Language of document : ECLI:EU:C:2009:225

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

2 april 2009 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Materiële werkingssfeer – Begrip ‚burgerlijke zaken’ – Beslissing inzake ondertoezichtstelling en plaatsing van kinderen buiten eigen gezin – Gewone verblijfplaats van kind – Bewarende maatregelen – Bevoegdheid”

In zaak C‑523/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) bij beslissing van 19 november 2007, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure ingeleid door

A,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Ó Caoimh, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), U. Lõhmus en P. Lindh, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 oktober 2008,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski en A. Guimaraes-Purokoski als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door T. Papadopoulou als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door R. Adam als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson als gemachtigde, bijgestaan door C. Howard, QC,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Aalto en V. Joris als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 januari 2009,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1; hierna: „verordening”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat A, moeder van de kinderen C, D en E, heeft ingesteld tegen de beslissing van de Kuopion hallinto-oikeus [administratieve rechtbank te Kuopio (Finland)] waarbij is bevestigd de beslissing van de perusturvalautakunta (Finse commissie voor basisverzorging; hierna: „commissie basisverzorging”) om deze kinderen onmiddellijk onder toezicht te stellen en in een tehuis te plaatsen.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsrecht

3        De punten 12 en 13 van de considerans van de verordening luiden:

„(12) De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

(13)      In het belang van het kind biedt de onderhavige verordening het bevoegde gerecht de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden de zaak naar het gerecht van een andere lidstaat te verwijzen indien dat gerecht beter in staat is om de zaak te behandelen. [...]”

4        Artikel 1, lid 1, van de verordening bepaalt:

„Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

[...]

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.”

5        In artikel 8, lid 1, van deze verordening is bepaald:

„Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.”

6        Artikel 13, lid 1, van deze verordening luidt:

„Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld en de bevoegdheid niet kan worden bepaald op grond van artikel 12, zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt, bevoegd.”

7        Artikel 15, lid 1, van de verordening bepaalt:

„De gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, kunnen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind:

a)      de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om overeenkomstig lid 4 een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat; of

b)      het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.”

8        In artikel 17 van deze verordening is bepaald:

„Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

9        Artikel 20, lid 1, van deze verordening luidt:

„In spoedeisende gevallen vormt deze verordening voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.”

10      Artikel 53 van de verordening bepaalt:

„Elke lidstaat wijst één of meer centrale autoriteiten aan om behulpzaam te zijn bij de toepassing van deze verordening en preciseert haar of hun bevoegdheid/bevoegdheden ratione loci of ratione materiae. Wanneer een lidstaat meer dan één centrale autoriteit heeft aangewezen, dienen mededelingen in beginsel direct aan de bevoegde centrale autoriteit te worden toegezonden. Wordt een mededeling toegezonden aan een centrale autoriteit die niet bevoegd is, dan zendt deze autoriteit die mededeling door aan de bevoegde centrale autoriteit en stelt zij de afzender daarvan in kennis.”

11      In artikel 55 van deze verordening is met name bepaald:

„De centrale autoriteiten werken op verzoek van een centrale autoriteit van een andere lidstaat of van een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, in specifieke gevallen met elkaar samen ter verwezenlijking van de doeleinden van deze verordening. Daartoe nemen zij, overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat inzake de bescherming van persoonsgegevens, rechtstreeks of door tussenkomst van overheidsdiensten of andere instanties, alle passende maatregelen om:

a)      informatie te verzamelen en uit te wisselen over:

i)      de situatie van het kind,

ii)      lopende procedures, en

iii)  enige met betrekking tot het kind genomen beslissing;

[...]

c)      de informatie-uitwisseling tussen de gerechten te ondersteunen, met name met het oog op de uitvoering van artikel 11, leden 6 en 7, en artikel 15;

[...]”

 Nationaal recht

12      Volgens § 15, lid 1, van de Sosiaalihuoltolaki (710/1982) (Finse wet 710/1982 op de sociale bijstand; hierna: „wet 710/1982”), in de versie die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing was, moet de gemeente in spoedeisende gevallen of wanneer de omstandigheden zulks vereisen, ook regelingen treffen voor instellingszorg voor en andere socialedienstverlening aan personen die in de gemeente verblijven, maar er niet hun woonplaats hebben.

13      Overeenkomstig § 16 van de Lastensuojelulaki (683/1983) (Finse wet op de kinderbescherming 683/1983; hierna: „wet 683/1983”), in de versie die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing was, moet een dienst maatschappelijk werk van de gemeente onverwijld hulpverleningsmaatregelen treffen wanneer de omstandigheden waaronder het kind of de adolescent opgroeit, zijn gezondheid of ontwikkeling bedreigen of niet waarborgen.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      In december 2001 hebben de kinderen C, D en E zich samen met hun moeder, A, en hun stiefvader, F, in Zweden gevestigd. Daarvóór waren D en E onder toezicht gesteld van de stad X, in Finland, omdat hun stiefvader gewelddadig was. Die maatregel is later ingetrokken. In de zomer van 2005 heeft het gezin Zweden verlaten om de vakantie in Finland door te brengen. Het is op Fins grondgebied gebleven en heeft in woonwagens op verschillende kampeerterreinen gewoond. De kinderen gingen niet naar school. Op 30 oktober 2005 heeft het gezin de sociale dienst van de Finse gemeente Y verzocht om in aanmerking te komen voor een woning.

15      De commissie basisverzorging heeft de kinderen C, D en E bij beslissingen van 16 november 2005 op grond van wet 683/1983 met onmiddellijke werking in Finland onder toezicht gesteld en in een pleeggezin geplaatst omdat de kinderen aan hun lot waren overgelaten.

16      A en F hebben de nietigverklaring van de beslissingen inzake deze onmiddellijke ondertoezichtstelling gevorderd.

17      In zijn beslissingen van 15 december 2005 heeft de commissie basisverzorging het aldus ingediende beroep tot nietigverklaring afgewezen en de kinderen C, D en E op grond van § 16 van wet 683/1983 onder toezicht gesteld en plaatsing in een tehuis gelast.

18      A heeft beroep ingesteld bij de Kuopion hallinto-oikeus. Daarbij heeft zij nietigverklaring van die beslissingen gevorderd en gevorderd dat zij weer zou worden belast met het gezag over haar kinderen. A heeft gepreciseerd dat toen zij midden november 2005 naar Zweden is vertrokken, haar kinderen in Finland waren gebleven bij de zus van hun stiefvader. Bij beslissing van 25 oktober 2006 heeft die rechter dit beroep verworpen en de litigieuze beslissingen bevestigd. Hij heeft bij de motivering van zijn beslissing benadrukt dat de commissie basisverzorging gelet op § 15, lid 1, van wet 710/1982 was opgetreden in het kader van haar bevoegdheden. Hij heeft toegevoegd dat de levensomstandigheden van de betrokken kinderen hun geestelijke en overige gezondheid en hun ontwikkeling ernstig in gevaar hadden gebracht. Door de ondertoezichtstelling en de plaatsing van die kinderen was het mogelijk, hun de noodzakelijke psychiatrische zorg te verstrekken, ze naar school te laten gaan en ervoor te zorgen dat zij in een zekere en stabiele omgeving opgroeiden.

19      A heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Korkein hallinto-oikeus (hoogste Finse administratief gerechtshof), met het betoog dat de Finse autoriteiten niet bevoegd waren. In dit verband heeft A opgemerkt dat de kinderen C, D en E sinds 2 april 2007 Zweeds staatsburger zijn en sinds lang hun vaste verblijfplaats in Zweden hebben. Derhalve was de Zweedse rechter bevoegd.

20      Van oordeel dat de uitlegging van de verordening noodzakelijk was om het bij hem aanhangige geding te beslechten, heeft de Korkein hallinto-oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      a)     Is [de] verordening [...] van toepassing op de tenuitvoerlegging van een beslissing in al haar onderdelen als die in het hoofdgeding, waarbij de onmiddellijke ondertoezichtstelling en de plaatsing van een kind buiten zijn eigen gezin worden gelast, wanneer deze beslissing in de vorm van één enkele beslissing is genomen op grond van de publiekrechtelijke regels inzake de kinderbescherming?

b)      Of is de verordening, gelet op artikel 1, lid 2, sub d, ervan, alleen van toepassing op het onderdeel van de beslissing dat betrekking heeft op de plaatsing buiten het eigen gezin?

2)      Hoe moeten het begrip ‚gewone verblijfplaats’ in artikel 8, lid 1, van de verordening en het daarmee samenhangende artikel 13, lid 1, gemeenschapsrechtelijk worden uitgelegd, in het bijzonder met het oog op een situatie waarin het kind zijn vaste woonplaats in een lidstaat heeft, maar in een andere lidstaat verblijft en aldaar een trekkend bestaan leidt?

3)      a)     Onder welke voorwaarden kan, wanneer het kind wordt geacht geen gewone verblijfplaats te hebben in laatstbedoelde andere lidstaat, niettemin in die lidstaat op grond van artikel 20, lid 1, van de verordening een spoedeisende bewarende maatregel (ondertoezichtstellingsmaatregel) worden vastgesteld?

b)      Is de in artikel 20, lid 1, van de verordening bedoelde bewarende maatregel alleen een maatregel die overeenkomstig het nationale recht kan worden uitgevoerd en zijn de nationaalrechtelijke bepalingen betreffende die maatregel bindend bij de toepassing van het artikel?

c)      Moet de zaak na de uitvoering van de bewarende maatregel ambtshalve worden verwezen naar een gerecht van de bevoegde lidstaat?

4)      Wanneer het gerecht van een lidstaat in het geheel niet bevoegd is, moet dan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard of de zaak worden verwezen naar het gerecht van een andere lidstaat?

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een enkele beslissing waarbij de onmiddellijke ondertoezichtstelling en de plaatsing van een kind buiten zijn eigen gezin worden gelast, en of deze beslissing onder het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van deze bepaling valt wanneer zij is genomen op grond van de publiekrechtelijke regels inzake kinderbescherming.

22      Deze vraag is gesteld door dezelfde verwijzende rechter, berust op dezelfde motivering en is op precies dezelfde wijze geformuleerd als de vraag die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 27 november 2007, C (C‑435/06, Jurispr. blz. I‑10141). In die omstandigheden moet op deze vraag hetzelfde antwoord worden gegeven als op de eerste vraag in het reeds aangehaalde arrest C is gegeven.

23      Overeenkomstig artikel 2, punt 7, van de verordening omvat de ouderlijke verantwoordelijkheid immers alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind.

24      De plaatsing van een kind in een pleeggezin of een instelling is overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub d, van de verordening een aspect van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

25      Bovendien blijkt uit punt 5 van de considerans van de verordening dat deze verordening, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, van toepassing is op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief de maatregelen tot bescherming van het kind.

26      Een beslissing tot ondertoezichtstelling van een kind, zoals die in het hoofdgeding, past naar haar aard in het kader van een overheidsoptreden dat tot doel heeft, tegemoet te komen aan de behoefte aan bescherming voor en bijstand aan minderjarigen.

27      Het begrip „burgerlijke zaken” moet aldus worden uitgelegd dat het ook maatregelen kan omvatten die naar het recht van een lidstaat onder het publiekrecht vallen.

28      Deze uitlegging vindt steun in punt 10 van de considerans van de verordening, waarin wordt verklaard dat het niet de bedoeling is dat deze verordening toepasselijk is op „publiekrechtelijke maatregelen van algemene aard inzake onderwijs en gezondheid”. Deze uitsluiting bevestigt dat de gemeenschapswetgever niet het geheel van de onder het publiekrecht vallende maatregelen van de werkingssfeer van deze verordening heeft willen uitsluiten.

29      Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de onmiddellijke ondertoezichtstelling en de plaatsing van een kind buiten zijn eigen gezin worden gelast, onder het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van deze bepaling valt wanneer deze beslissing is genomen op grond van de publiekrechtelijke regels inzake kinderbescherming.

 Tweede vraag

30      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1, van de verordening moet worden uitgelegd, met name in een situatie waarin het kind een vaste verblijfplaats in een lidstaat heeft, maar in een andere lidstaat verblijft en aldaar een trekkend bestaan leidt.

31      In artikel 8, lid 1, van de verordening is het beginsel neergelegd dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt bepaald op basis van de plaats waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, zonder dat de inhoud van dit begrip is gedefinieerd.

32      Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld, zijn overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de verordening de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt, bevoegd.

33      De enkele fysieke aanwezigheid van een kind in een lidstaat – als bevoegdheidsregel die subsidiair is ten aanzien van die van artikel 8 van de verordening – kan dan ook niet volstaan om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen.

34      Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van gemeenschapsrecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Gemeenschap autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie met name arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, Jurispr. blz. 107, punt 11, en 6 maart 2008, Nordania Finans en BG Factoring, C‑98/07, Jurispr. blz. I‑1281, punt 17).

35      Aangezien artikel 8, lid 1, van de verordening voor de betekenis en de draagwijdte van het begrip „gewone verblijfplaats” niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, moet dit worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de verordening, met name dat welk voortvloeit uit punt 12 van de considerans van deze verordening, volgens hetwelk de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid.

36      De rechtspraak van het Hof inzake het begrip vaste woonplaats in andere domeinen van het recht van de Europese Unie (zie met name arresten van 15 september 1994, Magdalena Fernández/Commissie, C‑452/93 P, Jurispr. blz. I‑4295, punt 22; 11 november 2004, Adanez-Vega, C‑372/02, Jurispr. blz. I‑10761, punt 37, en 17 juli 2008, Kozlowski, C‑66/88, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) kan niet rechtstreeks worden toegepast in het kader van de beoordeling van de gewone verblijfplaats van een kind in de zin van artikel 8, lid 1, van de verordening.

37      De „gewone verblijfplaats” van een kind in de zin van artikel 8, lid 1, van de verordening moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

38      Naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.

39      Er moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.

40      Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Een andere aanwijzing kan zijn dat een aanvraag voor een sociale woning bij de betrokken dienst van die staat is ingediend.

41      Daarentegen kan de omstandigheid dat de kinderen in een lidstaat verblijven waar zij, gedurende een korte periode, een trekkend bestaan leiden, een aanwijzing zijn dat de gewone verblijfplaats van die kinderen zich niet in deze staat bevindt.

42      De nationale rechter dient tegen de achtergrond van de in de punten 38 tot en met 41 van het onderhavige arrest vermelde criteria en op basis van een globaal onderzoek de gewone verblijfplaats van de kinderen te bepalen.

43      Het is echter niet uitgesloten dat het na die beoordeling onmogelijk blijkt om te bepalen in welke lidstaat het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. In een dergelijk uitzonderlijk geval en indien artikel 12 van de verordening, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de nationale gerechten voor vraagstukken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer die vraagstukken samenhangen met een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk van de echtgenoten, niet van toepassing is, worden de nationale gerechten van de lidstaat waar het kind zich bevindt, krachtens artikel 13, lid 1, van de verordening bevoegd om ten gronde over de zaak te beslissen.

44      Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Het staat aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

 Derde vraag

45      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen welke voorwaarden gelden voor de vaststelling van een bewarende maatregel, zoals de ondertoezichtstelling van kinderen, krachtens artikel 20, lid 1, van de verordening. In de tweede plaats wenst hij te vernemen of een dergelijke maatregel overeenkomstig het nationale recht kan worden toegepast en of de regels van dit recht ter zake van die maatregel bindend zijn. In de derde plaats vraagt hij of de zaak na de uitvoering van die bewarende maatregel moet worden verwezen naar het bevoegde gerecht van een andere lidstaat.

46      Volgens artikel 20, lid 1, van de verordening vormt deze verordening in spoedeisende gevallen voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van deze laatste staat voorziet, zelfs indien krachtens de verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.

47      Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat opdat gerechten van de lidstaten die niet bevoegd zijn om ten gronde over de zaak te beslissen, maatregelen ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid kunnen vaststellen, drie cumulatieve voorwaarden moeten zijn vervuld, namelijk:

–        de betrokken maatregelen moeten spoedeisend zijn;

–        zij moeten worden genomen jegens personen of goederen die zich bevinden in de lidstaat waar het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zetelt, en

–        zij moeten voorlopig zijn.

48      Deze maatregelen gelden voor kinderen die hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, maar tijdelijk of toevallig in een andere lidstaat verblijven en zich in een situatie bevinden die hun welzijn, waaronder hun gezondheid of hun ontwikkeling, ernstig kan schaden, zodat de onmiddellijke vaststelling van beschermingsmaatregelen gerechtvaardigd is. Dat dergelijke maatregelen voorlopig zijn, vloeit voort uit de omstandigheid dat deze krachtens artikel 20, lid 2, van de verordening ophouden van toepassing te zijn wanneer het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.

49      De verordening bevat geen materiële bepalingen over het soort spoedeisende maatregelen die moeten worden toegepast.

50      Volgens artikel 20, lid 1, van de verordening zijn de voorlopige en bewarende maatregelen die de gerechten van een lidstaat in spoedeisende gevallen nemen, de maatregelen „waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet”.

51      In die context staat het aan de nationale wetgever te bepalen welke maatregelen de nationale autoriteiten moeten nemen om het belang van het kind te beschermen en de procedurele modaliteiten van de uitvoering ervan vast te stellen.

52      Aangezien dergelijke maatregelen op basis van de bepalingen van het nationale recht worden vastgesteld, moet het bindende karakter ervan uit de betrokken nationale wetgeving voortvloeien.

53      Er moet nog worden nagegaan of de zaak na de uitvoering van een bewarende maatregel ambtshalve moet worden verwezen naar het bevoegde gerecht van een andere lidstaat.

54      Krachtens artikel 15, lid 1, sub b, van de verordening kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak te behandelen, het gerecht van die staat verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen.

55      In het kader van de bepalingen inzake de bevoegdheidsregels op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid, is artikel 15 de enige bepaling die voorziet in een verzoek aan het gerecht van een andere lidstaat om zijn bevoegdheid uit te oefenen.

56      De verordening legt de nationale gerechten die voorlopige of bewarende maatregelen vaststellen, niet de verplichting op om de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat te verwijzen na de uitvoering van die maatregelen.

57      Een heel andere vraag is te weten of de nationale gerechten die voorlopige of bewarende maatregelen hebben uitgevoerd, de bevoegde gerechten van een andere lidstaat daarvan in kennis moeten stellen.

58      Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest is vermeld, houden de voorlopige en bewarende maatregelen krachtens artikel 20, lid 2, van de verordening op van toepassing te zijn wanneer het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.

59      Aangezien voorlopige en bewarende maatregelen tijdelijk zijn, kan het door omstandigheden die verband houden met de fysieke, psychologische en intellectuele evolutie van het kind, noodzakelijk zijn dat het bevoegde gerecht voortijdig tussenkomt om definitieve maatregelen vast te stellen.

60      Of definitieve maatregelen noodzakelijk en spoedeisend zijn, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de situatie van het kind, zijn te verwachten evolutie en de doeltreffendheid van de genomen voorlopige en bewarende maatregelen.

61      In die context kan de bescherming van het belang van het kind verlangen dat het nationale gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen heeft uitgevoerd, rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van de verordening aangewezen centrale autoriteit het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan in kennis stelt.

62      De samenwerking in specifieke gevallen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 55 van de verordening en omvat met name de verzameling en de uitwisseling van informatie over de situatie van het kind, lopende procedures en enige met betrekking tot het kind genomen beslissing.

63      Artikel 55, sub c, van de verordening voorziet in de informatie-uitwisseling tussen de gerechten van de lidstaten met het oog op de uitvoering van deze verordening.

64      Bijgevolg moet het nationale gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen heeft uitgevoerd, het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van de verordening aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

65      Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat een nationaal gerecht krachtens artikel 20 van de verordening een bewarende maatregel, zoals de ondertoezichtstelling van kinderen, kan gelasten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

–        deze maatregel moet spoedeisend zijn;

–        zij moet worden genomen jegens personen die zich in de betrokken lidstaat bevinden, en

–        zij moet voorlopig zijn.

De uitvoering van die maatregel en de bindendheid daarvan worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht. Na de uitvoering van de bewarende maatregel is het nationale gerecht niet gehouden om de zaak naar het bevoegde gerecht van een andere lidstaat te verwijzen. Het nationale gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen heeft uitgevoerd, moet echter het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van de verordening aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

 Vierde vraag

66      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het gerecht van een lidstaat dat in het geheel niet bevoegd is, zich onbevoegd moet verklaren dan wel de zaak naar het gerecht van een andere lidstaat moet verwijzen.

67      Overeenkomstig artikel 17 van de verordening „[verklaart] [h]et gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, [...] zich ambtshalve onbevoegd”.

68      Zoals in punt 55 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is in het kader van de bepalingen inzake de bevoegdheidsregels op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid, artikel 15 van de verordening de enige bepaling die voorziet in een verzoek aan het gerecht van een andere lidstaat om zijn bevoegdheid uit te oefenen.

69      In het geval dat het gerecht van een lidstaat zich ambtshalve onbevoegd verklaart, voorziet de verordening niet in een verwijzing van de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat.

70      Om dezelfde redenen als die welke in de punten 59 tot en met 63 van het onderhavige arrest zijn vermeld, moet het nationale gerecht dat zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard, echter het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van de verordening aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

71      Bijgevolg dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat in het geval dat het gerecht van een lidstaat in het geheel niet bevoegd is, het zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren, zonder dat het verplicht is om de zaak naar een ander gerecht te verwijzen. Het nationale gerecht dat zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard, moet echter het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van de verordening aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

 Kosten

72      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de onmiddellijke ondertoezichtstelling en de plaatsing van een kind buiten zijn eigen gezin worden gelast, onder het begrip „burgerlijke zaken” in de zin van deze bepaling valt wanneer deze beslissing is genomen op grond van de publiekrechtelijke regels inzake kinderbescherming.

2)      Het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Het staat aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

3)      Een nationaal gerecht kan krachtens artikel 20 van verordening nr. 2201/2003 een bewarende maatregel, zoals de ondertoezichtstelling van kinderen, gelasten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

–        deze maatregel moet spoedeisend zijn;

–        zij moet worden genomen jegens personen die zich in de betrokken lidstaat bevinden, en

–        zij moet voorlopig zijn.

De uitvoering van die maatregel en de bindendheid daarvan worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht. Na de uitvoering van de bewarende maatregel is het nationale gerecht niet gehouden om de zaak naar het bevoegde gerecht van een andere lidstaat te verwijzen. Het nationale gerecht dat voorlopige of bewarende maatregelen heeft uitgevoerd, moet echter het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van verordening nr. 2201/2003 aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

4)      In het geval dat het gerecht van een lidstaat in het geheel niet bevoegd is, moet het zich ambtshalve onbevoegd verklaren, zonder dat het verplicht is om de zaak naar een ander gerecht te verwijzen. Het nationale gerecht dat zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard, moet echter het bevoegde gerecht van een andere lidstaat daarvan rechtstreeks of met behulp van de krachtens artikel 53 van verordening nr. 2201/2003 aangewezen centrale autoriteit in kennis stellen indien dit in het belang van het kind vereist is.

ondertekeningen


* Procestaal: Fins.