Language of document : ECLI:EU:T:2007:196

Zaak T‑475/04

Bouygues SA en Bouygues Télécom SA

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Staatssteun – Mobiele telefonie – Wijziging van door Orange France en SFR te betalen vergoedingen voor UMTS-licenties – Beschikking houdende vaststelling dat geen sprake is van staatssteun”

Samenvatting van het arrest

1.      Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek van klachten

(Art. 87, lid 1, EG)

2.      Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Inleidende fase en contradictoire fase

(Art. 88, leden 2 en 3, EG; richtlijn 97/13 van het Europees Parlement en de Raad)

3.      Harmonisatie van wetgevingen – Telecommunicatiesector

(Richtlijn 97/13 van het Europees Parlement en de Raad)

1.      In de motivering van een handeling behoeven niet alle relevante gegevens feitelijk of rechtens te worden gespecificeerd, aangezien deze handeling moet worden beoordeeld aan de hand van de context ervan en het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Derhalve dient de Commissie de klager weliswaar voldoende duidelijk uiteen te zetten waarom de door hem in de klacht ter bekritisering van een steunmaatregel aangevoerde gegevens feitelijk en rechtens ontoereikend zijn geweest om aan te tonen dat sprake is van steun, doch hoeft zij geen standpunt in te nemen over gegevens die kennelijk niet ter zake doende, zonder betekenis of duidelijk bijkomstig zijn. Bijgevolg wordt een beschikking van de Commissie houdende afwijzing van een klacht betreffende een nationale maatregel die de te betalen vergoedingen voor Universal Mobile Telecommunications System-licenties (UMTS-licenties) gelijktrekt, toereikend gemotiveerd op grond dat een van de – cumulatieve – aspecten die het begrip staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG kenmerken, namelijk het verlenen van een voordeel aan de begunstigde, niet aanwezig is, zonder dat deze afwijzing wordt gemotiveerd met betrekking tot de andere aspecten die essentieel zijn voor dit begrip, alsmede op grond dat de betrokken maatregel uitvoering geeft aan een communautaire richtlijn, en inzonderheid het daarin neergelegde non-discriminatiebeginsel.

(cf. punten 53‑55)

2.      De Commissie kan in de in artikel 88, lid 3, EG bedoelde inleidende fase van het onderzoek slechts een beschikking van geen bezwaar tegen een steunmaatregel geven zonder de formele onderzoeksfase van artikel 88, lid 2, EG in te leiden, wanneer zij na dit inleidend onderzoek, zonder op ernstige moeilijkheden te stuiten tot de overtuiging is kunnen komen dat de voorgenomen steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. De Commissie kan derhalve rechtsgeldig een beschikking geven waarin zij, na afloop van de inleidende onderzoeksfase, vaststelt dat geen sprake is van staatssteun, omdat een nationale maatregel die de door bepaalde exploitanten te betalen vergoedingen voor Universal Mobile Telecommunications System-licenties (UMTS-licenties) vermindert teneinde de toekenningsvoorwaarden voor alle toegekende vergunningen gelijk te trekken, aan deze exploitanten geen voordeel toekent, wanneer de eerdere toekenning van hun vergunningen, gezien de vertragingen bij het opzetten van het UMTS-netwerk, geen nadelige gevolgen heeft gehad voor de marktdeelnemer die houder is van een later, na een aanvullende oproep, toegekende vergunning, en wanneer het daaruit voortvloeiende verlies voor de overheid, gezien de economische waarde van de vergunningen, betrekking heeft op een schuldvordering die niet vaststaat, en waarvan de staat onvermijdelijk afstand moet doen vanwege het specifieke karakter van het gemeenschapsrecht inzake telecommunicatie dat, in richtlijn 97/13 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten, uitgaat van het beginsel van gelijke behandeling van exploitanten, hetgeen inhoudt dat de gevraagde vergoedingen economisch gelijkwaardig moeten zijn.

(cf. punten 89‑91, 111, 116, 122, 124, 152‑153, 156)

3.      De Universal Mobile Telecommunications System-licenties (UMTS-licenties), die vergunning verlenen om economische activiteiten uit te oefenen bestaande in de levering van mobieletelefoniediensten in de frequentieruimte, en waarbij het gaat om de verlening van het recht om de overeenkomstige openbare ruimte te bezetten of te gebruiken, hebben een economische waarde, die de beheerder van deze ruimte in aanmerking dient te nemen wanneer hij het bedrag vaststelt van de vergoedingen die de betrokken exploitanten moeten betalen en die derhalve voor de overheid een bron van inkomsten vormen.

De uitoefening van overheidstaken sluit namelijk niet uit dat in het kader van het beheer van een schaars openbaar middel als de radiofrequenties, die de openbare frequentieruimte vormen ten aanzien waarvan een recht van toegang of gebruik kan worden toegekend, rekening wordt gehouden met economische gegevens. Derhalve vervullen de lidstaten zowel de rol van regulator van telecommunicatie als die van beheerder van het openbaar bezit dat de frequentieruimte vormt.

(cf. punten 100‑101, 104‑105)