend, beantwoordt aan de criteria van het begrip „onderneming” in de zin van artikel 81 EG, dat van toepassing is op de beoefenaars van vrije beroepen. De verwijzende rechter neigt tot de vaststelling dat de verdachte in het kader van de uitoefening van een vrij beroep en als exploitant en eigenaar van een tandheelkundige kliniek heeft gehandeld.

7        De verwijzende rechter vestigt er de aandacht op dat uit artikel 3, lid 1, sub g, EG, gelezen in samenhang met de artikelen 10, tweede alinea, EG en 81 EG, lijkt voort te vloeien dat een lidstaat geen maatregelen mag nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken.

8        Volgens de verwijzende rechter is het niet uitgesloten dat de bepalingen van de wet van 15 april 1958 het vrije handelsverkeer tussen de lidstaten kunnen belemmeren, voor zover zij de verwezenlijking van de doelstellingen van een eenheidsmarkt tussen de staten in gevaar kunnen brengen.

9        Onder verwijzing naar punt 89 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 september 2000, Pavlov e.a. (C‑180/98–C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451), stelt de verwijzende rechter dat, gezien de heterogeniteit van de vrije beroepen en de specifieke kenmerken van de markten waarop zij opereren, van geval tot geval moet worden nagegaan of een beperking van de handelingsvrijheid op de betrokken markt daadwerkelijk tot een beperking van de mededinging in de zin van artikel 81 EG leidt, in voorkomend geval mede gelet op andere bepalingen van het EG-Verdrag, zoals de artikelen 152 EG en 153 EG betreffende respectievelijk de volksgezondheid en de consumentenbescherming.

10      Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat uit het verslag van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 2004 over de mededinging op het gebied van de professionele dienstverlening [COM(2004) 83 def.], blijkt dat beperkingen inzake reclame in het kader van deze beroepen de vrije mededinging aantasten.

11      Daarop heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Moet artikel 81 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, sub g, EG en 10, tweede alinea, EG, aldus worden uitgelegd dat het [eraan] in de weg staat [dat] [...] een nationale wet, in casu de wet van 15 april 1958 [...], [...] (eenieder en) tandverzorgers verbiedt in het kader van een vrij beroep of een praktijk voor tandverzorging op welke wijze ook, hetzij rechtstreeks, hetzij indirect, reclame inzake tandverzorging te maken?”

 De prejudiciële vraag

 Ontvankelijkheid

12      De Belgische en de Italiaanse regering betwijfelen of het onderhavig verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.

13      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 38, en 19 februari 2002, Arduino, C‑35/99, Jurispr. blz. I‑1529, punt 24).

14      In uitzonderlijke omstandigheden staat het evenwel aan het Hof om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest Arduino, reeds aangehaald, punt 25, en arrest van 21 februari 2008, Part Service, C‑425/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).

15      In casu is evenwel aan geen enkele van deze voorwaarden voldaan.

16      De verwijzingsbeslissing beschrijft immers het feitelijke en juridische nationale kader waarin de voorgelegde vraag is gesteld. Daarenboven vermeldt de verwijzende rechter nauwkeurig de redenen waarom hij twijfelt over de uitlegging van het gemeenschapsrecht en het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof noodzakelijk heeft geacht.

17      Derhalve moet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel ontvankelijk is.

 Ten gronde

18      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 81 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, sub g, EG en 10, tweede alinea, EG, in de weg staat aan een nationale wet, zoals de wet van 15 april 1958, die eenieder en tandverzorgers verbiedt in het kader van een vrij beroep of een praktijk voor tandverzorging op welke wijze ook reclame inzake tandverzorging te maken, voor zover een dergelijk verbod de vrije mededinging zou kunnen aantasten.

19      Volgens vaste rechtspraak hebben de artikelen 81 EG en 82 EG als zodanig weliswaar slechts betrekking op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten, maar dit neemt niet weg dat deze artikelen, gelezen in samenhang met artikel 10 EG, dat een verplichting tot samenwerking in het leven roept, voorschrijven dat de lidstaten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, nemen of handhaven die het nuttig effect van de op ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (zie arrest van 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 46).

20      Het Hof heeft geoordeeld dat strijdigheid met de artikelen 10 EG en 81 EG bestaat wanneer een lidstaat het tot stand komen van met artikel 81 EG strijdige mededingingsregelingen oplegt of begunstigt of de werking ervan versterkt, dan wel de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers delegeert in plaats van zijn eigen regels te laten gelden (arrest Cipolla e.a., reeds aangehaald, punt 47).

21      Er moet echter worden opgemerkt dat een wet zoals die van 15 april 1958, die een reclameverbod voor tandverzorgers vaststelt, beantwoordt aan geen van de situaties waar artikel 10 EG juncto artikel 81 EG van toepassing is.

22      Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van zijn conclusie heeft vastgesteld, blijkt in de hoofdzaak uit niets dat de wet van 15 april 1958 een mededingingsregeling of een besluit van ondernemingen bevoordeelt, begunstigt of vastlegt. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenmin dat de betrokken lidstaat de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers zou hebben gedelegeerd in plaats van zijn eigen regels te laten gelden.

23      Zelfs in de veronderstelling ten slotte dat Doulamis, als eigenaar van een tandheelkundige kliniek, kan worden gekwalificeerd als „onderneming” in de zin van artikel 81 EG zoals uitgelegd door het Hof (zie in die zin arrest van 23 april 1991, Höfner en Elser, C‑41/90, Jurispr. blz. I‑1979, punt 21), blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat er in casu sprake is van een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging, of een onderling afgestemde feitelijke gedraging die de handel tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

24      Op de voorgelegde vraag dient derhalve te worden geantwoord dat artikel 81 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, sub g, EG en 10, tweede alinea, EG, niet in de weg staat aan een nationale wet, zoals de wet van 15 april 1958, die eenieder en tandverzorgers verbiedt in het kader van een vrij beroep of een praktijk voor tandverzorging op welke wijze ook reclame inzake tandverzorging te maken.

 Kosten

25      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 81 EG, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, sub g, EG en 10, tweede alinea, EG, staat niet in de weg aan een nationale wet, zoals de wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging, die eenieder en tandverzorgers verbiedt in het kader van een vrij beroep of een praktijk voor tandverzorging op welke wijze ook reclame inzake tandverzorging te maken.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.