Language of document : ECLI:EU:C:2010:83

Zaak C‑480/08

Maria Teixeira

tegen

London Borough of Lambeth

en

Secretary of State for the Home Department

[verzoek van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) om een prejudiciële beslissing]

„Vrij verkeer van personen – Verblijfsrecht – Persoon met nationaliteit van lidstaat die in andere lidstaat heeft gewerkt en daar na beëindiging van zijn beroepswerkzaamheden is gebleven – Kind dat beroepsopleiding in gastlidstaat volgt – Ontbreken van eigen middelen van bestaan –Verordening (EEG) nr. 1612/68 – Artikel 12 – Richtlijn 2004/38/EG”

Samenvatting van het arrest

1.        Vrij verkeer van personen – Werknemers – Recht van kind van werknemer op toegang tot onderwijs, verstrekt door gastlidstaat – Recht van verblijf voor volgen van algemeen onderwijs

(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 12)

2.        Vrij verkeer van personen – Werknemers – Verblijfsrecht van gezinsleden – Persoon met nationaliteit van lidstaat die in gastlidstaat heeft gewerkt – Ouder die daadwerkelijk zorgt voor zijn kind dat in die lidstaat onderwijs volgt

(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 10 en 12; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7)

3.        Vrij verkeer van personen – Werknemers – Verblijfsrecht van gezinsleden – Ouder die daadwerkelijk zorgt voor kind dat gebruikmaakt van recht om onderwijs te volgen

(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 12)

4.        Vrij verkeer van personen – Werknemers – Verblijfsrecht van gezinsleden – Ouder die daadwerkelijk zorgt voor kind dat in gastlidstaat onderwijs volgt

(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 12)

5.        Vrij verkeer van personen – Werknemers – Verblijfsrecht van gezinsleden – Ouder die daadwerkelijk zorgt voor kind dat in gastlidstaat onderwijs volgt

(Verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 12)

1.        Kinderen van een burger van de Europese Unie die zich in een lidstaat hebben gevestigd terwijl hun ouder in die lidstaat rechten van verblijf als migrerende werknemer uitoefende, mogen volgens artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap aldaar verblijven om er algemeen onderwijs te volgen. Het feit dat de ouders van die kinderen inmiddels zijn gescheiden, en dat de ouder die in de gastlidstaat een verblijfsrecht als migrerende werknemer had, er niet langer een economische activiteit uitoefent, heeft daarop geen enkele invloed.

(cf. punt 37)

2.        De staatsburger van een lidstaat die heeft gewerkt in een andere lidstaat waar zijn kind onderwijs volgt, kan zich als ouder die daadwerkelijk zorgt voor dat kind, op de enkele grond van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2434/92, beroepen op een recht van verblijf in de gastlidstaat, zonder dat hij behoeft te voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221, 68/360, 72/194, 73/148, 75/34, 75/35, 90/364, 90/365 en 93/96.

Het door artikel 12 van verordening nr. 1612/68 aan kinderen van migrerende werknemers toegekende recht om in zo gunstig mogelijke omstandigheden hun opleiding in de gastlidstaat voort te zetten, impliceert immers noodzakelijkerwijs dat die kinderen het recht hebben om te worden begeleid door de persoon die daadwerkelijk voor hun verzorging instaat, en dientengevolge dat deze persoon de mogelijkheid heeft om gedurende de studie van die kinderen bij hen in die lidstaat te wonen. De toepassing van dit artikel moet autonoom zijn ten opzichte van de bepalingen van het recht van de Unie die de voorwaarden voor de uitoefening van het recht van verblijf in een andere lidstaat uitdrukkelijk regelen. Deze autonomie van artikel 12 ten opzichte van het thans ingetrokken artikel 10 van die verordening is door de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38 niet op losse schroeven gezet. Die richtlijn heeft volgens punt 3 van de considerans ervan met name tot doel het recht van de Unieburgers op vrij verkeer en verblijf te vereenvoudigen en te versterken. Indien de toepassing van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 afhankelijk werd gesteld van de naleving van de voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn, zouden aan het recht van verblijf van kinderen van migrerende werknemers in de gastlidstaat om aldaar hun opleiding te beginnen of voort te zetten, en aan het verblijfsrecht van de ouder die daadwerkelijk voor hen zorgt, echter strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden vóór de inwerkingtreding van de richtlijn.

(cf. punten 39, 53‑54, 60‑61, dictum 1)

3.        Voor het aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2434/92, ontleende recht van verblijf in de gastlidstaat van de ouder die daadwerkelijk zorgt voor een kind dat gebruik maakt van het recht om onderwijs te volgen, geldt niet als voorwaarde dat die ouder over toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van die lidstaat, en over een verzekering die de ziektekosten aldaar volledig dekt.

Gezien de context en de doelstellingen van verordening nr. 1612/68, en met name van artikel 12 ervan, mag deze bepaling immers niet restrictief worden uitgelegd en mag daaraan niet de nuttige werking worden ontnomen.

(cf. punten 67, 70, dictum 2)

4.        Voor het recht van verblijf in de gastlidstaat van de ouder die daadwerkelijk zorgt voor een kind van een migrerende werknemer dat in die staat onderwijs volgt, geldt niet als voorwaarde dat één van de ouders bij het begin van de opleiding van het kind als migrerende werknemer in die lidstaat werkte.

Het recht van het kind op toegang tot onderwijs op grond van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2434/92, is immers niet afhankelijk van de omstandigheid dat de betrokken ouder de hoedanigheid van migrerende werknemer behoudt. Kinderen van gewezen migrerende werknemers ontlenen bijgevolg aan artikel 12 dezelfde rechten als kinderen van burgers van de Unie met de hoedanigheid van migrerende werknemer. In dit verband volstaat het dat het kind dat in de gastlidstaat onderwijs volgt, zich daar heeft gevestigd terwijl één van zijn ouders er rechten van verblijf als migrerende werknemer uitoefende. Voor het recht van het kind om in die staat te verblijven om er onderwijs te volgen, overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1612/68, en bijgevolg voor het verblijfsrecht van de ouder die daadwerkelijk voor het kind zorgt, kan dus niet als voorwaarde worden gesteld dat één van de ouders van het kind bij het begin van de opleiding van het kind als migrerende werknemer in de gastlidstaat heeft gewerkt.

(cf. punten 73‑75, dictum 3)

5.        Het recht van verblijf in de gastlidstaat van de ouder die daadwerkelijk zorgt voor een kind van een migrerende werknemer dat een opleiding in die staat volgt, eindigt bij de meerderjarigheid van dat kind, tenzij het kind de aanwezigheid en de zorg van die ouder nog nodig heeft om zijn opleiding te kunnen voortzetten en voltooien.

In de eerste plaats heeft het bereiken van de meerderjarigheid immers geen rechtstreekse invloed op de rechten die het kind ontleent aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2434/92. Zowel het in dat artikel 12 bepaalde recht op toegang tot onderwijs als het daarmee samenhangende verblijfsrecht van het kind blijven overeenkomstig het doel van deze rechten bestaan tot het kind zijn opleiding afsluit.

In de tweede plaats is het zo dat, hoewel een kind bij zijn meerderjarigheid in beginsel wordt geacht in staat te zijn in zijn eigen behoeften te voorzien, het verblijfsrecht van de ouder die zorgt voor een kind dat gebruik maakt van zijn recht om in de gastlidstaat onderwijs te volgen, na die leeftijd kan blijven bestaan, wanneer het kind de aanwezigheid en de zorg van die ouder nog nodig heeft om zijn opleiding te kunnen voortzetten en voltooien. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit inderdaad het geval is.

(cf. punten 78‑79, 86‑87, dictum 4)