ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
8 november 2007 (*)
„Richtlijn 98/34/EG – Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften – Verplichting om ontwerpen voor technische voorschriften mee te delen – Nationale wet waarbij aanbrengen van onderscheidend teken van nationale instelling belast met inning van auteursrechten op verhandelde compact disks, verplicht is gesteld – Begrip ‚technisch voorschrift’”
In zaak C‑20/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale civile e penale di Forlì (Italië) bij beslissing van 14 december 2004, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2005, in de strafzaak tegen
Karl Josef Wilhelm Schwibbert,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, U. Lõhmus (rapporteur), J. Klučka, A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: J. Swedenborg, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 april 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– Schwibbert, vertegenwoordigd door A. Sirotti Gaudenzi, avvocato,
– de Società Italiana degli Autori ed Editori, vertegenwoordigd door M. Mandel en M. Siragusa, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino en M. Massella Ducci Teri, avvocati dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Pignataro en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 2007,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB L 217, blz. 18; hierna: „richtlijn 98/34”), van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61), alsmede van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die in Italië is ingesteld tegen Schwibbert wegens het bezit van compact disks (hierna: „cd’s”) waarop niet het onderscheidende teken van de nationale instelling belast met het innen van auteursrechten was aangebracht.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Bij richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 (PB L 109, blz. 8) is in het gemeenschapsrecht een informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften ingesteld.
4 Artikel 12 van richtlijn 83/189 luidt als volgt:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om binnen twaalf maanden na kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. De lidstaten zien erop toe dat aan de Commissie de tekst wordt medegedeeld van alle belangrijke bepalingen van intern recht, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.”
5 Richtlijn 83/189 is meermaals en ingrijpend gewijzigd. Bij richtlijn 98/34 is zij gecodificeerd.
6 Artikel 1 van richtlijn 98/34 bepaalt:
„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. ‚product’: alle producten die industrieel worden vervaardigd, en alle landbouwproducten, met inbegrip van visproducten;
[...]
3. ‚technische specificatie’: een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
[...]
4. ‚andere eis’: een eis die, zonder een technische specificatie te zijn, ter bescherming van met name de consument of het milieu wordt opgelegd en betrekking heeft op de levenscyclus van het product nadat dit in de handel is gebracht, zoals voorwaarden voor gebruik, recycling, hergebruik of verwijdering van het product, wanneer deze voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden;
[...]
11. ‚technisch voorschrift’: een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 10, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden.
[...]”
7 De artikelen 8 en 9 van richtlijn 98/34 verplichten de lidstaten enerzijds om de Commissie van de Europese Gemeenschappen de onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallende ontwerpen voor technische voorschriften mee te delen, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan, en anderzijds om de goedkeuring van deze ontwerpen verschillende maanden uit te stellen teneinde de Commissie de mogelijkheid te bieden om na te gaan of zij verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, en met name het vrije verkeer van goederen, of om op het betrokken gebied een richtlijn, verordening of besluit voor te stellen.
8 Richtlijn 92/100 betreft de harmonisatie van de rechtsbescherming van auteursrechtelijk beschermde werken en door naburige rechten beschermde zaken. Zij beoogt auteurs en uitvoerende kunstenaars een passend inkomen te garanderen. Hiertoe bepaalt richtlijn 92/100 dat de lidstaten een recht instellen om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn toe te staan of te verbieden. In het kader van hoofdstuk II van richtlijn 92/100, betreffende naburige rechten, bepaalt artikel 9 dat de lidstaten voorzien in een uitsluitend recht om de in dit artikel genoemde zaken door verkoop of anderszins ter beschikking van het publiek te stellen.
Bepalingen van nationaal recht
9 Volgens wet nr. 633 van 22 april 1941 inzake het auteursrecht (GURI nr. 166 van 16 juli 1941; hierna: „wet van 1941”), is het aanbrengen van een onderscheidend teken op elke drager van beschermde werken een authenticatie‑ en waarborginstrument aan de hand waarvan het wettige product kan worden onderscheiden van het onwettig gereproduceerde product. De Società Italiana degli Autori ed Editori (Italiaanse Bond van auteurs en uitgevers), een openbare instelling ad hoc, is belast met taken van bescherming, bemiddeling en certificering. Het aldus bij de wet voorziene onderscheidende teken bestaat uit de initialen „SIAE”.
10 Bij wet nr. 121/87 van 27 maart 1987 (GURI nr. 73, van 28 maart 1987) is de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen uitgebreid tot andere dragers van geestesproducten.
11 In het kader van de uitvoering van richtlijn 92/100 heeft de Italiaanse wetgever onder meer, krachtens decreto legislativo nr. 685 van 16 november 1994 (GURI nr. 293 van 16 december 1994), waarbij wet nr. 121/87 is ingetrokken, in de wet van 1941 een bepaling opgenomen, artikel 171 ter, lid 1, sub c, waarin specifieke strafrechtelijke sancties zijn voorzien. Deze bepaling luidt als volgt:
„1. Wordt bestraft met hechtenis van minimaal drie maanden en maximaal drie jaar en met een geldboete van minimaal 500 000 ITL en maximaal 6 miljoen ITL:
[...]
c) de verkoop of verhuur van videocassettes, muziekcassettes of andere dragers met geluid‑ of beeldregistraties van cinematografische of audiovisuele werken of van fragmenten van bewegende beelden, waarop niet het teken van de Italiaanse organisatie van auteurs en uitgevers (SIAE) is aangebracht volgens de onderhavige wet en de uitvoeringsregeling.
[...]”
Hoofdzaak en prejudiciële vraag
12 De Procura della Repubblica presso il Tribunale civile e penale di Forlì (parket bij de civiele en strafrechtelijke rechtbank te Forlì) heeft op 12 februari 2000, een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld jegens Schwibbert, die in Italië woont en de wettelijk vertegenwoordiger van de vennootschap K.J.W.S. Srl is, en heeft bevestigd dat hij op 9 en 10 februari 2000 in de magazijnen van dit bedrijf een bepaalde hoeveelheid cd’s met reproducties van werken van de schilders Giorgio De Chirico en Mario Schifano voor de verkoop had opgeslagen. Op deze cd’s, die voor rekening van andere vennootschappen uit Duitsland waren ingevoerd om te worden verkocht in het kader van culturele manifestaties, was het onderscheidende teken „SIAE” niet aangebracht.
13 Tijdens onderzoeken op 9 en 10 februari 2000 door de leden van de Guardia di Finanza – Comando Tenenza di Cesena (fiscale recherche – bureau Cesena), is er overeenkomstig het wetboek van strafvordering een proces-verbaal van de inbeslagneming van die cd’s opgesteld, waarin werd vermeld dat de goederen na een eerste onderzoek namaak leken te zijn.
14 Op 23 mei 2001 heeft de Procura della Repubblica presso il Tribunale civile e penale di Forlì vervolging ingesteld tegen Schwibbert, aan wie het strafbare feit bedoeld in artikel 171 ter, lid 1, sub c, van de wet van 1941 ten laste wordt gelegd, en heeft deze Procura Schwibbert voor dit Tribunale gedaagd.
15 De terechtzitting voor het Tribunale civile e penale di Forlì heeft plaatsgevonden op 14 december 2004. In het proces-verbaal van de terechtzitting beklemtoont de verwijzende rechter dat Schwibbert niet wordt verweten dat hij deze werken op onrechtmatige wijze heeft gereproduceerd, aangezien hij in het bezit was van de daarvoor noodzakelijke vergunningen, maar uitsluitend dat op de cd’s niet het onderscheidende teken „SIAE” was aangebracht.
16 Ter terechtzitting heeft de advocaat van Schwibbert er bij die rechter op aangedrongen dat hij het Hof een prejudiciële vraag stelt. Het Tribunale civile e penale di Forlì heeft dit verzoek ingewilligd, maar in zijn verwijzingsbeslissing heeft hij louter de memorie van die advocaat opgenomen en niet zelf nauwkeurige vragen geformuleerd.
17 Overeenkomstig artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Hof op 17 juli 2006 de verwijzende rechter om verduidelijking gevraagd. Diens antwoord is bij het Hof ingekomen op 31 oktober 2006.
18 Uit dit antwoord volgt dat de vraag van het Tribunale civile e penale di Forlì als volgt luidt:
„Zijn de nationale voorschriften op het gebied van het onderscheidende teken ‚SIAE’ verenigbaar met de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG, de artikelen 1, 8, 10 en 11 van richtlijn 98/34 en de richtlijnen 92/100 en 2001/29?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
19 De Italiaanse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens haar bevat dit verzoek immers niet de informatie die het Hof nodig heeft om een bruikbaar antwoord te kunnen geven op de gestelde vraag. De Italiaanse regering betoogt in dit verband dat dit verzoek, in strijd met het vereiste van artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie, geen redenen geeft waarom de uitlegging van de regels van gemeenschapsrecht noodzakelijk is en maakt niet duidelijk welke nationale voorschriften werkelijk van toepassing zijn in de hoofdzaak. Die uitlegging is haars inziens hoe dan ook niet relevant voor de beslechting van die hoofdzaak.
20 De Commissie betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat de prejudiciële vraag, voor zover deze de uitlegging van de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG en richtlijn 92/100 betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verwijzingsbeslissing onvoldoende informatie bevat.
21 Er zij aan herinnerd dat de in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens niet alleen het Hof in staat moeten stellen, een bruikbaar antwoord te geven, maar ook de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid moeten bieden, overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken (beschikking van 2 maart 1999, Colonia Versicherung e.a., C‑422/98, Jurispr. blz. I‑1279, punt 5). Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, nu ingevolge bovengenoemde bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht (arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a., 141/81–143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6; beschikking van 13 maart 1996, Banco de Fomento e Exterior, C‑326/95, Jurispr. blz. I‑1385, punt 7, alsmede arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, Jurispr. blz. I‑2681, punt 23). Volgens de rechtspraak van het Hof is het dus onontbeerlijk dat de nationale rechter minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften verzoekt en dat hij aangeeft welk verband hij ziet tussen deze bepalingen en de in het geding toepasselijke nationale wettelijke regeling (zie met name beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, Jurispr. blz. I‑4979, punt 16, alsmede arrest van 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 38).
22 Blijkens punt 17 van het onderhavige arrest heeft in casu de verwijzende rechter op verzoek van het Hof verduidelijking gegeven over de feiten van de hoofdzaak en over de toepasselijke nationale en communautaire bepalingen. Bovendien hebben de Società Italiana degli Autori ed Editori, de Italiaanse regering en de Commissie het mogelijk geacht om op basis van de door die rechter verstrekte gegevens opmerkingen in te dienen bij het Hof.
23 Wat richtlijn 98/34 betreft, zijn de belanghebbende partijen het oneens over de vraag of de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen wel voor de betrokken cd’s geldt, en in voorkomend geval op welk tijdstip deze verplichting was uitgebreid tot die dragers, te weten voordat dan wel nadat in het gemeenschaprecht de verplichting om ontwerpen voor technische voorschriften mee te delen, werd ingevoerd. In casu is niet omstreden dat er tegen Schwibbert een strafrechtelijke procedure was ingeleid omdat hij dat onderscheidende teken „SIAE” niet had aangebracht. De vaststelling van het tijdstip waarop de verplichting om dat teken aan te brengen daadwerkelijk in het Italiaanse recht is ingevoerd, is echter een zaak van uitlegging van nationaal recht, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Hoe dan ook wordt het antwoord dat het Hof moet geven op de vraag zoals deze door de verwijzende rechter nader is bepaald in zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking, door de onzekerheid over dit gegeven niet nutteloos.
24 In die omstandigheden acht het Hof zich voldoende ingelicht om een bruikbaar antwoord op de vraag over richtlijn 98/34 te kunnen geven.
25 Wat de uitlegging van de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG en van richtlijn 92/100 betreft, moet daarentegen worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing niet de informatie verschaft die het Hof nodig heeft om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te kunnen geven.
26 Deze bepalingen van het EG-Verdrag verbieden immers tussen de lidstaten douanerechten bij in‑ en uitvoer alsmede alle heffingen van gelijke werking. Richtlijn 92/100 harmoniseert de voorschriften betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom.
27 Op basis van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens over de feiten van de hoofdzaak kan echter niet met zekerheid worden bepaald waar de cd’s zijn vervaardigd en kan evenmin worden vastgesteld of zij daadwerkelijk zijn ingevoerd in Italië. Wat de gegevens over de toepasselijke nationale voorschriften betreft, kan het Hof niet genoegzaam inzicht krijgen in de kenmerken van de financiële tegenprestatie voor het verkrijgen van het onderscheidende teken „SIAE” om vast te stellen of het om een douanerecht of een heffing van gelijke werking in de zin van genoemde artikelen van het Verdrag gaat. Ten slotte kan op basis van deze gegevens evenmin worden beoordeeld of richtlijn 92/100 zich tegen dergelijke nationale bepalingen verzet.
28 In die omstandigheden kan geen uitspraak worden gedaan over de vraag of de artikelen 3 EG, 23 EG tot en met 27 EG en richtlijn 92/100 zich verzetten tegen een verplichting zoals die welke in hoofdzaak aan de orde is.
29 Voorts dient te worden gepreciseerd dat de prejudiciële vraag tevens de uitlegging van richtlijn 2001/29 betreft. Deze richtlijn is gebaseerd op de beginselen en regels die reeds zijn vastgesteld bij onder meer richtlijn 92/100, en wijzigt laatstgenoemde richtlijn. Richtlijn 2001/29 is vastgesteld op 22 mei 2001 en artikel 13 daarvan bepaalt dat de lidstaten daaraan uiterlijk 22 december 2002 moeten voldoen. De gebeurtenissen die aan de hoofdzaak ten grondslag liggen, hebben zich echter voorgedaan in de maand februari 2000, een tijdstip waarop deze richtlijn nog niet was vastgesteld. Voor zover de prejudiciële vraag betrekking heeft op de uitlegging van de richtlijn 2001/29, is deze dus niet-ontvankelijk.
30 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus uitsluitend ontvankelijk voor zover het de uitlegging van richtlijn 98/34 betreft.
Ten gronde
31 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, 8, 10 en 11 van richtlijn 98/34 zich verzetten tegen nationale bepalingen zoals die welke in de hoofdzaak aan de orde zijn, voor zover daarin is bepaald dat bij de reproductie van geestesproducten op de drager daarvan het teken van de Società Italiana degli Autori ed Editori moet worden aangebracht.
32 In dit verband blijkt uit het dossier voor het Hof dat in de hoofdzaak een strafprocedure was ingeleid tegen Schwibbert omdat hij dit onderscheidende teken niet op de cd’s met figuratieve kunstwerken had aangebracht. Derhalve moet worden onderzocht of de door de verwijzende rechter aangevoerde communautaire voorschriften zich verzetten tegen nationale voorschriften waarin een dergelijke verplichting is opgenomen.
33 In de eerste plaats dient te worden onderzocht of de verplichting om een dergelijk teken aan te brengen kan worden aangemerkt als een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 1 van richtlijn 98/34. Indien dit het geval is moet worden nagegaan of het ontwerp voor het technische voorschrift door de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie is meegedeeld, omdat het anders niet tegen Schwibbert kan worden ingeroepen (zie met name arresten van 30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, Jurispr. blz. I‑2201, punten 48 en 54; 16 juni 1998, Lemmens, C‑226/97, Jurispr. blz. I‑3711, punt 33, alsmede 6 juni 2002, Sapod Audic, C‑159/00, Jurispr. blz. I‑5031, punt 49).
34 Uit artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 vloeit voort dat het begrip „technisch voorschrift” uit drie categorieën bestaat, te weten, ten eerste, de „technische specificatie” in de zin van artikel 1, punt 3, van die richtlijn, ten tweede, de „andere eis” zoals omschreven in artikel 1, punt 4, van deze richtlijn, en, ten derde, het verbod om een in artikel 1, punt 11, van deze richtlijn bedoeld product te vervaardigen, in te voeren, te verhandelen of te gebruiken (zie met name arrest van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, Jurispr. blz. I‑3247, punt 54).
35 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, veronderstelt het begrip „technische specificatie” dat de nationale maatregel noodzakelijkerwijze op het product of zijn verpakking als zodanig betrekking heeft en derhalve een van de vereiste kenmerken van een product vaststelt (zie in die zin arresten van 8 maart 2001, Van der Burg, C‑278/99, Jurispr. blz. I‑2015, punt 20; 22 januari 2002, Canal Satélite Digital, C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 45, alsmede reeds aangehaalde arresten Sapod Audic, punt 30, en Lindberg, punt 57).
36 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 48 van haar conclusie heeft opgemerkt, dat het onderscheidende teken „SIAE”, dat bedoeld is om de consumenten en de nationale autoriteiten erover te informeren dat de reproducties wettig zijn, op de drager zelf die het geestesproduct bevat, moet worden aangebracht, dus op het product zelf. Het is dus niet juist om te betogen, zoals de Società Italiana degli Autori ed Editori en de Italiaanse regering hebben gedaan, dat dit teken enkel betrekking heeft op het intellectuele werk.
37 Een dergelijk onderscheidend teken vormt een „technische specificatie” in de zin van artikel 1, punt 3, van richtlijn 98/34, omdat het behoort tot de voor de betrokken producten geldende voorschriften inzake het merken en etiketteren. Aangezien deze specificatie de jure moet worden nageleefd voor de verhandeling van deze producten, vormt die specificatie een „technisch voorschrift” in de zin van artikel 1, punt 11, eerste alinea, van die richtlijn (zie in die zin arrest van 20 maart 1997, Bic Benelux, C‑13/96, Jurispr. blz. I‑1753, punt 23).
38 Overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 98/34 „delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee”. Indien deze verplichting niet is nageleefd, kan het technische voorschrift niet aan particulieren worden tegengeworpen, zoals in punt 33 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht. Derhalve moet worden nagegaan of de lidstaat in casu zijn verplichtingen is nagekomen die voortvloeien uit artikel 8 van de richtlijn 98/34. Indien dit niet het geval is, kan het betrokken technische voorschrift niet aan Schwibbert worden tegengeworpen.
39 De Società Italiana degli Autori ed Editori en de Italiaanse regering betogen dat de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen op de dragers van geestesproducten, ruim vóór de relevante communautaire richtlijnen, in de wet van 1941 reeds was voorzien voor papieren dragers en dat de na deze inwerkingtreding aangebrachte wetswijzigingen, respectievelijk in 1987 en in 1994, slechts aanpassingen aan de technologische ontwikkeling waren, waarbij enkel nieuwe dragers zijn opgenomen in de werkingssfeer van deze verplichting. Bijgevolg behoefden deze wetswijzigingen niet aan de Commissie te worden meegedeeld.
40 In het onderhavige geval lijkt uit het bij het Hof ingediende dossier te volgen dat de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen, met betrekking tot de dragers waar het in de hoofdzaak om gaat, te weten de cd’s met figuratieve kunstwerken, daarop toepasselijk is gemaakt in 1994 krachtens decreto legislativo nr. 685. In dergelijke omstandigheden had die verplichting door de Italiaanse Republiek aan de Commissie moeten worden meegedeeld, omdat zij na de vaststelling, bij richtlijn 83/189, van de informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften is ingevoerd. Zoals in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat het echter aan de verwijzende rechter om te toetsen of de betrokken verplichting inderdaad op dat tijdstip in het Italiaanse recht is ingevoerd.
41 Voor zover de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen, nadat richtlijn 83/189 van toepassing was geworden is uitgebreid tot producten zoals die welke in de hoofdzaak aan de orde zijn, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 8, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 98/34 volgens vaste rechtspraak tot doel heeft, de Commissie zo volledig mogelijk te informeren over de inhoud, de draagwijdte en de algemene context van elk ontwerp voor een technisch voorschrift, zodat zij zo doeltreffend mogelijk de haar door die richtlijn verleende bevoegdheden kan uitoefenen (zie met name arresten CIA Security International, reeds aangehaald, punt 50; 16 september 1997, Commissie/Italië, C‑279/94, Jurispr. blz. I‑4743, punt 40, en 7 mei 1998, Commissie/België, C‑145/97, Jurispr. blz. I‑2643, punt 12).
42 Evenzo gaan de lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 1, derde alinea, van deze richtlijn „tot een nieuwe mededeling over, indien zij in het ontwerp voor een technisch voorschrift significante wijzigingen aanbrengen die een verandering van het toepassingsgebied [...] tot gevolg hebben”. Het opnemen van nieuwe dragers, zoals cd’s, in de werkingssfeer van de verplichting om het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen, moet als een dergelijke verandering worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 1 juni 1994, Commissie/Duitsland, C‑317/92, Jurispr. blz. I‑2039, punt 25, en arrest Lindberg, reeds aangehaald, punten 84 en 85).
43 De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting gesteld, zonder hierin door de lidstaat te worden tegengesproken, dat de Italiaanse Republiek haar deze verandering niet heeft meegedeeld.
44 Volgens de rechtspraak van het Hof levert niet-naleving van de mededelingsplicht schending van een vormvoorschrift bij de vaststelling van de betrokken technische voorschriften op, hetgeen tot niet-toepasselijkheid van die technische voorschriften leidt, met als gevolg dat deze niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen (zie met name reeds aangehaalde arresten CIA Security International, punt 54, en Lemmens, punt 33). Particulieren kunnen zich op deze niet-toepasselijkheid beroepen voor de nationale rechter, die een nationaal technisch voorschrift dat niet overeenkomstig richtlijn 98/34 is meegedeeld, buiten toepassing dient te laten (zie met name reeds aangehaalde arresten CIA Security International, punt 55, en Sapod Audic, punt 50).
45 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat richtlijn 98/34 aldus moet worden uitgelegd dat nationale bepalingen zoals die welke in de hoofdzaak aan de orde zijn, waarbij ná de inwerkingtreding van richtlijn 83/189 de verplichting is ingesteld om op cd’s met figuratieve kunstwerken het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen als voorwaarde om ze in de betrokken lidstaat te mogen verhandelen, een technisch voorschrift vormen dat indien het niet aan de Commissie is meegedeeld, niet aan een particulier kan worden tegengeworpen.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in de hoofdzaak is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, moet aldus worden uitgelegd dat nationale bepalingen zoals die welke in de hoofdzaak aan de orde zijn, waarbij ná de inwerkingtreding van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, de verplichting is ingesteld om op compact disks met figuratieve kunstwerken het onderscheidende teken „SIAE” aan te brengen als voorwaarde om ze in de betrokken lidstaat te mogen verhandelen, een technisch voorschrift vormen, dat indien het niet aan de Commissie is meegedeeld, niet aan een particulier kan worden tegengeworpen.
ondertekeningen