Language of document : ECLI:EU:C:2009:419

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

2 juli 2009 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen – Werkingssfeer – Faillissementen”

In zaak C‑111/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Högsta domstol (Zweden) bij beslissing van 4 maart 2008, ingekomen bij het Hof op 12 maart 2008, in de procedure

SCT Industri AB i likvidation

tegen

Alpenblume AB,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, A. Tizzano, A. Borg Barthet, E. Levits en J.‑J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 februari 2009,

gelet op de opmerkingen van:

–        SCT Industri AB i likvidation, vertegenwoordigd door F. Lüning, jur. kand.,

–        Alpenblume AB, vertegenwoordigd door L.‑O. Svensson, advokat,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. López-Medel Bascones als gemachtigde,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en D. Pires als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde, bijgestaan door A. Henshaw, barrister,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en P. Dejmek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SCT Industri AB (hierna: „SCT Industri”) en Alpenblume AB (hierna: „Alpenblume”), twee Zweedse vennootschappen, betreffende een vordering tot revindicatie van de aandelen die SCT Industri in een vennootschap naar Oostenrijks recht hield en die aan Alpenblume zijn verkocht; deze vordering is ingesteld na een beslissing van een Oostenrijkse rechter houdende vaststelling dat de verkrijging van deze aandelen door Alpenblume nietig was.

 Toepasselijke bepalingen

3        In punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 wordt verklaard:

„Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.”

4        In punt 7 van de considerans van voornoemde verordening heet het: „Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden.”

5        In punt 15 van de considerans van deze verordening wordt verklaard:

„Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”

6        In punt 19 van de considerans van verordening nr. 44/2001 heet het:

„De continuïteit tussen het [Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ‚Verdrag van Brussel’ of ‚Executieverdrag’)] en deze verordening moet gewaarborgd worden. Daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook voor de uitlegging van het Verdrag van Brussel door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gelden en het Protocol van 1971 [betreffende deze uitlegging door het Hof, in de herziene en gewijzigde versie ervan (PB 1998, C 27, blz. 28)] moet ook van toepassing blijven op de zaken die op de datum van inwerkingtreding van de verordening reeds aanhangig zijn.”

7        Artikel 1 van deze verordening omschrijft de werkingssfeer ervan. Krachtens artikel 1, lid 1, ervan ziet deze op alle burgerlijke en handelszaken en heeft zij geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

8        Artikel 1, lid 2, sub b, van voornoemde verordening bepaalt:

„Zij is niet van toepassing op:

[...]

b) het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures.”

9        Artikel 25 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1), met het opschrift „Erkenning en executoir karakter van andere beslissingen”, bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      De inzake het verloop en de beëindiging van een insolventieprocedure gegeven beslissingen van een rechter wiens beslissing tot opening van de procedure krachtens artikel 16 is erkend, alsmede een door die rechter bevestigd akkoord, worden eveneens zonder verdere formaliteiten erkend. Die beslissingen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de artikelen 31 tot en met 51 (met uitzondering van artikel 34, lid 2), van het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, als gewijzigd bij de Verdragen inzake de toetreding tot dat Verdrag.

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluiten, zelfs indien die beslissingen door een andere rechter worden gegeven.

De eerste alinea geldt eveneens voor beslissingen betreffende na het verzoek tot opening van een insolventieprocedure genomen conservatoire maatregelen.

2.      De erkenning en de tenuitvoerlegging van andere beslissingen dan die bedoeld in lid 1 worden beheerst door het in lid 1 bedoelde Verdrag voor zover dat Verdrag van toepassing is.”

10      Artikel 43 van verordening nr. 1346/2000 luidt: „Deze verordening is slechts van toepassing op insolventieprocedures die na de inwerkingtreding ervan zijn geopend. Op de rechtshandelingen die de schuldenaar vóór de inwerkingtreding ervan heeft verricht, blijft het recht van toepassing dat gold op het tijdstip dat zij werden verricht.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11      In 1993 werd een faillissementsprocedure geopend tegen SCT Industri door het Malmö tingsrätt. Er werd een curator aangewezen. In het kader van die procedure heeft deze curator de deelneming van 47 % van de aandelen die SCT Industri hield in het kapitaal van SCT Hotelbetrieb GmbH, een vennootschap naar Oostenrijks recht waarvan Scaniahof Ferienwohnungen GmbH (hierna: „Scaniahof”) de rechtsopvolgster is, voor 2 SEK verkocht aan Alpenblume. Laatstgenoemde vennootschap werd in Oostenrijk als eigenaar van de betrokken aandelen ingeschreven.

12      In 1997 werd de faillissementsprocedure beëindigd zonder overschot. Op 19 maart 2002 heeft het Malmö tingsrätt de ontbinding van SCT Industri gelast.

13      Nadat SCT Industri bij een Oostenrijkse rechterlijke instantie een vordering aanhangig had gemaakt, heeft deze beslist dat de in Zweden aangewezen curator niet bevoegd was, te beschikken over de activa in Oostenrijk en dat bijgevolg de verkrijging van de aandelen door Alpenblume nietig was. Bijgevolg heeft die rechterlijke instantie Scaniahof gelast, SCT Industri in te schrijven als eigenaar van de uit de failliete boedel overgedragen aandelen. Alpenblume was in de Oostenrijkse procedure interveniënte (Nebenintervenientin). Het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) heeft het beroep („außerordentliche Revision”) van interveniënte op 17 mei 2004 verworpen.

14      Op 24 augustus 2004 heeft Alpenblume bij een Zweeds gerecht een revindicatie-vordering met betrekking tot dezelfde aandelen tegen SCT Industri aanhangig gemaakt, met het verzoek SCT Industri op straffe van een dwangsom te gelasten, de nodige maatregelen te nemen om Alpenblume als rechtmatige eigenaar van de betrokken aandelen in te schrijven. Bij beslissing van 17 maart 2005 heeft het Malmö tingsrätt – na een door verzoekster in het hoofdgeding opgeworpen exceptie – geoordeeld dat niets zich tegen de behandeling van die vordering verzette.

15      SCT Industri heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Alpenblume heeft geconcludeerd tot bevestiging van de betrokken beslissing. Bij beslissing van 26 juli 2005 heeft het Hovrätt för Skåne och Blekinge het hoger beroep verworpen.

16      Nadat SCT Industri hogere voorziening had ingesteld bij de Högsta domstol, heeft deze bij beschikking van 4 maart 2008 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet de uitzondering voor faillissementen, akkoorden en soortgelijke procedures in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een beslissing van een rechterlijke instantie van een lidstaat A betreffende de inschrijving van de eigendom van aandelen in een vennootschap met statutaire zetel in lidstaat A, welke aandelen zijn overgedragen door de curator in het faillissement van een vennootschap met statutaire zetel in een andere lidstaat B, wanneer de rechterlijke instantie zijn beslissing heeft gebaseerd op het feit dat lidstaat A bij gebreke van een verdrag tot wederzijdse erkenning van faillissementsprocedures niet de bevoegdheid van de curator erkent om te beschikken over zich in lidstaat A bevindende vermogensbestanddelen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

17      De vraag van de verwijzende rechter betreft in wezen de erkenning, tussen de lidstaten, van een rechterlijke beslissing in een civiele zaak die in verband staat met een insolventieprocedure welke heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat. Meer in het bijzonder betreft deze vraag het punt of een beslissing waarbij een rechterlijke instantie van een andere lidstaat heeft uitgesproken dat een aandelenoverdracht die in het kader van een insolventieprocedure heeft plaatsgevonden, nietig was op grond dat de curator die deze aandelen had overgedragen, niet bevoegd was om te beschikken over zich in die lidstaat bevindende aandelen, valt onder de uitzondering van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001, welke uitzondering van toepassing is op faillissementen, overeenkomsten en andere soortgelijke procedures.

18      Vooraf zij opgemerkt dat verordening nr. 1346/2000 niet van toepassing is op de procedure die in het hoofdgeding aan de orde is, daar deze vóór de inwerkingtreding van die verordening is geopend.

19      Derhalve moet uitsluitend worden bepaald of een beslissing als die welke door de Oostenrijkse rechterlijke instantie is uitgesproken in het hoofdgeding, onder verordening nr. 44/2001 valt, zodat de verwijzende rechter haar moet respecteren.

20      In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat, wat meer in het bijzonder faillissementen en andere soortgelijke procedures betreft, deze zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het Executieverdrag, zowel wegens het bijzondere karakter van de betrokken materie, welke noopt tot bijzondere regels, als wegens de vergaande verschillen tussen de wetgevingen van de verdragsluitende staten [zie in die zin arrest van 22 februari 1979, Gourdain, 133/78, Jurispr. blz. 733, punt 3, en rapport van Jenard betreffende het Executieverdrag, (PB 1979, C 59, blz. 1)].

21      Zo heeft het Hof in zijn rechtspraak over het Executieverdrag geoordeeld dat een vordering verband houdt met een faillissementsprocedure, wanneer zij rechtstreeks uit het faillissement voortvloeit en geheel binnen het kader van een faillissement of surseance van betaling past (zie arrest Gourdain, reeds aangehaald, punt 4). Een vordering met dergelijke kenmerken valt derhalve niet binnen het toepassingsgebied van dit verdrag.

22      Uit de rechtspraak blijkt tevens dat, voor zover verordening nr. 44/2001 voortaan in de betrekkingen tussen de lidstaten, met uitzondering van het Koninkrijk Denemarken, in de plaats is getreden van het Executieverdrag, de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot dit verdrag ook geldt voor de verordening, wanneer de bepalingen van deze laatste en die van het Executieverdrag als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie met name arrest van 14 mei 2009, Ilsinger, C‑180/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41).

23      In het door deze verordening ingevoerde stelsel neemt artikel 1, lid 2, sub b, ervan dezelfde plaats in en vervult het dezelfde functie als artikel 1, tweede alinea, sub 2, van het Executieverdrag. Bovendien zijn deze twee bepalingen in identieke bewoordingen geformuleerd.

24      Gelet op een dergelijke gelijkwaardigheid van een bepaling van het Executieverdrag en een bepaling van verordening nr. 44/2001 moet in overeenstemming met punt 19 van de considerans van deze laatste de continuïteit in de uitlegging van deze twee instrumenten worden gewaarborgd. Die continuïteit is tevens het middel om te verzekeren dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat één van de grondslagen van beide instrumenten vormt, wordt geëerbiedigd (arrest Ilsinger, reeds aangehaald, punt 58).

25      Gelet op het voorgaande is dus de intensiteit van het verband in de zin van de reeds aangehaalde Gourdain-rechtspraak tussen een vordering in rechte zoals in het hoofdgeding aan de orde is en de insolventieprocedure, bepalend voor de beslissing of de in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 genoemde uitsluiting moet worden toegepast.

26      In casu blijkt dat er in het hoofdgeding sprake is van een bijzonder nauw verband.

27      Enerzijds blijkt namelijk uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding uitsluitend betrekking heeft op de eigendom van aandelen die in het kader van een insolventieprocedure door een curator zijn overgedragen op grond van bepalingen als die van de Konkurslag (Zweedse wet betreffende faillissementsprocedures) nr. 672 van 1987 (SFS 1987, nr. 672), die derogeert aan de algemene regels van het burgerlijk recht, met name van het eigendomsrecht. In het bijzonder voorzien die bepalingen erin dat de debiteur in geval van faillissement het recht verliest, vrijelijk over zijn goederen te beschikken en dat het aan de curator staat, voor rekening van de schuldeisers het actief van de failliete boedel te beheren, met inbegrip van het doen plaatsvinden van de noodzakelijke overdrachten.

28      Met andere woorden, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht en de vordering tot revindicatie waartoe zij aanleiding heeft gegeven, zijn het rechtstreekse gevolg van en onlosmakelijk verbonden met de uitoefening door de curator, te weten een rechtssubject dat pas in actie komt na de opening van een faillissementsprocedure, van een prerogatief dat hij specifiek ontleent aan bepalingen van het nationale recht waardoor dit type procedure wordt beheerst.

29      Dit blijkt overigens met name uit de omstandigheid dat in het hoofdgeding, zoals blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier, het actief van de onderneming waarop de insolventieprocedure betrekking heeft, na de verkoop van de betrokken aandelen door de curator is toegenomen.

30      Anderzijds staat vast dat de grond waarop de Oostenrijkse rechter bij de beslissing waarvan voor de verwijzende rechter erkenning wordt gevraagd, de nietigheid van de overdracht van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen heeft uitgesproken, juist en uitsluitend de reikwijdte van de bevoegdheden van de curator in een faillissementsprocedure betreft, in het bijzonder de mogelijkheid voor deze om over zich in Oostenrijk bevindende goederen te beschikken. De inhoud en de strekking van deze beslissing zijn dus nauw verbonden met het verloop van de faillissementsprocedure. Dit verband wordt overigens niet losser doordat in het hoofdgeding deze procedure was afgesloten op het tijdstip waarop bij de Oostenrijkse rechter de vordering tot revindicatie aanhangig werd gemaakt.

31      In deze omstandigheden moet een vordering als in het hoofdgeding aan de orde is, worden geacht rechtstreeks voort te vloeien uit een insolventieprocedure en daar nauw op aan te sluiten, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt.

32      Gelet op de specifieke juridische situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, en het nauwe verband tussen de bij de verwijzende rechter aanhangige vordering en de insolventieprocedure, doen de in de punten 2, 7 en 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 genoemde beginselen niet af aan deze beoordeling.

33      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de uitzondering van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een beslissing van een rechterlijke instantie van een lidstaat A betreffende de inschrijving van de eigendom van aandelen in een vennootschap met statutaire zetel in lidstaat A, krachtens welke de overdracht van die aandelen nietig moet worden geacht, op grond dat de rechterlijke instantie van lidstaat A niet de bevoegdheid van een curator in een lidstaat B erkent in het kader van een in lidstaat B gevoerde en beëindigde faillissementsprocedure.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De uitzondering van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een beslissing van een rechterlijke instantie van een lidstaat A betreffende de inschrijving van de eigendom van aandelen in een vennootschap met statutaire zetel in lidstaat A, krachtens welke de overdracht van die aandelen nietig moet worden geacht op grond dat de rechterlijke instantie van lidstaat A niet de bevoegdheid van een curator in een lidstaat B erkent in het kader van een in lidstaat B gevoerde en beëindigde faillissementsprocedure.

ondertekeningen


* Procestaal: Zweeds.