Language of document : ECLI:EU:C:2007:740

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

29 november 2007 (*)

„Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikelen 3, 6 en 7 – Rechterlijke bevoegdheid – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Bevoegdheid voor echtscheiding – Verwerende partij die onderdaan en ingezetene van derde land is – Nationale bevoegdheidsregels die in exorbitant forum voorzien”

In zaak C‑68/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door de Högsta domstol (Zweden) bij beslissing van 7 februari 2007, ingekomen bij het Hof op 12 februari 2007, in de procedure

Kerstin Sundelind Lopez

tegen

Miguel Enrique Lopez Lizazo,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, J. Klučka, A. Ó Caoimh (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde;

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato;

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Himmanen als gemachtigde;

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en P. Dejmek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2116/2004 van de Raad van 2 december 2004, inzake Verdragen met de Heilige Stoel (PB L 367, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2201/2003”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een echtscheidingsprocedure die K. Sundelind Lopez heeft ingeleid tegen M. E. Lopez Lizazo.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        De punten 4, 8 en 12 van de considerans van verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB L 160, blz. 19), welke verordening met ingang van 1 maart 2005 is ingetrokken bij verordening nr. 2201/2003, luidden als volgt:

„(4)      De verschillen in sommige nationale regels inzake bevoegdheid en erkenning belemmeren het vrije verkeer van personen en de goede werking van de interne markt. Het is derhalve gerechtvaardigd de regels inzake jurisdictiegeschillen op het gebied van huwelijkszaken en zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid eenvormig te maken, zodat dankzij eenvoudiger formaliteiten de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen sneller en gemakkelijker verlopen.

[...]

(8)      Deze verordening dient te voorzien in samenhangende en eenvormige maatregelen voor een zo groot mogelijk personenverkeer. Derhalve is het noodzakelijk de verordening tevens toe te passen ten aanzien van de onderdanen van derde landen die een voldoende sterke band met het grondgebied van een van de lidstaten hebben, overeenkomstig de in deze verordening opgenomen bevoegdheidscriteria.

[...]

(12)      De gekozen bevoegdheidscriteria moeten steunen op het beginsel dat er een reëel aanknopingspunt moet bestaan tussen de belanghebbende en de lidstaat die de bevoegdheid uitoefent. Het besluit om bepaalde criteria op te nemen, houdt verband met het feit dat deze in verscheidene interne rechtssystemen worden gehanteerd en door de andere lidstaten worden aanvaard.”

4        Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, dat het opschrift „Algemene bevoegdheid” draagt, bepaalt:

„Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)      op het grondgebied waarvan:

–        de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

–        zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

–        de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

–        in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‚domicile’ (woonplaats) heeft;

b)      waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‚domicile’ (woonplaats) hebben.”

5        De artikelen 4 en 5 van deze verordening stellen de bevoegdheidsregels vast in gevallen waarin sprake is van een tegenvordering of een omzetting van scheiding van tafel en bed in echtscheiding.

6        Artikel 6 van deze verordening, dat het opschrift „Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5” draagt, bepaalt:

„De echtgenoot die:

a)      zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft; of

b)      onderdaan van een lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‚domicile’ (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft,

kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.”

7        Artikel 7 van verordening nr. 2201/2003, getiteld „Residuele bevoegdheid”, luidt als volgt:

„1.      Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.

2.      Tegenover een verweerder die zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van een lidstaat heeft en die hetzij niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‚domicile’ (woonplaats) niet op het grondgebied van een van die lidstaten heeft, kan een onderdaan van een lidstaat die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een andere lidstaat heeft, evenals de onderdanen van die lidstaat, zich beroepen op de aldaar geldende bevoegdheidsregels.”

8        Artikel 17 van deze verordening, getiteld „Toetsing van de bevoegdheid”, bepaalt:

„Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

 Nationale regeling

9        De Zweedse wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij [Lag (1904:26, blz. 1) om vissa internationella rättsförhållanden rörande äktenskap och förmynderskap, SFS 2005, nr. 431] bepaalt in artikel 2, lid 2, van hoofdstuk 3 ervan, dat huwelijkszaken aanhangig kunnen worden gemaakt bij een Zweedse rechterlijke instantie, indien de verzoekende partij een Zweeds onderdaan is en haar gewone verblijfplaats in Zweden heeft of heeft gehad sinds zij de leeftijd van 18 jaar bereikte.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      Sundelind Lopez, een Zweeds onderdaan, is gehuwd met Lopez Lizazo, een Cubaans onderdaan. Toen zij nog samenleefden, hadden de echtgenoten hun gezamenlijke woonplaats in Frankrijk. Thans is Sundelind Lopez nog steeds woonachtig in Frankrijk, doch woont haar man in Cuba.

11      Sundelind Lopez heeft op basis van de Zweedse wetgeving een vordering tot echtscheiding ingesteld bij het Stockholms tingsrätt (rechtbank van eerste aanleg te Stockholm). Bij beslissing van 2 december 2005 is deze vordering afgewezen op grond dat, ingevolge artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, de Franse rechterlijke instanties bevoegd waren, zodat artikel 7 zich verzette tegen toepassing van de Zweedse bevoegdheidsregels.

12      Bij uitspraak van 7 maart 2006 heeft de Svea hovrätt (Zweedse appèlrechter) het hiertegen ingestelde hoger beroep verworpen.

13      Daarop heeft Sundelind Lopez cassatieberoep ingesteld bij de Högsta domstol (Zweedse cassatierechter). Daarin stelt zij dat artikel 6 van verordening nr. 2201/2003, dat in een exclusieve bevoegdheid van de lidstaten op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening voorziet wanneer de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is, impliceert dat de exclusieve bevoegdheid van deze rechtelijke instanties niet geldt wanneer de verweerder geen van deze hoedanigheden heeft. Bijgevolg kan in casu het nationale recht een bevoegdheid voor de Zweedse rechterlijke instanties scheppen.

14      In zijn verwijzingsbeslissing merkt de Högsta domstol op dat in de onderhavige zaak de Zweedse rechterlijke instanties, anders dan de Franse rechterlijke instanties, hun bevoegdheid niet kunnen baseren op artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, maar uitsluitend op hun nationale recht. De uitlegging van artikel 7 van deze verordening is derhalve rechtstreeks van invloed op de uitspraak in het hoofdgeding. Het Hof heeft deze bepalingen nog niet uitgelegd.

15      In deze omstandigheden heeft de Högsta domstol besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

„Kan in het geval waarin de verwerende partij in een echtscheidingszaak haar gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft en zij evenmin onderdaan van een lidstaat is, een rechterlijke instantie van een lidstaat die niet bevoegd is op grond van artikel 3 [van verordening nr. 2201/2003], kennis nemen van de rechtsvordering, terwijl een rechterlijke instantie van een andere lidstaat daarvoor bevoegd kan zijn krachtens een van de bevoegdheidsregels van ditzelfde artikel 3?”

 Prejudiciële vraag

16      De verwijzende rechter wil met zijn prejudiciële vraag in wezen vernemen, of de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een echtscheidingsprocedure de verwerende partij haar gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft en evenmin onderdaan van een lidstaat is, de rechterlijke instanties van een lidstaat hun bevoegdheid om uitspraak in deze procedure te doen kunnen baseren op hun nationale recht, terwijl de rechterlijke instanties van een andere lidstaat bevoegd zijn krachtens artikel 3 van deze verordening.

17      In het hoofdgeding wordt niet betwist dat de Franse rechterlijke instanties overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 2201/2003 bevoegd zijn uit hoofde van deze verordening een uitspraak te doen op de vordering van Sundelind Lopez, hetzij – op grond van het tweede gedachtestreepje van deze bepaling – omdat de echtgenoten hun laatste gewone verblijfplaats in Frankrijk hadden en verzoekster hier nog steeds verblijft, hetzij – op grond van het vijfde gedachtestreepje van deze bepaling – omdat verzoekster haar gewone verblijfplaats in Frankrijk heeft en sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van haar echtscheidingsvordering in deze lidstaat verblijft.

18      Volgens de duidelijke bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 wordt de bevoegdheid in elke lidstaat uitsluitend door het nationale recht geregeld wanneer geen enkele rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van voornoemde verordening.

19      Volgens artikel 17 van verordening nr. 2201/2003, dat eveneens volkomen eenduidig is geformuleerd, moet voorts de rechterlijke instantie van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor zij krachtens voornoemde verordening niet bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd verklaren wanneer een rechterlijke instantie van een andere lidstaat bevoegd is krachtens deze verordening.

20      Aangezien de Franse rechterlijke instanties op basis van de criteria van artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 2201/2003 bevoegd zijn om uitspraak te doen op de in het hoofdgeding ingestelde vordering, kunnen de Zweedse rechterlijke instanties zich dus niet krachtens artikel 7, lid 1, van deze verordening bevoegd verklaren om volgens de regels van hun nationale recht uitspraak te doen op deze vordering, maar moeten zij zich overeenkomstig artikel 17 daarvan ambtshalve onbevoegd verklaren ten gunste van de Franse rechterlijke instanties.

21      Anders dan de Italiaanse regering stelt, doet het bepaalde in artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 hieraan niet af.

22      Dit artikel bepaalt weliswaar dat een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is, gelet op de exclusieve aard van de in de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 omschreven bevoegdheden, slechts krachtens deze bepalingen – en dus met uitsluiting van de bevoegdheidsregels van het nationale recht – kan worden gedaagd voor de rechterlijke instanties van een andere lidstaat, doch het verbiedt niet dat een verweerder die zijn gewone woonplaats niet in een lidstaat heeft en geen onderdaan van een lidstaat is, kan worden gedaagd voor een rechterlijke instantie van een lidstaat krachtens de in het nationale recht van die staat geldende bevoegdheidsregels.

23      Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 kan dit het geval zijn wanneer geen enkele rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd is krachtens de artikelen 3 tot en met 5 daarvan, omdat artikel 7, lid 2, van deze verordening in een dergelijke situatie bepaalt dat de verzoeker, wanneer hij onderdaan is van een lidstaat en zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat, zich aldaar evenals de onderdanen van laatstgenoemde staat tegenover een dergelijke verweerder kan beroepen op de in die staat geldende nationale bevoegdheidsregels.

24      Dit betekent echter nog niet dat artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 een algemene regel formuleert, inhoudend dat het bepalen van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van een lidstaat om kennis te nemen van echtscheidingsvorderingen ingesteld jegens een verweerder die niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft en geen onderdaan van een lidstaat is, in alle omstandigheden onder het nationale recht valt, ook wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd is krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van voornoemde verordening.

25      Een dergelijke uitlegging zou namelijk erop neerkomen dat wordt voorbijgegaan aan de heldere bewoordingen van de artikelen 7, lid 1, en 17 van verordening nr. 2201/2003, waarvan de toepassing, zoals uit de punten 18 tot en met 20 van dit arrest blijkt, niet afhangt van de hoedanigheid van de verweerder maar uitsluitend van de vraag of een rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd is krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003.

26      Deze uitlegging zou bovendien in strijd zijn met het doel dat door laatstgenoemde verordening wordt nagestreefd. Zoals immers uit de punten 4 en 8 van de considerans van verordening nr. 1347/2000 blijkt, waarvan de bepalingen betreffende de bevoegdheid om uitspraak te doen in echtscheidingszaken in wezen zijn overgenomen in verordening nr. 2201/2003, heeft deze verordening tot doel uniforme conflictregels in echtscheidingszaken in te voeren teneinde het vrije verkeer van personen zo ruim mogelijk te verzekeren. Verordening nr. 2201/2003 is dus ook van toepassing op onderdanen van derde landen die een voldoende sterke band met het grondgebied van een van de lidstaten hebben overeenkomstig de in deze verordening geformuleerde bevoegdheidscriteria, welke criteria volgens punt 12 van de considerans van verordening nr. 1347/2000 zijn gebaseerd op het beginsel dat een reëel aanknopingspunt moet bestaan tussen de betrokkene en de lidstaat die de bevoegdheid uitoefent.

27      In het hoofdgeding vloeit uit de toepassing van de bepalingen van artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 2201/2003 voort, dat een dergelijk aanknopingspunt bestaat met Frankrijk, doch niet met Zweden.

28      Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer de verweerder in het kader van een echtscheidingsprocedure niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft en geen onderdaan van een lidstaat is, de rechterlijke instanties van een lidstaat hun bevoegdheid om kennis te nemen van de ingestelde vordering niet kunnen baseren op hun nationale recht wanneer de rechterlijke instanties van een andere lidstaat bevoegd zijn krachtens artikel 3 van deze verordening.

 Kosten

29      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 6 en 7 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2116/2004 van de Raad van 2 december 2004, inzake Verdragen met de Heilige Stoel, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer de verweerder in het kader van een echtscheidingsprocedure niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft en geen onderdaan van een lidstaat is, de rechterlijke instanties van een lidstaat hun bevoegdheid om kennis te nemen van de ingestelde vordering niet kunnen baseren op hun nationale recht wanneer de rechterlijke instanties van een andere lidstaat bevoegd zijn krachtens artikel 3 van deze verordening.

ondertekeningen


* Procestaal: Zweeds.