Language of document : ECLI:EU:C:2009:178

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

24 maart 2009 (*)

„Maatregelen van gelijke werking – Veterinairrechtelijke voorschriften – Intracommunautair handelsverkeer – Vers vlees – Veterinaire controles – Niet-contractuele aansprakelijkheid van lidstaat – Verjaringstermijn – Vaststelling van schade”

In zaak C‑445/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 12 oktober 2006, ingekomen bij het Hof op 6 november 2006, in de procedure

Danske Slagterier

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts, M. Ilešič en A. Ó. Caoimh, kamerpresidenten, G. Arestis, A. Borg Barthet (rapporteur), J. Malenovský, J. Klučka, U. Lõhmus en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 mei 2008,

gelet op de opmerkingen van:

–        Danske Slagterier, vertegenwoordigd door R. Karpenstein, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Blaschke als gemachtigden, bijgestaan door L. Giesberts, Rechtsanwalt,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door T. Boček als gemachtigde,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, S. Charitaki en S. Papaioannou als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.‑L. During als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door E. Ośniecka-Tamecka en P. Kucharski als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Lee, barrister,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en H. Krämer als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2008,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, lid 1, sub o, en 6, lid 1, sub b‑iii, van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PB 1964, 121, blz. 2012), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/497/EEG van de Raad van 29 juli 1991 (PB L 268, blz. 69; hierna: „richtlijn 64/433”), en van de artikelen 5, lid 1, 7 en 8 van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395, blz. 13), alsook van artikel 28 EG.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Danske Slagterier en de Bundesrepublik Deutschland over een vordering tot schadevergoeding.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        Artikel 5, lid 1, van richtlijn 64/433 bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat de officiële dierenarts ongeschikt voor menselijke consumptie verklaart:

[...]

o)      vlees dat een uitgesproken seksuele geur verspreidt.”

4        Artikel 6, lid 1, van die richtlijn luidt:

„De lidstaten zien erop toe dat

[...]

b)      vlees

[...]

iii)      onverminderd de gevallen als bedoeld in artikel 5, lid 1, sub o, van niet-gecastreerde mannelijke varkens met een geslacht gewicht hoger dan 80 kg, tenzij de inrichting op basis van een volgens de procedure van artikel 16 erkende methode, of, bij ontstentenis daarvan, op basis van een door de betrokken bevoegde autoriteit erkende methode, kan garanderen dat karkassen met een uitgesproken seksuele geur kunnen worden opgespoord,

voorzien wordt van het speciale merk als bedoeld in beschikking 84/371/EEG [van de Commissie van 3 juli 1984 tot vaststelling van het speciale merk voor vers vlees als bedoeld in artikel 5, sub a, van richtlijn 64/433/EEG van de Raad (PB L 196, blz. 46)] en een behandeling [ondergaat] als bedoeld in richtlijn 77/99/EEG [van de Raad van 21 december 1976 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesproducten (PB 1977, L 26, blz. 85)];

[...]

g)      de in de vorige punten bedoelde behandelingen worden uitgevoerd in de inrichting van oorsprong of in een andere door de officiële dierenarts aangewezen inrichting;

[...]”

5        Richtlijn 64/433 moest vóór 1 januari 1993 in nationaal recht zijn uitgevoerd.

6        Artikel 5, lid 1, van richtlijn 89/662 bepaalt:

„De lidstaten van bestemming passen de volgende controlemaatregelen toe:

a)      de bevoegde autoriteit kan op de plaats van bestemming van de goederen via steekproefsgewijze en niet-discriminerende veterinaire controles nagaan of aan artikel 3 is voldaan; zij kan bij die gelegenheid monsters nemen.

Beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doorvoer of van de lidstaat van bestemming over gegevens die een overtreding doen vermoeden, dan kunnen er bovendien nog controles worden verricht tijdens het vervoer van de goederen op haar grondgebied met inbegrip van de controle van de overeenstemming van de vervoermiddelen;

[...]”

7        Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt:

„Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij een controle op de plaats van bestemming of tijdens het vervoer constateren dat:

[...]

b)      de goederen niet voldoen aan de voorschriften van de communautaire richtlijnen of, bij ontstentenis van besluiten over de communautaire normen waarin de richtlijnen voorzien, aan de nationale normen, kunnen zij – indien zulks op grond van de hygiënische of veterinairrechtelijke voorschriften mogelijk is – de verzender of diens gemachtigde de keuze laten tussen:

–        de destructie van de goederen, of

–        het gebruik van de goederen voor andere doeleinden, met inbegrip van terugzending, met toestemming van de bevoegde autoriteit van de inrichting van oorsprong.

[...]”

8        Ten slotte heet het in artikel 8 van die richtlijn:

„1.      In de in artikel 7 bedoelde gevallen treedt de bevoegde autoriteit van een lidstaat van bestemming onverwijld in contact met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending. Deze nemen alle nodige maatregelen en delen aan de bevoegde autoriteit van de eerste lidstaat de aard van de verrichte controles, de genomen beslissingen en de redenen daarvan mede.

[...]

2.      [...]

De door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming genomen beslissingen moeten met opgave van redenen aan de verzender of diens gemachtigde alsmede aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending worden meegedeeld.

Deze met redenen omklede beslissingen moeten op verzoek van de verzender of diens gemachtigde schriftelijk aan de betrokkene worden meegedeeld met vermelding van de beroepsmogelijkheden die de in de lidstaat van bestemming geldende wetgeving biedt, en van de vorm waarin en de termijn waarbinnen de betreffende procedures moeten worden ingeleid.

[...]”

 Nationale regeling

9        In de tot en met 31 december 2001 geldende versie van § 839 Bürgerliches Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) was bepaald,

„(1)      De ambtenaar die opzettelijk of door nalatigheid zijn ambtsplicht jegens een derde schendt, is tegenover deze derde gehouden tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade. Indien de ambtenaar slechts nalatigheid kan worden verweten, is hij alleen aansprakelijk voor schade wanneer de benadeelde deze niet op andere wijze vergoed kan krijgen.

(2)      De ambtenaar die zijn ambtsplicht schendt in het kader van de uitspraak in een rechtszaak, is slechts aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade wanneer deze schending een strafbaar feit vormt. Deze bepaling is niet van toepassing op de onrechtmatige weigering van of vertraging bij de uitoefening van het ambt.

(3)      Wanneer de benadeelde opzettelijk of door nalatigheid heeft verzuimd de schade te voorkomen door de uitoefening van een rechtsmiddel is er geen verplichting tot schadeloosstelling.”

10      § 852 BGB luidde:

„(1)      De vordering tot vergoeding van de uit een onrechtmatige handeling voorvloeiende schade verjaart drie jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, en in ieder geval dertig jaar na het stellen van de handeling.

(2)      Wanneer de schadevergoedingsplichtige en de schadevergoedingsgerechtigde onderhandelen over de schadevergoeding wordt de verjaring geschorst totdat een van de partijen de onderhandelingen afbreekt.

(3)      Wanneer de schadevergoedingsplichtige door de onrechtmatige handeling iets verkrijgt op kosten van de benadeelde, dan is hij ook na afloop van de verjaringstermijn verplicht tot teruggave overeenkomstig de voorschriften betreffende de teruggave bij ongerechtvaardigde verrijking.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Danske Slagterier, een brancheorganisatie van Deense coöperatieve slachthuizen en varkenshouders, vordert in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van haar leden jegens de Bundesrepublik Deutschland schadevergoeding wegens schending van het gemeenschapsrecht. Zij verwijt verweerster dat zij in strijd met het gemeenschapsrecht van 1993 tot 1999 een verbod heeft ingesteld op de invoer van vlees van niet-gecastreerde mannelijke varkens, waardoor de varkenshouders en de slachthuizen tijdens de betrokken periode ten minste 280 miljoen DEM schade hebben geleden.

12      In het begin van de jaren negentig is in Denemarken een project, het zogenoemde „Male-Pig-Projekt” opgestart, teneinde niet-gecastreerde mannelijke varkens te fokken. Bij dit type van fokkerij, dat vanuit economisch oogpunt interessant is, bestaat evenwel het gevaar dat het vlees bij verhitting een uitgesproken seksuele geur afgeeft. Volgens Deense wetenschappelijke onderzoekers kan deze sterke geur reeds tijdens de slacht worden vastgesteld door meting van het skatolgehalte. Bijgevolg zijn alle slachtlijnen in Denemarken uitgerust met skatolmeettoestellen om het vlees met die geur te kunnen detecteren en uit te sorteren. De Bondsrepubliek Duitsland was toen evenwel van mening dat die geur werd veroorzaakt door het hormoon androstenon, waarvan de productie kan worden voorkomen door de dieren in een vroeger stadium te castreren, en dat het skatolgehalte op zichzelf beschouwd geen betrouwbare methode was voor de opsporing van de seksuele geur.

13      In januari 1993 heeft de Bondsrepubliek Duitsland aan de hoogste veterinaire instanties van de lidstaten meegedeeld, dat artikel 6, lid 1, sub b, van richtlijn 64/433 aldus in Duits recht was omgezet, dat los van de gewichtsbeperking een grenswaarde van 0,5 μg/g androstenon werd vastgesteld. Het vlees dat die grenswaarde overschreed zou immers een uitgesproken seksuele geur verspreiden, zodat het ongeschikt was voor menselijke consumptie. Daarbij benadrukte zij dat enkel de gewijzigde immuno-enzymtest van professor Claus werd erkend als specifieke methode voor het opsporen van androstenon, en dat het vlees van niet-gecastreerde mannelijke varkens dat genoemde grenswaarde overschreed niet als vers vlees naar Duitsland mocht worden vervoerd.

14      Derhalve werden vervolgens talrijke partijen Deens varkensvlees door de Duitse autoriteiten onderzocht en afgekeurd wegens overschrijding van de grenswaarde voor androstenon. Bovendien dienden de varkenshouders en slachthuizen die de productie van gecastreerde mannelijke varkens nagenoeg volledig hadden stopgezet, de productie daarvan te hervatten om hun export naar Duitsland niet in gevaar te brengen. Danske Slagterier betoogt dat indien het uitgevoerde vlees afkomstig was geweest van niet-gecastreerde varkens, zoals was voorzien in het Male-Pig-Projekt, een kostenbesparing van ten minste 280 miljoen DEM had kunnen worden gerealiseerd.

15      Het Landgericht Bonn, waarbij op 6 december 1999 door Danske Slagterier een aansprakelijkheidsvordering aanhangig was gemaakt tegen de Bundesrepublik Deutschland, heeft deze vordering gegrond verklaard wat de periode na 7 december 1996 betrof, en als verjaard afgewezen voor zover daarbij vergoeding van vóór die datum ontstane schade werd gevorderd. In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Köln de vordering in haar geheel gegrond verklaard. Met haar beroep tot „Revision” voor het Bundesgerichtshof beoogt de Bundesrepublik Deutschland de volledige afwijzing van de vordering.

16      Voorts heeft het Hof bij arrest van 12 november 1998, Commissie/Duitsland (C‑102/96, Jurispr. blz. I‑6871), vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland is tekort geschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 5, lid 1, sub o, en 6, lid 1, sub b, van richtlijn 64/433, alsook de artikelen 5, lid 1, 7 en 8 van richtlijn 89/662, door enerzijds voor te schrijven dat karkassen van niet-gecastreerde mannelijke varkens van een merk moeten worden voorzien en een warmtebehandeling moeten ondergaan wanneer het vlees, ongeacht het gewicht van het dier, bij toepassing van de gewijzigde immuno-enzymtest van professor Claus een androstenongehalte van meer dan 0,5 μg/g blijkt te bevatten, en anderzijds door zich op het standpunt te stellen dat het vlees boven de grenswaarde van 0,5 μg/g een uitgesproken seksuele geur verspreidt, zodat het ongeschikt is voor menselijke consumptie.

17      In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Verkeren varkensvleesproducenten en ‑handelaars ingevolge de artikelen 5, lid 1, sub o, en 6, lid 1, sub b‑iii, van richtlijn [64/433], junctis de artikelen 5, lid 1, 7 en 8 van richtlijn [89/662], in een rechtspositie die, in het geval van onjuiste omzetting of toepassing van deze bepalingen, een op het gemeenschapsrecht gebaseerde vordering wegens overheidsaansprakelijkheid kan doen ontstaan?

2)      Kunnen, in het geval van een met het gemeenschapsrecht strijdige omzetting en toepassing van bedoelde richtlijnen, varkensvleesproducenten en ‑handelaars, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, tot staving van een op het gemeenschapsrecht gebaseerde vordering wegens overheidsaansprakelijkheid schending stellen van artikel 30 EG-Verdrag [thans artikel 28 EG]?

3)      Verlangt het gemeenschapsrecht dat de verjaring van de op het gemeenschapsrecht gebaseerde vordering wegens overheidsaansprakelijkheid door een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 EG wordt gestuit, of in ieder geval tot het einde van die procedure wordt geschorst indien er naar nationaal recht geen doeltreffend rechtsmiddel bestaat om de lidstaat te verplichten tot uitvoering van een richtlijn?

4)      Neemt de verjaringstermijn voor een vordering wegens overheidsaansprakelijkheid die is gebaseerd op het gemeenschapsrecht, en met name op de ontoereikende omzetting van een richtlijn en een daarmee gepaard gaand (feitelijk) invoerverbod, – ongeacht het toepasselijke nationale recht – eerst een aanvang met de volledige omzetting van die richtlijn, of kan de verjaringstermijn in overeenstemming met het nationale recht reeds aanvangen wanneer de eerste nadelige gevolgen zich hebben voorgedaan en nog meer nadelige gevolgen te voorzien zijn? Zo de volledige omzetting relevant is voor de aanvang van de verjaringstermijn, gaat het dan om een algemene regel, of om een regel die enkel toepassing vindt wanneer de richtlijn aan particulieren een recht toekent?

5)      Bestaat, gelet op de omstandigheid dat de voorwaarden die de lidstaten in de wettelijke regelingen ter zake van de schadeloosstelling vaststellen voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen wegens overheidsaansprakelijkheid, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige, louter nationale vorderingen gelden, en dat het verkrijgen van schadevergoeding niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt, in het algemeen bezwaar tegen een nationale regeling, op grond waarvan geen verplichting tot schadeloosstelling ontstaat wanneer de benadeelde opzettelijk of uit onachtzaamheid heeft verzuimd de schade te voorkomen door aanwending van een rechtsmiddel? Bestaat eveneens bezwaar tegen deze ‚voorrang van de primaire rechtsbescherming’, wanneer slechts voorrang moet worden gegeven indien dit redelijkerwijs van de betrokkene kan worden gevergd? Is, overeenkomstig het gemeenschapsrecht, bedoelde voorrang reeds dan onredelijk, wanneer de aangezochte rechter de kwestieuze vragen van gemeenschapsrecht waarschijnlijk niet kan beantwoorden zonder deze aan het Hof [...] voor te leggen, of wanneer reeds een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG aanhangig is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

18      Met de eerste en de tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of varkensvleesproducenten en ‑handelaars ingevolge de artikelen 5, lid 1, sub o, en 6, lid 1, sub b‑iii, van richtlijn 64/433 junctis de artikelen 5, lid 1, 7 en 8 van richtlijn 89/662 in het geval van onjuiste omzetting of toepassing van deze richtlijnen in een rechtspositie verkeren waarin zij een op schending van het gemeenschapsrecht gebaseerde vordering wegens overheidsaansprakelijkheid kunnen doen gelden, en of zij in die omstandigheden tot staving van een vordering wegens bedoelde overheidsaansprakelijkheid schending kunnen stellen van artikel 28 EG.

19      Om te beginnen zij in dit verband eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het beginsel dat de staat aansprakelijk is voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het gemeenschapsrecht die hem kunnen worden toegerekend, inherent is aan het systeem van het EG-Verdrag (arresten van 19 november 1991, Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, Jurispr. blz. I‑5357 punt 35; 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, Jurispr. blz. I‑1029, punt 31; 23 mei 1996, Hedley Lomas, C‑5/94, Jurispr. blz. I‑2553, punt 24, en 8 oktober 1996, Dillenkofer e.a., C‑178/94, C‑179/94 en C‑188/94–C‑190/94, Jurispr. blz. I‑4845, punt 20).

20      Het Hof heeft geoordeeld dat benadeelde particulieren recht hebben op schadevergoeding wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat het geschonden voorschrift van gemeenschapsrecht ertoe strekt hun rechten toe te kennen, dat het om een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift gaat en dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade (zie reeds aangehaalde arresten Brasserie du pêcheur en Factortame, punt 51; Hedley Lomas, punt 25, en Dillenkofer e.a., punt 21).

21      Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om de aansprakelijkheid van de lidstaten wegens schending van het gemeenschapsrecht te onderzoeken in het geval waarin geen uitvoering was gegeven aan richtlijnen ter verwezenlijking van de interne markt (zie met name arresten Francovich e.a. en Dillenkofer e.a.). Anders dan in de zaken waarin deze twee arresten zijn gewezen, waarin het afgeleide recht de enige basis was voor een rechtskader waaraan particulieren rechten ontleenden, is in het hoofdgeding evenwel een geval aan de orde waarin een van de partijen in het hoofdgeding, Danske Slagterier, betoogt dat de rechten waar zij zich op beroept, haar reeds bij artikel 28 EG worden toegekend.

22      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat vaststaat dat artikel 28 EG rechtstreekse werking heeft voor zover daarbij aan particulieren rechten worden toegekend waarop zij zich voor de nationale rechter rechtstreeks kunnen beroepen, en dat schending van deze bepaling een grond kan vormen voor schadevergoeding (arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 23).

23      Danske Slagterier beroept zich eveneens op de bepalingen van de richtlijnen 64/433 en 89/662. Blijkens de bewoordingen van de titel en van de eerste overweging van de considerans ervan is richtlijn 89/662 vastgesteld in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt. Hetzelfde geldt, zoals in de derde overweging van de considerans ervan is gepreciseerd, voor richtlijn 91/497, waarbij richtlijn 64/433 is gewijzigd. Het vrije verkeer van goederen is dus een van de doelstellingen van deze richtlijnen die, door de opheffing van de tussen de lidstaten bestaande ongelijkheid op het gebied van de gezondheidsvoorschriften inzake vers vlees, beogen het intracommunautaire handelsverkeer daarin te bevorderen. Voornoemde richtlijnen preciseren en concretiseren dus het bij artikel 28 EG toegekende recht.

24      Betreffende de inhoud van de richtlijnen 64/433 en 89/662 moet worden opgemerkt dat zij een regeling bevatten voor met name de veterinaire keuringen en de certificering van vers vlees dat in een lidstaat is geproduceerd en in een andere lidstaat wordt ingevoerd. Zoals inzonderheid blijkt uit artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 89/662, kunnen de lidstaten zich slechts tegen de invoer van vers vlees verzetten indien de goederen niet voldoen aan de voorschriften van de communautaire richtlijnen of wanneer er sprake is van bepaalde zeer bijzondere omstandigheden, zoals tijdens epidemieën. Het aan de lidstaten opgelegde verbod om de invoer te verhinderen geeft particulieren het recht om vers vlees dat aan de communautaire voorschriften voldoet in een andere lidstaat te verkopen.

25      Uit richtlijn 64/433 juncto richtlijn 89/662 blijkt overigens dat de maatregelen voor het opsporen van een uitgesproken seksuele geur van niet-gecastreerde mannelijke varkens op communautair niveau zijn geharmoniseerd (arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 29). Ingevolge deze harmonisatie is het de lidstaten dus verboden om op het volledig geharmoniseerde gebied de belemmering van het vrije verkeer van goederen te rechtvaardigen op andere gronden dan deze waarin is voorzien bij de richtlijnen 64/433 en 89/662.

26      Mitsdien moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat particulieren die schade hebben geleden door de onjuiste uitvoering en toepassing van de richtlijnen 64/433 en 89/662 zich op het recht op vrij verkeer van goederen kunnen beroepen om de overheid aansprakelijk te stellen wegens schending van het gemeenschapsrecht.

 Derde vraag

27      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het gemeenschapsrecht vereist dat, wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 EG heeft ingeleid, de in de nationale regeling vastgestelde verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van schending van het gemeenschapsrecht wordt gestuit of voor de duur van die procedure wordt geschorst indien er in die staat geen doeltreffend rechtsmiddel bestaat om hem te verplichten tot uitvoering van een richtlijn.

28      Een chronologisch overzicht van de feiten van het hoofdgeding maakt het mogelijk deze vraag toe te lichten. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de niet-nakomingsprocedure tegen de Bondsrepubliek Duitsland naar aanleiding waarvan het reeds aangehaalde arrest Commissie/Duitsland is gewezen, op 27 maart 1996 is ingeleid. Reeds in 1993 werden de benadeelden geconfronteerd met de eerste nadelige gevolgen, maar eerst in december 1999 hebben zij een beroep tot schadevergoeding wegens overheidsaansprakelijkheid ingesteld. Zou, zoals de verwijzende rechter overweegt, de in § 852, lid 1, BGB vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar worden toegepast, dan zou de verjaringstermijn ingaan vanaf midden 1996, dit is het tijdstip waarop de benadeelde personen, volgens deze rechterlijke instantie, bekend zijn geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. In het hoofdgeding zou de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid dus verjaard kunnen zijn. De vraag of de inleiding van een niet-nakomingsprocedure door de Commissie gevolgen heeft gehad voor de verjaringstermijn is dus relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.

29      Teneinde de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te verschaffen moet evenwel vooraf de door hem impliciet gestelde vraag worden onderzocht, te weten of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat dat de in § 852, lid 1, BGB vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar analoog wordt toegepast in het hoofdgeding.

30      Wat de toepassing van § 852, lid 1, BGB betreft heeft Danske Slagterier immers betoogd dat in het Duitse recht jammer genoeg geen duidelijk antwoord kan worden gevonden op de vraag, welk nationaal verjaringsvoorschrift van toepassing is op een op schending van het gemeenschapsrecht gebaseerde vordering wegens overheidsaansprakelijkheid, aangezien er dienaangaande nog geen wettelijke regeling is vastgesteld, er evenmin rechtspraak van de hoogste rechterlijke instanties bestaat, en in de rechtsleer eveneens verschillende opvattingen worden verdedigd, daar er verschillende rechtsgrondslagen mogelijk zijn. Zou de termijn van § 852 BGB voor de eerste maal naar analogie worden toegepast op vorderingen wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van schending van het gemeenschapsrecht, dan zouden de beginselen van rechtszekerheid en rechtsduidelijkheid alsook het doeltreffendheids‑ en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geschonden.

31      In dat verband zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak het bij gebreke van een gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen ten volle te beschermen. De staat dient de gevolgen van de veroorzaakte schade dus in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht ongedaan te maken, met dien verstande dat de voorwaarden, inzonderheid die betreffende de termijnen, die door de nationale wetgevingen inzake schadevergoeding zijn vastgesteld, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en niet van dien aard mogen zijn, dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in feite onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie met name arrest Francovich e.a., reeds aangehaald, punten 42 en 43, alsook arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 27).

32      Wat laatstgenoemd beginsel betreft, is het volgens het Hof met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de contribuabele als de betrokken administratie bescherming vindt, redelijke vervaltermijnen worden vastgesteld (zie arrest van 17 november 1998, Aprile, C‑228/96, Jurispr. blz. I‑7141, punt 19 en aangehaalde rechtspraak). Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk. Een nationale vervaltermijn van drie jaar lijkt in dat opzicht redelijk (zie met name arrest Aprile, reeds aangehaald, punt 19, en arrest van 11 juli 2002, Marks & Spencer, C‑62/00, Jurispr. blz. I‑6325, punt 35).

33      Uit punt 39 van het arrest Marks & Spencer blijkt evenwel eveneens dat om zijn taak, de waarborging van de rechtszekerheid, te vervullen, een verjaringstermijn van tevoren moet zijn vastgesteld. Een situatie die wordt gekenmerkt door een grote juridische onzekerheid, kan schending opleveren van het doeltreffendheidsbeginsel aangezien de vergoeding van de schade die particulieren hebben geleden ingevolge aan een lidstaat toe te rekenen schendingen van het gemeenschapsrecht in de praktijk buitensporig moeilijk zou kunnen worden wanneer zij de toepasselijke verjaringstermijn niet met redelijke zekerheid zouden kunnen vaststellen.

34      Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel staat het aan de nationale rechter, om, rekening houdend met alle aspecten van de feitelijke en juridische situatie ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, na te gaan of de analoge toepassing van de termijn van § 852, lid 1, BGB op vorderingen tot vergoeding van de schade die het gevolg is van de schending van het gemeenschapsrecht door de betrokken lidstaat, voldoende voorzienbaar was voor de justitiabele.

35      Wat voorts de vraag betreft, of de analoge toepassing van voornoemde termijn verenigbaar is met het gelijkwaardigheidsbeginsel, staat het eveneens aan de nationale rechter om na te gaan of de voorwaarden voor de vergoeding van de schade die particulieren hebben geleden ingevolge de schending van het gemeenschapsrecht door die lidstaat, als gevolg van deze toepassing niet ongunstiger waren dan deze welke gelden voor de vergoeding van soortgelijke schade van interne aard.

36      Wat de stuiting of de schorsing van de verjaringstermijn bij de instelling van een beroep wegens niet-nakoming betreft, blijkt uit het voorgaande dat het aan de lidstaten staat om dit soort procesregels vast te stellen, voor zover de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd.

37      Dienaangaande zij opgemerkt dat de vergoeding van de schade niet afhankelijk kan worden gesteld van het vereiste van een voorafgaande vaststelling door het Hof van een aan de staat toe te rekenen schending van het gemeenschapsrecht (zie arresten Brasserie du pêcheur en Factortame, punten 94‑96, en Dillenkofer e.a., punt 28).

38      De vaststelling van de niet-nakoming is immers een weliswaar belangrijk, maar niet onontbeerlijk element om te kunnen beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde dat de schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd moet zijn. Bovendien kunnen de rechten van particulieren niet afhankelijk zijn van de beoordeling door de Commissie van de vraag, of het al dan niet opportuun is overeenkomstig artikel 226 EG op te treden tegen een lidstaat, noch van de uitspraak door het Hof van een eventueel arrest houdende vaststelling van een niet-nakoming (zie arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, punten 93 en 95).

39      Een particulier kan dus een schadevordering instellen overeenkomstig de daartoe vastgestelde nationale voorschriften zonder dat hij hoeft te wachten op een arrest houdende vaststelling van de schending van het gemeenschapsrecht door de lidstaat. De omstandigheid dat de instelling van een beroep wegens niet-nakoming de verjaringstermijn niet stuit of schorst, maakt het de justitiabele dus niet onmogelijk of buitensporig moeilijk om de rechten uit te oefenen die hij aan het gemeenschapsrecht ontleent.

40      Danske Slagterier voert bovendien schending aan van het gelijkwaardigheidsbeginsel, aangezien het Duitse recht voorziet in de stuiting van de verjaringstermijn wanneer parallel een nationaal rechtsmiddel wordt ingesteld overeenkomstig § 839 BGB, en een beroep op grond van artikel 226 EG met een dergelijk rechtsmiddel moet worden gelijkgesteld.

41      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat om uit te maken of procedurevoorschriften gelijkwaardig zijn, objectief en abstract moet worden nagegaan of de betrokken voorschriften vergelijkbaar zijn gelet op hun rol in de gehele procedure, het verloop van die procedure en de bijzondere kenmerken van de voorschriften (zie in die zin arrest van 16 mei 2000, Preston e.a., C‑78/98, Jurispr. blz. I‑3201, punt 63).

42      Bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken voorschriften moet rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de procedure op grond van artikel 226 EG.

43      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie in het kader van haar aan artikel 226 EG ontleende bevoegdheden geen specifiek belang behoeft aan te tonen (zie arresten van 4 april 1974, Commissie/Frankrijk, 167/73, Jurispr. blz. 359, punt 15, en 10 april 2003, Commissie/Duitsland, C‑20/01 en C‑28/01, Jurispr. blz. I‑3609, punt 29). De Commissie dient immers in het algemeen belang ambtshalve erop toe te zien dat de lidstaten het gemeenschapsrecht toepassen, en een eventuele niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te doen vaststellen met het oog op de beëindiging ervan (zie arrest Commissie/Frankrijk, punt 15, en arrest van 10 april 2003, Commissie/Duitsland, punt 29, beide reeds aangehaald).

44      Artikel 226 EG beoogt dus niet de eigen rechten van deze instelling te beschermen. Alleen de Commissie beslist of het opportuun is om een niet-nakomingsprocedure in te leiden en, in voorkomend geval, op grond van welk handelen of nalaten de procedure moet worden ingeleid (arrest van 2 juni 2005, Commissie /Griekenland, C‑394/02, Jurispr. blz. I‑4713, punt 16 en aangehaalde rechtspraak). De Commissie beschikt dus op dit punt over een discretionaire bevoegdheid, waardoor het is uitgesloten dat particulieren het recht zouden hebben om van die instelling te eisen dat zij een bepaald standpunt inneemt (zie arrest van 14 februari 1989, Star Fruit/Commissie, 247/87, Jurispr. blz. 291, punt 11).

45      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd door een nationale regeling die niet voorziet in de stuiting of de schorsing van de verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van schending van het gemeenschapsrecht wanneer de Commissie een procedure op grond van artikel 226 EG aanhangig heeft gemaakt.

46      Gelet op een en ander moet derhalve op de derde vraag worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht niet verlangt dat wanneer de Commissie een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 EG aanhangig heeft gemaakt, de in de nationale regeling vastgestelde verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van schending van het gemeenschapsrecht wordt gestuit of voor de duur van die procedure wordt geschorst.

 Vierde vraag

47      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid uit hoofde van de onjuiste omzetting van een richtlijn – ongeacht het toepasselijke nationale recht – eerst een aanvang neemt met de volledige omzetting van die richtlijn, dan wel of deze termijn in overeenstemming met het nationale recht reeds aanvangt wanneer de eerste nadelige gevolgen van deze onjuiste omzetting zich hebben voorgedaan en nog meer nadelige gevolgen te voorzien zijn. Zo de volledige omzetting relevant is voor het verloop van de verjaringstermijn, wenst de verwijzende rechter te vernemen of er dan sprake is van een algemene regel, dan wel van een regel die enkel toepassing vindt wanneer de richtlijn aan particulieren een recht toekent.

48      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest, het bij gebreke van een gemeenschapsregeling aan de lidstaten staat om de procesregels, met inbegrip van de verjaringsregels, te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, zover deze regels het gelijkwaardigheids‑ en doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen. Bovendien zij eraan herinnerd dat de vaststelling van redelijke termijnen, die gelden op straffe van verval van recht, deze beginselen eerbiedigt en met name niet kan worden geacht de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.

49      De omstandigheid dat de in het nationale recht vastgestelde verjaringstermijn aanvangt wanneer de eerste nadelige gevolgen zich hebben voorgedaan en nog meer nadelige gevolgen te voorzien zijn, kan evenmin de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

50      Het door Danske Slagterier aangehaalde arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619), kan niet afdoen aan deze conclusie.

51      In de punten 78 en 79 van dat arrest overwoog het Hof dat het niet was uitgesloten dat een korte verjaringstermijn voor het indienen van een schadevordering, die begint te lopen op de dag waarop de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand is gekomen, de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de door die mededingingsregeling of verboden gedraging veroorzaakte schade in de praktijk onmogelijk zou kunnen maken. Bijgevolg zou het in geval van doorlopende of herhaalde inbreuken niet uitgesloten zijn dat de verjaringstermijn al verstrijkt voordat de inbreuk is beëindigd, in welk geval het eenieder die schade heeft geleden na het verstrijken van de verjaringstermijn onmogelijk zou zijn een beroep in te stellen.

52      In het hoofdgeding is dit evenwel niet het geval. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde verjaringstermijn niet kan ingaan voordat de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de persoon die deze dient te vergoeden. In dergelijke omstandigheden is het dus onmogelijk dat een persoon die schade heeft geleden in een situatie verkeert dat de verjaringstermijn ingaat of zelfs al is verstreken voordat hij überhaupt weet dat hij schade heeft geleden, zoals dit het geval had kunnen zijn in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Manfredi e.a., waarin de verjaringstermijn begon te lopen vanaf de totstandkoming van de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, van welk feit sommige betrokken personen slechts veel later kennis kunnen krijgen.

53      Wat de mogelijkheid betreft om de verjaringstermijn te doen aanvangen vóór de volledige omzetting van de betrokken richtlijn, is het juist dat het Hof in punt 23 van het arrest van 25 juli 1991, Emmott (C‑208/90, Jurispr. blz. I‑4269), heeft geoordeeld dat tot het moment waarop een richtlijn naar behoren is omgezet, een in gebreke blijvende lidstaat zich niet kan beroepen op termijnoverschrijding door een particulier die een procedure tegen hem instelt ter bescherming van de rechten die de bepalingen van die richtlijn de particulier toekennen, en dat een in het nationale recht vastgelegde beroepstermijn niet vóór dat tijdstip kan gaan lopen.

54      Zoals door het arrest van 6 december 1994, Johnson (C‑410/92, Jurispr. blz. I‑5483, punt 26), is bevestigd, volgt evenwel uit het arrest van 27 oktober 1993, Steenhorst-Neerings (C‑338/91, Jurispr. blz. I‑5475), dat de oplossing van het arrest Emmott werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak, waarin door het verval van recht de verzoekster in het hoofdgeding geen enkele mogelijkheid meer had, haar recht op gelijke behandeling ingevolge een richtlijn te doen gelden (zie eveneens arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C‑90/94, Jurispr. blz. I‑4085, punt 52, en Texaco en Olieselskabet Danmark, C‑114/95 en C‑115/95, Jurispr. blz. I‑4263, punt 48, alsook arrest van 15 september 1998, Ansaldo Energia e.a., C‑279/96–C‑281/96, Jurispr. blz. I‑5025, punt 20).

55      In het hoofdgeding blijkt evenwel noch uit de stukken noch uit de mondelinge behandeling ter terechtzitting, dat de benadeelde personen, zoals in de zaak naar aanleiding waarvan het arrest Emmott is gewezen, door de litigieuze termijn geen enkele mogelijkheid meer hadden, hun rechten voor de nationale rechterlijke instanties te doen gelden.

56      Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat dat de verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid uit hoofde van de onjuiste omzetting van een richtlijn aanvangt wanneer de eerste nadelige gevolgen van deze onjuiste omzetting zich hebben voorgedaan en nog meer nadelige gevolgen te voorzien zijn, ook al is deze richtlijn op dat tijdstip nog niet naar behoren omgezet.

57      Gelet op het antwoord op het eerste deel van de vierde vraag, behoeft het tweede deel ervan geen beantwoording.

 Vijfde vraag

58      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan een voorschrift als dat van § 839, lid 3, BGB, op grond waarvan een particulier geen recht heeft op schadevergoeding wanneer hij opzettelijk of door nalatigheid heeft verzuimd de schade te voorkomen door de uitoefening van een rechtsmiddel. De verwijzende rechter werkt zijn vraag nader uit waar hij eveneens wenst te vernemen of een dergelijke nationale regeling in strijd is met het gemeenschapsrecht voor zover zij slechts wordt toegepast indien de uitoefening van dat rechtsmiddel redelijkerwijs van de betrokkene kan worden gevergd. Ten slotte wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uitoefening van een rechtsmiddel kan worden geacht redelijk te zijn, wanneer de aangezochte rechter waarschijnlijk krachtens artikel 234 EG een verzoek om een prejudiciële beslissing zal indienen of wanneer reeds een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG aanhangig is.

59      Zoals in het kader van de beantwoording van de vorige twee vragen in herinnering is gebracht, staat het bij gebreke van een gemeenschapsregeling aan de lidstaten om de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, voor zover deze regels het gelijkwaardigheids‑ en doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen.

60      Wat de aanwending van de beschikbare rechtsmiddelen betreft heeft het Hof in punt 84 van het reeds aangehaalde arrest Brasserie du pêcheur en Factortame met betrekking tot de aansprakelijkheid van een lidstaat wegens schending van het gemeenschapsrecht vastgesteld, dat de nationale rechter kon onderzoeken of de benadeelde persoon zich redelijke inspanningen heeft getroost om de schade te voorkomen of de omvang ervan te beperken, en meer in het bijzonder, of hij tijdig alle te zijner beschikking staande beroepsmogelijkheden heeft aangewend.

61      Volgens een algemeen beginsel dat de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, dient de benadeelde zich immers redelijke inspanningen te getroosten om de omvang van de schade te beperken, omdat hij anders de schade zelf moet dragen (arrest van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, Jurispr. blz. I‑3061, punt 33, alsook arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 85).

62      Het doeltreffendheidsbeginsel zou evenwel worden geschonden wanneer van de benadeelde personen zou worden verlangd dat zij systematisch gebruikmaken van alle hun ter beschikking staande rechtsmiddelen, zelfs wanneer dit buitensporige moeilijkheden zou opleveren of niet redelijkerwijs van hen kan worden gevergd.

63      In zijn arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a. (C‑397/98 en C‑410/98, Jurispr. blz. I‑1727, punt 106), heeft het Hof immers vastgesteld dat de uitoefening van de rechten die de particulieren aan de rechtstreeks werkende bepalingen van gemeenschapsrecht ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt indien hun op schending van het gemeenschapsrecht steunende vorderingen tot terugbetaling of vergoeding reeds zouden worden afgewezen of verminderd, omdat zij niet hebben verzocht om in aanmerking te komen voor een door het gemeenschapsrecht toegekend recht waarop zij naar nationaal recht geen aanspraak hadden, teneinde de weigering van de lidstaat aan te vechten met de hiervoor bestaande rechtsmiddelen en met een beroep op de voorrang en de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht. In een dergelijk geval zou het onredelijk zijn geweest om van de benadeelde personen te verlangen dat zij gebruikmaken van de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen, aangezien zij het betrokken bedrag hoe dan ook voortijdig hadden moeten betalen en, zelfs indien de nationale rechter de vooruitbetaling van het bedrag in strijd met het gemeenschapsrecht had geacht, zij de over dat bedrag verschuldigde rente niet hadden kunnen verkrijgen en mogelijkerwijs verplicht waren geweest een geldboete te betalen (zie in die zin arrest Metallgesellschaft e.a., reeds aangehaald, punt 104).

64      Bijgevolg dient de conclusie te luiden dat het gemeenschapsrecht niet in de weg staat aan de toepassing van een nationale regeling als die van § 839, lid 3, BGB, mits de uitoefening van het betrokken rechtsmiddel redelijkerwijs van de benadeelde persoon kan worden gevergd. Het staat aan de verwijzende rechter om, gelet op alle omstandigheden van het hoofdgeding, te beoordelen of dit het geval is.

65      Aangaande de mogelijkheid dat naar aanleiding van het aldus uitgeoefende rechtsmiddel een verzoek om een prejudiciële beslissing wordt ingediend, en de invloed daarvan op de redelijkheid van dat rechtsmiddel, zij eraan herinnerd dat de krachtens artikel 234 EG ingestelde procedure volgens vaste rechtspraak een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechter de elementen voor uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die laatstbedoelde nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangige geding (zie arresten van 16 juli 1992, Meilicke, C‑83/91, Jurispr. blz. I‑4871, punt 22, en 5 februari 2004, Schneider, C‑380/01, Jurispr. blz. I‑1389, punt 20). De aldus door de nationale rechter verkregen toelichtingen kunnen het hem dus gemakkelijker maken om het gemeenschapsrecht toe te passen, zodat de aanwending van dit samenwerkingsinstrument er geenszins toe bijdraagt, het de justitiabele uiterst moeilijk te maken, de door het gemeenschapsrecht verleende rechten uit te oefenen. Bijgevolg zou het onredelijk zijn om geen gebruik te maken van een rechtsmiddel om de enkele reden dat het waarschijnlijk aanleiding zou geven tot een verzoek om een prejudiciële beslissing.

66      De omstandigheid dat een rechtsmiddel zeer waarschijnlijk aanleiding zal geven tot een verzoek om een prejudiciële beslissing is bijgevolg als zodanig geen reden om te besluiten dat de aanwending van dat rechtsmiddel onredelijk is.

67      Wat de vraag betreft, of de verplichting om de ter beschikking staande rechtsmiddelen uit te oefenen terwijl er bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming aanhangig is, redelijk is, volstaat de vaststelling dat de procedure krachtens artikel 226 EG volledig losstaat van de nationale procedures en deze niet vervangt. Zoals is uiteengezet bij de beantwoording van de derde vraag, vormt een beroep wegens niet-nakoming immers een objectief wettigheidstoezicht in het algemeen belang. Hoewel het resultaat van een dergelijk beroep de belangen van de justitiabele kan dienen, blijft het een feit dat het voor hem nog steeds redelijk is om het ontstaan van de schade te voorkomen door alle hem ter beschikking staande middelen aan te wenden, en dus de beschikbare rechtsmiddelen uit te oefenen.

68      Bijgevolg kan de omstandigheid dat er bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming aanhangig is of dat de nationale rechter waarschijnlijk een prejudiciële vraag zal stellen aan het Hof, als zodanig geen grond opleveren voor de conclusie dat de uitoefening van een rechtsmiddel onredelijk is.

69      Mitsdien moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht niet in de weg staat aan de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan een particulier geen recht heeft op schadevergoeding wanneer hij opzettelijk of door nalatigheid heeft verzuimd de schade te voorkomen door de uitoefening van een rechtsmiddel, mits de uitoefening van dit rechtsmiddel redelijkerwijs van de benadeelde persoon kan worden gevergd, wat de verwijzende rechter dient te beoordelen in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding. De omstandigheid dat de nationale rechter waarschijnlijk krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag zal stellen of dat er bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming aanhangig is, kunnen als zodanig geen grond opleveren voor de conclusie dat de uitoefening van een rechtsmiddel onredelijk is.

 Kosten

70      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Particulieren die schade hebben geleden door de onjuiste uitvoering en toepassing van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/497/EEG van de Raad van 29 juli 1991, en van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, kunnen zich beroepen op het recht op vrij verkeer van goederen om de overheid aansprakelijk te stellen wegens schending van het gemeenschapsrecht.

2)      Het gemeenschapsrecht verlangt niet dat wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen een niet-nakomingsprocedure op grond van artikel 226 EG aanhangig heeft gemaakt, de in de nationale regeling vastgestelde verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid op grond van schending van het gemeenschapsrecht wordt gestuit of voor de duur van die procedure wordt geschorst.

3)      Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg dat de verjaringstermijn voor de vordering wegens overheidsaansprakelijkheid uit hoofde van de onjuiste omzetting van een richtlijn aanvangt wanneer de eerste nadelige gevolgen van deze onjuiste omzetting zich hebben voorgedaan en nog meer nadelige gevolgen te voorzien zijn, ook al is deze richtlijn op dat tijdstip nog niet naar behoren omgezet.

4)      Het gemeenschapsrecht staat niet in de weg aan de toepassing van een nationale regeling op grond waarvan een particulier geen recht heeft op schadevergoeding wanneer hij opzettelijk of door nalatigheid heeft verzuimd de schade te voorkomen door de uitoefening van een rechtsmiddel, mits de uitoefening van dit rechtsmiddel redelijkerwijs van de benadeelde persoon kan worden gevergd, wat de verwijzende rechter dient te beoordelen in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding. De omstandigheid dat de nationale rechter waarschijnlijk krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag zal stellen of dat er bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming aanhangig is, kunnen als zodanig geen grond opleveren voor de conclusie dat de uitoefening van een rechtsmiddel onredelijk is.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.