Language of document : ECLI:EU:C:2009:577

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. MAZÁK

van 24 september 2009 (1)

Zaak C‑381/08

Car Trim GmbH

tegen

KeySafety Systems Srl

[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Bevoegdheid ‚ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst’ – Vaststelling van plaats van uitvoering van verbintenis – Criteria om verkoop van goederen te onderscheiden van verstrekking van diensten”





I –    Inleiding, feiten van het hoofdgeding en procesverloop voor de verwijzende rechterlijke instantie

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is aan het Hof voorgelegd door het Bundesgerichtshof (federale Hof van justitie) (Duitsland) (hierna: „verwijzende rechterlijke instantie”). De gestelde prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 5, punt 1, sub b, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2) (hierna: „verordening nr. 44/2001”).

2.        De verwijzende rechterlijke instantie wenst van het Hof te vernemen of de Duitse rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van het beroep tot schadevergoeding dat is ingesteld door Car Trim GmbH, een te Plauen in Duitsland gevestigde onderneming (hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”), tegen KeySafety Systems SRL, een te Villastone in Italië gevestigde onderneming (hierna: „verweerster in het hoofdgeding”).

3.        Van juli 2001 tot december 2003 heeft verweerster in het hoofdgeding componenten voor airbagsystemen gekocht van de rechtsvoorgangster van verzoekster in het hoofdgeding. De voor deze systemen benodigde onderdelen en materialen waren hoofdzakelijk afkomstig van leveranciers hogerop in het productieproces. Over de productie en levering van deze componenten, die verzoekster in het hoofdgeding, zoals contractueel was overeengekomen, op afroep franco bij de fabriek van verweerster in het hoofdgeding te Colleferro (Italië) diende af te leveren, sloten partijen vijf raamovereenkomsten, die elk betrekking hadden op een bepaald type voertuig.

4.        Verweerster in het hoofdgeding heeft de verschillende overeenkomsten eind 2003 opgezegd, waarna verzoekster in het hoofdgeding, die deze opzeggingen als contractbreuken beschouwde, een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld bij het Landgericht Chemnitz, dat haars inziens op grond van de toenmalige plaats van productie bevoegd was. Deze rechterlijke instantie heeft de vordering wegens ontbreken van internationale bevoegdheid van de Duitse rechter niet-ontvankelijk verklaard. Het Oberlandesgericht Dresden heeft het door verzoekster in het hoofdgeding tegen die beslissing ingestelde hoger beroep verworpen. Daarop heeft verzoekster in het hoofdgeding met instemming van de appèlrechter bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep tot „Revision” ingesteld.

II – Rechtskader

5.        De tweede overweging van de considerans van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:

„Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.”

6.        De elfde overweging van de considerans van verordening nr. 44/2001 preciseert:

„De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]”

7.        In de twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 44/2001 heet het:

„Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.”

8.        De bevoegdheidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001.

9.        Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat deel uitmaakt van afdeling 1, „Algemene bepalingen”, van voornoemd hoofdstuk II, bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

10.      Artikel 5 van verordening nr. 44/2001, dat deel uitmaakt van afdeling 2, „Bijzondere bevoegdheid”, van hoofdstuk II van deze verordening, luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)       a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)       voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–      voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–      voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)       punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]”

III – Prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

11.      De verwijzende rechterlijke instantie heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moet artikel 5, punt 1, sub b, van [verordening nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd, dat overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen roerende zaken waarbij door de opdrachtgever bepaalde eisen worden gesteld met betrekking tot de verkrijging, verwerking en levering van de te vervaardigen zaken, en waarbij de productiekwaliteit, de leveringsbetrouwbaarheid en de vlotte administratieve afwikkeling van de orders moeten worden gewaarborgd, niettemin als koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken (eerste streepje) en niet als verstrekking van diensten (tweede streepje) moeten worden gekwalificeerd? Welke criteria zijn in dit verband doorslaggevend?

2)      Indien moet worden uitgegaan van een overeenkomst inzake koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken: is de plaats waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden, in geval van een verzendingskoop de plaats van de materiële overdracht aan de koper dan wel de plaats waar de zaken aan de eerste vervoerder worden afgegeven met het oog op verzending aan de koper?”

12.      Verweerster in het hoofdgeding, de Duitse en de Tsjechische regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

IV – Beoordeling

A –    Eerste prejudiciële vraag

13.      Met haar eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of overeenkomsten voor de levering van goederen die volgens specifieke eisen van de koper moeten worden vervaardigd of voortgebracht en geleverd, als „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” dan wel als „verstrekking van diensten” in de zin van artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 moeten worden gekwalificeerd. Tevens vraagt zij welke criteria doorslaggevend zijn om een onderscheid tussen de „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en de „verstrekking van diensten” in de zin van verordening nr. 44/2001 te maken.

14.      Overeenkomsten voor levering van te vervaardigen of voort te brengen goederen worden door de partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, unaniem als overeenkomsten betreffende de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken gekwalificeerd, ook wanneer de koper bepaalde eisen met betrekking tot de verkrijging, verwerking en levering van deze goederen heeft gesteld, met name dat de productiekwaliteit, de leveringsbetrouwbaarheid en de vlotte administratieve afwikkeling van de orders moeten worden gewaarborgd. De Commissie voegt hieraan toe dat dit anders is wanneer de persoon die deze goederen bestelt, zelf een wezenlijk deel van de voor de vervaardiging of de productie ervan benodigde materiële onderdelen dient te verstrekken.

15.      De Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben ook nagedacht over de criteria die doorslaggevend zijn om een onderscheid te maken tussen „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en „verstrekking van diensten”. Volgens de Duitse regering gaat het om economische criteria die verlangen dat wordt onderzocht welke verbintenissen de overeenkomst kenmerken. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk is het doorslaggevende element het feit dat de prestatie van de verkoper tot de levering en de eigendomsoverdracht van de goederen leidt.

16.      Mijns inziens kan de eerste prejudiciële vraag op verschillende manieren worden opgevat. Zij kan aldus worden verstaan dat het Hof wordt verzocht de criteria voor het onderscheid tussen „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en „verstrekking van diensten” in het algemeen dan wel enkel met betrekking tot het voorwerp van het hoofdgeding te definiëren, of nog als middel om uit het algemene onderscheid tussen „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en „verstrekking van diensten” conclusies voor het concrete onderhavige geval te trekken.

17.      Opgemerkt zij dat deze vraag niet louter aan de hand van de bewoordingen van artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 kan worden beantwoord, aangezien de begrippen „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en „verstrekking van diensten” in deze bepaling niet zijn omschreven. In dit verband heeft het Hof eraan herinnerd dat moet worden uitgegaan van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van verordening nr. 44/2001.(3) Ik denk niet dat op de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van deze verordening hoeft te worden teruggekomen. Ter zake volstaat het immers naar de recente rechtspraak van het Hof te verwijzen.(4)

18.      De door het gemeenschapsrecht en de rechtspraak van het Hof geboden aanwijzingen volstaan niet om algemene criteria voor het onderscheid tussen „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” en „verstrekking van diensten” vast te stellen. Zoals uit punt 33 van het arrest van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch(5) blijkt, heeft het in verordening nr. 44/2001 gebruikte begrip „diensten” een autonome inhoud, die losstaat van de uitlegging van dit begrip in het kader van artikel 50 EG of van andere handelingen van het afgeleide gemeenschaprecht dan verordening nr. 44/2001. Volgens mij geldt dit ook voor het begrip „roerende lichamelijke zaken”. De rechtspraak van het Hof tot uitlegging van de begrippen „diensten” en „roerende lichamelijke zaken” uit het oogpunt van de fundamentele vrijheden van de interne markt, is bijgevolg niet van toepassing in de context van verordening nr. 44/2001.

19.      Het Hof heeft tot op heden slechts een gedeeltelijke, negatieve definitie van het begrip „overeenkomst voor de verstrekking van diensten” in de zin van verordening nr. 44/2001 gegeven, waarbij het voor recht heeft verklaard dat dit begrip niet ziet op een overeenkomst waarbij de houder van een recht van intellectuele eigendom zijn medecontractant het recht verleent om tegen vergoeding gebruik te maken van dat recht.(6) Hieruit kan evenwel geen enkele algemene conclusie worden getrokken.

20.      Ik ben van mening dat geen algemene analyse van het gevraagde onderscheid hoeft te worden gemaakt. Gelet op de veelvuldige facetten van het economische leven is een dergelijk algemeen onderscheid objectief onmogelijk. Aangezien het procesrecht gebruik maakt van begrippen met een materiële inhoud, zoals in casu „roerende lichamelijke zaken” en „diensten”, ligt voor de hand dat voor de uitlegging van deze begrippen en de onderlinge afbakening ervan per geval te rade moet worden gegaan met het materiële gemeenschapsrecht, met name gelet op het met het gebruik van deze begrippen beoogde doel.

21.      Deze premisse vormt het uitgangspunt voor mijn antwoord op de eerste prejudiciële vraag. Daarbij zij aangetekend dat ik enkel op basis van de eigen kenmerken van de zaak in het hoofdgeding kan antwoorden.

22.      In dit verband dient erop te worden gewezen dat verzoekster in het hoofdgeding vijf raamovereenkomsten voor de levering van componenten voor airbagsystemen heeft gesloten met verweerster in het hoofdgeding. Het is juist dat verweerster in het hoofdgeding – als afneemster – een aantal voorwaarden inzake de kwaliteit van deze componenten heeft gesteld. Dit neemt evenwel niet weg dat de overeenkomsten in kwestie uiteindelijk tot de levering van goederen met bepaalde overeengekomen eigenschappen strekten.

23.      Hoewel ik evenals het Oberlandesgericht Dresden, de appèlrechter in het hoofdgeding, erken dat tot de contractuele verbintenissen van verzoekster in het hoofdgeding verbintenissen behoren die met het begrip levering van diensten overeenkomen, te weten het op maat snijden en de verwerking van onderdelen die van onderaannemers hogerop in het productieproces werden betrokken, teneinde deze onderdelen aan de behoeften van verweerster in het hoofdgeding aan te passen, betroffen deze verbintenissen evenwel slechts accessoire verbintenissen. Het Hof heeft reeds het – door verweerster in het hoofdgeding in haar schriftelijke opmerkingen eveneens ingeroepen – beginsel erkend volgens welk de bijzaak de hoofdzaak volgt („accessorium sequitur principale”).(7)

24.      Bijgevolg bestond in de betrokken overeenkomsten de hoofdverbintenis uit de levering van componenten voor airbagsystemen en dienen de contractuele relatie tussen verzoekster in het hoofdgeding en verweerster het hoofdgeding en de inhoud en de gevolgen van deze relatie onder artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 te worden ingedeeld.

25.      Indien, ten slotte, de tussen verzoekster in het hoofdgeding en verweerster in het hoofdgeding gesloten overeenkomsten op basis van de criteria van de fundamentele vrijheden van de interne markt zouden worden getoetst, kan niet worden betwist dat zij onder het vrije verkeer van goederen en niet onder de vrijheid van dienstverrichting zouden vallen.

26.      Op de eerste prejudiciële vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen goederen als „koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken” dienen te worden gekwalificeerd, ook indien de koper bepaalde eisen heeft gesteld met betrekking tot de verkrijging, de verwerking en de levering van deze goederen, en met name inzake een gewaarborgde productiekwaliteit.

B –    Tweede prejudiciële vraag

27.      Met haar tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechterlijke instantie het Hof in wezen om uitlegging, wat verzendingskopen betreft, van de in artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 vervatte bewoordingen „de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden”, teneinde de plaats van uitvoering van de verbintenis te kunnen vaststellen, die ten aanzien van overeenkomsten een aanknopingspunt voor de aanwijzing van de bevoegde rechterlijke instantie vormt.

28.      Verweerster in het hoofdgeding en de Duitse en de Tsjechische regering zijn het erover eens dat met betrekking tot verzendingskopen de plaats waar de goederen volgens de overeenkomst zijn geleverd of hadden moeten worden geleverd, op basis van de plaats van de materiële overdracht aan de koper dient te worden vastgesteld.

29.      De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie geven in de door hen voorgestelde antwoorden op de tweede prejudiciële vraag een gedetailleerder omschrijving van dit type verkoopovereenkomst.

30.      Niettemin komt het antwoord van de Commissie in beginsel overeen met de door verweerster in het hoofdgeding en de Duitse en de Tsjechische regering voorgestelde antwoorden. In geval van verkoopovereenkomsten waarbij de goederen moeten worden vervoerd en de verkoper deze goederen in eerste instantie aan de vervoerder dient af te geven met het oog op het vervoer ervan naar de koper („verzendingskoop”), moet volgens de Commissie de plaats van levering worden vastgesteld op basis van de plaats waar de koper de feitelijke beschikking over de geleverde goederen verkrijgt, dan wel volgens de overeenkomst had moeten verkrijgen (de plaats van bestemming van de verkochte goederen).

31.      Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk dient de plaats van levering te worden vastgesteld op basis van de bepalingen van de overeenkomst. Wanneer de wezenlijke verbintenis van de verkoper erin bestaat, de goederen te vervoeren en (in voorkomend geval) de stukken houdende eigendomsoverdracht aan de koper te overhandigen, is die plaats van levering – tenzij in de overeenkomst anders is bepaald – de plaats waar de goederen aan de vervoerder zijn afgegeven met het oog op het vervoer ervan naar de koper of overeenkomstig de instructies van deze laatste.

32.      Vooraf dient erop te worden gewezen dat het begrip „verzendingskoop” uit het nationale recht afkomstig is en in de rechtsorden van de verschillende lidstaten een verschillende inhoud kan hebben. Volgens mij zou het dan ook niet aangewezen zijn dat het Hof de bewoordingen „de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden”, specifiek voor verzendingskopen zou uitleggen. Het Hof kan deze bewoordingen enkel met betrekking tot de verkoopovereenkomst in het algemeen uitleggen.

33.      De bewoordingen „de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden” dienen tegen de achtergrond van de hierna volgende elementen te worden uitgelegd.

34.      In de eerste plaats streeft verordening nr. 44/2001 volgens de rechtspraak een doelstelling van rechtszekerheid na die de rechtsbescherming van de in de Europese Gemeenschap gevestigde personen wil vergroten door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.(8) Bijgevolg dient bij de in casu gevraagde uitlegging noodzakelijkerwijs te worden verzekerd dat de belangen van de verkoper en die van de koper worden afgewogen.

35.      In de tweede plaats beantwoordt de bijzonderebevoegdheidsregel in artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 inzake verbintenissen uit overeenkomst, tot aanvulling van de algemene regel dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, aan een nabijheidsdoelstelling en is deze regel ingegeven door de wenselijkheid van een nauwe band tussen de overeenkomst en het gerecht dat daarvan kennis moet nemen.(9)

36.      Wat in de derde plaats de plaats van uitvoering van uit overeenkomsten voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken voortvloeiende verbintenissen betreft, omschrijft artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 dit aanknopingspunt op autonome wijze, ter bevordering van de doelstellingen van eenvormigheid van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en voorspelbaarheid.(10)

37.      Uit een en ander volgt dat de aan de orde gestelde bepaling tegen de achtergrond van de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid en in overeenstemming met de rechtszekerheideis moet worden uitgelegd.

38.      Ik ben van mening dat de uitlegging volgens welke „de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden” moet worden opgevat als de plaats waar de goederen materieel aan de koper zijn overhandigd of hadden moeten worden overhandigd, het meest met deze vereisten overeenstemt. Deze plaats als de plaats van levering beschouwen, strookt het best met de strekking van de in artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 geformuleerde bijzonderebevoegdheidsregel.

39.      Naast het feit dat deze uitlegging het nabijheidscriterium eerbiedigt, voldoet deze uitlegging ook aan de eis van voorspelbaarheid, aangezien daarmee zowel de verzoeker als de verweerder zonder grote moeilijkheid kunnen voorzien voor welk gerecht zij kunnen worden opgeroepen.

40.      Met de voorgestelde uitlegging wordt de plaats van de materiële afgifte van de goederen aan de koper als criterium voor de vaststelling van de plaats van de levering van goederen aangemerkt, zonder verwijzing naar het nationale recht van de verschillende lidstaten. Dit criterium is gemakkelijk toepasbaar en het bewijs kan gemakkelijk worden geleverd, zodat de bevoegde rechterlijke instantie probleemloos kan worden aangewezen.

41.      Derhalve dient de tweede prejudiciële vraag aldus te worden beantwoord dat de in artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 gebruikte bewoordingen „de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden”, aldus moeten worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op de plaats waar de goederen materieel aan de koper zijn overhandigd of hadden moeten worden overhandigd.

V –    Conclusie

42.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 5, punt 1, sub b, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen goederen als ‚koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken’ dienen te worden gekwalificeerd, ook indien de koper bepaalde eisen heeft gesteld met betrekking tot de verkrijging, de verwerking en de levering van deze goederen, en met name inzake een gewaarborgde productiekwaliteit.

2)      De in artikel 5, punt 1, sub b, eerste streepje, van verordening nr. 44/2001 gebruikte bewoordingen ‚de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden’, moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op de plaats waar de goederen materieel aan de koper zijn overhandigd of hadden moeten worden overhandigd.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – PB L 12, blz. 1.


3 – Zie arresten van 3 mei 2007, Color Drack (C‑386/05, Jurispr. blz. I‑3699, punt 18); 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch (C‑533/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 20), en 9 juli 2009, Rehder (C‑204/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 31).


4 – Zie arrest Falco Privatstiftung en Rabitsch (aangehaald in voetnoot 3, punten 21‑27).


5 – Aangehaald in voetnoot 3.


6 – Zie arrest Falco Privatstiftung en Rabitsch (aangehaald in voetnoot 3, punt 44).


7 – Zie arrest van 15 januari 1987, Shenavai (266/85, Jurispr. blz. 239, punt 19).


8 – Zie arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage (C‑103/05, Jurispr. blz. I‑6827, punten 24 en 25), en arresten Color Drack (aangehaald in voetnoot 3, punt 20) en Falco Privatstiftung en Rabitsch (aangehaald in voetnoot 3, punt 22).


9 – Zie arresten Color Drack (aangehaald in voetnoot 3, punt 22) en Rehder (aangehaald in voetnoot 3, punt 32).


10 – Zie arresten Color Drack (aangehaald in voetnoot 3, punten 24 en 26) en Rehder (aangehaald in voetnoot 3, punt 33).