Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 7 september 2009 - Said Shamilovich Kadzoev / Ministerstvo na vatreshnite raboti

(Zaak C-357/09)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Said Shamilovich Kadzoev

Verwerende partij: Ministerstvo na vatreshnite raboti

Prejudiciële vragen

Moet artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, aldus worden uitgelegd dat:

wanneer het nationale recht van de lidstaat vóór de omzetting van de vereisten van genoemde richtlijn geen maximumtermijn voor de inbewaringstelling, noch redenen voor de verlenging daarvan voorschreef en bij de omzetting van de richtlijn niet is bepaald dat de nieuwe bepalingen terugwerkende kracht hebben, die vereisten van deze richtlijn slechts toepasselijk zijn en de termijn doen lopen vanaf de omzetting ervan in het nationale recht van de lidstaat?

tot de termijn voor de inbewaringstelling in een speciale inrichting met het oog op verwijdering, in de zin van genoemde richtlijn, niet wordt gerekend de periode gedurende welke de uitvoering van een verwijderingsbesluit [van het grondgebied] van de lidstaat krachtens een uitdrukkelijke was geschorst omdat een procedure tot het aanvragen van asiel op verzoek van een onderdaan van een derde land werd gevoerd, zelfs als hij gedurende deze procedure verder in dezelfde speciale inrichting voor bewaring heeft verbleven, wanneer de nationale wetgeving van de lidstaat dat toestaat?

Moet artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, aldus worden uitgelegd dat tot de termijn voor de inbewaringstelling in een speciale inrichting met het oog op verwijdering, in de zin van genoemde richtlijn, niet wordt gerekend de periode gedurende welke de tenuitvoerlegging van een verwijderingsbesluit [van het grondgebied] van de lidstaat krachtens een uitdrukkelijke bepaling was geschorst omdat een beroepsprocedure tegen genoemd besluit bij de rechter aanhangig was, zelfs als hij gedurende deze procedure verder in dezelfde speciale inrichting voor bewaring heeft verbleven, omdat de onderdaan niet over geldige identiteitsdocumenten beschikt en er derhalve twijfel bestaat over zijn identiteit of omdat hij niet beschikt over middelen van bestaan of omdat hij agressief gedrag vertoont?

Moet artikel 15, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, aldus worden uitgelegd dat de verwijdering redelijkerwijs niet mogelijk is, wanneer:

op het moment van toetsing van de inbewaringstelling door de rechter, de staat waar de belanghebbende onderdaan van is, heeft geweigerd hem een reisdocument met het oog op zijn terugkeer te verstrekken en er tot dat moment geen overeenstemming met het derde land is om de belanghebbende daar op te nemen, hoewel de administratieve organen van de lidstaat hun pogingen in die zin voortzetten?

op het moment van toetsing van de inbewaringstelling door de rechter een overeenkomst inzake terugkeer bestond tussen de Europese Unie en de staat waar belanghebbende onderdaan van is, maar wegens het bestaan van nieuwe bewijzen - namelijk een geboortecertificaat van de belanghebbende - de lidstaat geen beroep heeft gedaan op de bepalingen van genoemde overeenkomst, en de belanghebbende niet wil terugkeren?

de mogelijkheden tot verlenging van de termijnen voor de inbewaringstelling, voorzien in artikel 15, lid 6, van de richtlijn zijn verlopen, en er met een derde land geen overeenkomst inzake terugkeer is gesloten op het moment van de toetsing van de inbewaringstelling door de rechter aan artikel 15, lid 6, sub b, van de richtlijn?

Moet artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, aldus worden uitgelegd dat wanneer bij de toetsing van de inbewaringstelling met het oog op de verwijdering van de belanghebbende naar een derde land wordt vastgesteld dat er geen redelijk uitzicht op verwijdering is en dat de gronden voor de verlenging van zijn inbewaringstelling zijn uitgeput:

zijn onmiddellijke vrijlating niet moet worden gelast, wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: de belanghebbende beschikt niet over geldige identiteitspapieren, ongeacht hoelang zij nog geldig zijn, zodat er twijfel over zijn identiteit bestaat, hij vertoont agressief gedrag, hij beschikt over geen enkel middel van bestaan en er is geen enkele derde die zich heeft verbonden in zijn levenbehoeften te voorzien?

met het oog op de beslissing omtrent de vrijlating moet worden beoordeeld of de onderdaan van het derde land, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van de lidstaat, beschikt over de noodzakelijke middelen om op het grondgebied van de lidstaat te verblijven en over een adres waar hij kan wonen? (1)

____________

1 - ) PB L 348, blz. 98.