Language of document : ECLI:EU:C:2010:243

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

4 mei 2010 (*)

„Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 71 – Door lidstaten gesloten verdragen over bijzondere onderwerpen – Overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)”

In zaak C‑533/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 28 november 2008, ingekomen bij het Hof op 3 december 2008, in de procedure

TNT Express Nederland BV

tegen

AXA Versicherung AG,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, J.‑C. Bonichot, R. Silva de Lapuerta en C. Toader, kamerpresidenten, K. Schiemann, P. Kūris, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur), J.‑J. Kasel en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 november 2009,

gelet op de opmerkingen van:

–        TNT Express Nederland BV, vertegenwoordigd door J. H. J. Teunissen, advocaat,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en Y. de Vries als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en R. Troosters als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 2010,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 71 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), alsmede artikel 31 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol van Genève van 5 juli 1978 (hierna: „CMR”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen TNT Express Nederland BV (hierna: „TNT”) en AXA Versicherung AG (hierna: „AXA”) over de tenuitvoerlegging in Nederland van Duitse rechterlijke beslissingen waarbij TNT werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens het verlies van goederen tijdens een internationaal vervoer over de weg.

 Rechtskader

 Verordening nr. 44/2001

3        Punt 1 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luidt:

„De Gemeenschap heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte dient de Gemeenschap onder meer de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken vast te stellen die voor de goede werking van de interne markt nodig zijn.”

4        In punt 6 van de considerans van deze verordening heet het:

„Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.”

5        In de punten 11, 12 en 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 wordt gepreciseerd:

„(11) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen […]

(12)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

[…]

(15)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. […]”

6        Punten 16 en 17 van de considerans van deze verordening luiden:

„(16) Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.

(17)      Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. […]”

7        In punt 25 van de considerans van voornoemde verordening wordt verklaard:

„De eerbiediging van de internationale verplichtingen van de lidstaten houdt in dat deze verordening de verdragen en internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten partij zijn en die bijzondere onderwerpen bestrijken, onverlet laat.”

8        Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.      Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

2.      Zij is niet van toepassing op:

a)      de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen;

b)      het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;

c)      de sociale zekerheid;

d)      de arbitrage.”

9        In artikel 27 van verordening nr. 44/2001, opgenomen in afdeling 9, met het opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, van hoofdstuk II, met het opschrift „Bevoegdheid”, van die verordening, wordt bepaald:

„1.      Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

10      Artikel 34 van verordening nr. 44/2001, opgenomen in afdeling 1, met het opschrift „Erkenning”, van hoofdstuk III, met het opschrift „Erkenning en tenuitvoerlegging”, van die verordening, bepaalt:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

1)      de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[…]”

11      Artikel 35 van voornoemde verordening, dat in diezelfde afdeling is opgenomen, luidt:

„1.      De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.

2.      Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.      Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.”

12      Ingevolge artikel 36 van diezelfde verordening, dat eveneens in afdeling 1 van hoofdstuk III ervan is opgenomen, „[wordt niet] overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing”.

13      Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in afdeling 2, met het opschrift „Tenuitvoerlegging”, van hoofdstuk III van die verordening, bepaalt:

„De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”

14      Artikel 43, lid 1, van deze verordening voegt daaraan toe, dat „[e]lke partij […] een rechtsmiddel [kan] instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid”.

15      Artikel 45 van diezelfde verordening preciseert:

„1.      De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in […] artikel[…] 43 […], slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. […]

2.      In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

16      In artikel 71 van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in hoofdstuk VII ervan, met het opschrift „Verhouding tot andere besluiten”, wordt bepaald:

„1.      Deze verordening laat onverlet de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

2.      Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:

a)      deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 26 van deze verordening toe;

b)      beslissingen die een gerecht van een lidstaat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, worden in de andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd.

Indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van deze verordening betreffende de procedures voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.”

 CMR

17      Het CMR is, overeenkomstig artikel 1 ervan, van toepassing „op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering […] gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen”.

18      Over het CMR werd in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties onderhandeld. Meer dan 50 staten, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie, zijn tot het CMR toegetreden.

19      Artikel 23 CMR bepaalt:

„1.      Wanneer ingevolge de bepalingen van dit verdrag een schadevergoeding voor geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen ten laste van de vervoerder wordt gebracht, wordt deze schadevergoeding berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de inontvangstneming.

[…]

3.      De schadevergoeding kan evenwel niet meer bedragen dan 8,33 rekeneenheden voor elk ontbrekend kilogram brutogewicht.

4.      Bovendien worden de vrachtprijs, de douanerechten en de overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten, in geval van geheel verlies volledig en in geval van gedeeltelijk verlies naar verhouding, terugbetaald; verdere schadevergoeding is niet verschuldigd.

[…]

7.      De in dit verdrag genoemde rekeneenheid is het bijzondere trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. Het in het derde lid van dit artikel genoemde bedrag wordt omgerekend in de nationale munteenheid van de staat van het gerecht, waarvoor de vordering aanhangig is [...]

[…]”

20      Artikel 31 CMR luidt:

„1.      Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

a)      de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of

b)      de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;

zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.

2.      Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een vordering aanhangig is voor een volgens dat lid bevoegd gerecht, of wanneer in een zodanig geding door een zodanig gerecht een uitspraak is gedaan, kan geen nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen worden ingesteld, tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld.

3.      Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een uitspraak, gedaan door een gerecht van een bij het verdrag partij zijnd land, in dat land uitvoerbaar is geworden, wordt zij eveneens uitvoerbaar in elk ander bij het verdrag partij zijnd land, zodra de aldaar ter zake voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld. Deze formaliteiten kunnen geen hernieuwde behandeling van de zaak meebrengen.

4.      De bepalingen van het derde lid van dit artikel zijn van toepassing op uitspraken op tegenspraak gewezen, op uitspraken bij verstek en op schikkingen, aangegaan ten overstaan van de rechter, maar zij zijn niet van toepassing op uitspraken die slechts bij voorraad uitvoerbaar zijn, noch op veroordelingen tot vergoeding van schaden en interessen, welke boven de kosten zijn uitgesproken tegen een eiser wegens de gehele of gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering.

[…]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21      In april 2001 hebben Siemens Nederland NV (hierna: „Siemens”) en TNT een overeenkomst gesloten tot het vervoer van goederen over de weg van Zoetermeer (Nederland) naar Unterschleissheim (Duitsland). De waarde en het gewicht van de betrokken goederen bedroegen respectievelijk 103 540 DM (52 939 EUR) en 12 kilo.

22      Deze goederen werden echter niet op hun plaats van bestemming afgeleverd.

23      In mei 2002 heeft TNT bij de Rechtbank Rotterdam jegens AXA, de verzekeraar van Siemens, een vordering aanhangig gemaakt, strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat TNT ten opzichte van AXA niet aansprakelijk was voor enige schade ten gevolge van het verlies van voornoemde goederen, behoudens een bedrag van 11,50 EUR per kilo, dat wil zeggen in totaal 138 EUR, conform het bepaalde in artikel 23 CMR, waarin de regels zijn neergelegd die van toepassing zijn op de schadevergoedingen die kunnen worden gevorderd. De Rechtbank Rotterdam heeft deze vordering bij vonnis van 4 mei 2005 afgewezen. TNT heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage.

24      In augustus 2004 heeft AXA bij het Landgericht München (Duitsland) een vordering tegen TNT aanhangig gemaakt, strekkende tot vergoeding van de schade die Siemens had geleden ten gevolge van het verlies van bovengenoemde goederen. Aangezien in Nederland reeds een geding aanhangig was tussen dezelfde partijen en ter zake van hetzelfde vervoer, heeft TNT aangevoerd dat ingevolge de litispendentieregel van artikel 31, lid 2, CMR het Landgericht München niet bevoegd was kennis te nemen van de vordering van AXA.

25      Bij beslissingen van 4 april en 7 september 2006 (hierna: „beslissingen van het Landgericht München”) heeft het Landgericht München de op artikel 31, lid 2, CMR gebaseerde argumentatie van TNT verworpen en een schadevergoeding vastgesteld ten laste van deze onderneming.

26      Op 6 maart 2007 heeft AXA zich tot de Rechtbank Utrecht gewend met het verzoek de beslissingen van het Landgericht München krachtens verordening nr. 44/2001 in Nederland uitvoerbaar te verklaren. Nadat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht het verzoek bij beschikking van 28 maart 2007 had ingewilligd, heeft TNT zich op 4 mei 2007 tot diezelfde rechtbank gewend met het verzoek die beschikking te vernietigen en de tenuitvoerlegging van voornoemde beslissingen te weigeren, althans de beslissing omtrent het verzoek tot tenuitvoerlegging hiervan aan te houden totdat het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage zou hebben beslist op het tegen de beslissing van de Rechtbank Rotterdam van 4 mei 2005 ingestelde hoger beroep.

27      TNT baseerde haar beroep voor de Rechtbank Utrecht op de overweging dat erkenning van de Duitse beslissingen kennelijk in strijd was met de Nederlandse openbare orde. Zij wees erop dat het Landgericht München, volgens de litispendentieregel van artikel 31, lid 2, CMR, niet bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van AXA.

28      AXA meende daarentegen dat, ingevolge artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001, de Nederlandse rechter de bevoegdheid van de Duitse rechter niet mocht toetsen, aangezien de bevoegdheidsregels niet de openbare orde betreffen als bedoeld in artikel 34, punt 1, van deze verordening.

29      De Rechtbank Utrecht heeft het beroep van TNT bij beschikking van 18 juli 2007 verworpen. Op dat tijdstip had het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage nog niet beslist op het door TNT bij hem ingestelde hoger beroep.

30      De Rechtbank Utrecht was van oordeel dat TNT zich niet op de in artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 neergelegde grond voor weigering van de erkenning kon beroepen om de bevoegdheid van de Duitse rechter te betwisten, aangezien de bevoegdheidsregels niet de openbare orde betreffen als bedoeld in die bepaling, zoals wordt gepreciseerd in artikel 35, lid 3, van die verordening.

31      TNT heeft tegen de beschikking van de Rechtbank Utrecht van 18 juli 2007 beroep in cassatie ingesteld. Volgens haar is deze rechtbank eraan voorbijgegaan dat artikel 31 CMR, krachtens artikel 71, lid 2, sub b, tweede alinea, van verordening nr. 44/2001, derogeert aan het verbod op toetsing van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, bedoeld in artikel 35, lid 3, van deze verordening.

32      In deze omstandigheden heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 71, lid 2, aanhef en sub b, tweede alinea, [van verordening nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd

a)      dat de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van [verordening nr. 44/2001] slechts terugtreedt ten behoeve van die van het bijzondere verdrag, indien de regeling van het bijzondere verdrag exclusiviteit claimt, of

b)      dat, bij gelijktijdige toepasselijkheid van de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van het bijzondere verdrag en die van [verordening nr. 44/2001], de voorwaarden van het bijzondere verdrag steeds moeten worden toegepast en die van [verordening nr. 44/2001] buiten toepassing dienen te blijven, ook al maakt het bijzondere verdrag geen aanspraak op exclusieve werking ten aanzien van andere internationale erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregels?

2)      Is het Hof van Justitie, met het oog op het voorkomen van uiteenlopende beslissingen inzake de in vraag 1 bedoelde samenloop [van regels], bevoegd tot – voor de rechters van de lidstaten bindende – uitlegging van het [CMR], voor zover het de in artikel 31 van dat verdrag geregelde materie betreft?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord en de eerste vraag [sub a] eveneens bevestigend wordt beantwoord, dient dan de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsregeling van artikel 31, [leden] 3 en 4, CMR aldus te worden uitgelegd dat deze geen exclusiviteit claimt en ruimte laat voor de toepassing van andere internationale executieregels die erkenning of tenuitvoerlegging mogelijk maken, zoals [verordening nr. 44/2001]?

Voor het geval dat het Hof van Justitie de eerste vraag [sub b] bevestigend beantwoordt en daarnaast de tweede vraag eveneens bevestigend beantwoordt, stelt de Hoge Raad […] nog de volgende drie vragen:

4)      Staat artikel 31, [leden] 3 en 4, CMR de rechter van de aangezochte staat toe bij een verzoek tot uitvoerbaarverklaring te toetsen of de rechter van de staat van herkomst internationaal bevoegd was om van het geschil kennis te nemen?

5)      Moet artikel 71, lid 1, [van verordening nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat bij samenloop van de litispendentieregeling van het CMR[...] met die van [verordening nr. 44/2001] de litispendentieregeling van het CMR[...] voorrang heeft boven de litispendentieregeling van [verordening nr. 44/2001]?

6)      Betreffen de in de onderhavige zaak in Nederland gevraagde verklaring voor recht en de in Duitsland gevorderde schadevergoeding ‚hetzelfde onderwerp’ als bedoeld in artikel 31, lid 2, CMR?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Inleidende overwegingen

33      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het geding tussen TNT en AXA zowel onder het CMR als onder verordening nr. 44/2001 valt.

34      Enerzijds heeft dit geding immers betrekking op een overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg, waarin een adres in Nederland wordt vastgesteld als plaats van inontvangstneming van de goederen, en een adres in Duitsland als plaats bestemd voor de aflevering ervan. Aan de voorwaarden voor de toepassing van het CMR die zijn neergelegd in artikel 1 hiervan, is derhalve voldaan.

35      Anderzijds vallen gedingen die verband houden met het vervoer van goederen over de weg tussen lidstaten onder de „burgerlijke en handelszaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001. Bovendien valt het vervoer van goederen over de weg niet binnen de in dat artikel limitatief opgesomde gebieden die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die verordening.

36      Verder zij vooraf in herinnering gebracht dat, aangezien verordening nr. 44/2001 in de plaats is getreden van het Executieverdrag van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: „Executieverdrag”), de door het Hof verstrekte uitlegging met betrekking tot de in dit verdrag neergelegde bepalingen ook geldt voor de bepalingen van die verordening, wanneer de bepalingen van deze instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (arresten van 14 mei 2009, Ilsinger, C‑180/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41, en 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C‑189/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 18).

37      Artikel 71 van verordening nr. 44/2001, waarvan in de onderhavige zaak de uitlegging wordt gevraagd, vervangt artikel 57 Executieverdrag, waarin met betrekking tot de verdragen over bijzondere onderwerpen (hierna: „bijzondere verdragen”) werd bepaald:

„1.      Dit verdrag laat onverlet de verdragen waarbij de verdragsluitende staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

2.      Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dit lid als volgt toegepast:

a)      Dit verdrag staat er niet aan in de weg dat een gerecht van een verdragsluitende staat die partij is bij een verdrag over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat die geen partij is bij dat verdrag. […]

b)      Beslissingen die een gerecht van een verdragsluitende staat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag over een bijzonder onderwerp, worden in de andere verdragsluitende staten overeenkomstig het onderhavige verdrag erkend en ten uitvoer gelegd.

Indien een verdrag over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de staat van herkomst als de aangezochte staat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen, vinden die voorwaarden toepassing. […]

[…]”

38      Door het gebruik van de woorden „of zullen zijn” verduidelijkte artikel 57, lid 1, Executieverdrag dat de in dit verdrag vervatte regels zich niet verzetten tegen de toepassing van afwijkende regels waaraan de verdragsluitende staten zich in de toekomst zouden binden door het sluiten van bijzondere verdragen. Deze woorden zijn in artikel 71, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet overgenomen. Derhalve biedt dit artikel de lidstaten niet de mogelijkheid om, door middel van het sluiten van nieuwe bijzondere verdragen of het wijzigen van reeds geldende verdragen, regels in te voeren die voorrang hebben boven die van verordening nr. 44/2001. Deze vaststelling vindt bevestiging in de rechtspraak volgens welke de lidstaten, naargelang er gemeenschappelijke regels worden ingevoerd, niet meer gerechtigd zijn om internationale verdragen aan te gaan die deze regels aantasten (zie met name arresten van 31 maart 1971, Commissie/Raad, „AETR”, 22/70, Jurispr. blz. 263, punten 17‑19, en 5 november 2002, Commissie/Denemarken, „open skies”, C‑467/98, Jurispr. blz. I‑9519, punt 77).

39      Wat daarentegen bepalingen zoals artikel 31 CMR betreft, waaraan de lidstaten reeds waren gebonden op het tijdstip van inwerkingtreding van verordening nr. 44/2001, brengt artikel 71 van die verordening dezelfde systematiek tot uitdrukking als artikel 57 Executieverdrag en is het in nagenoeg identieke bewoordingen geformuleerd. Bijgevolg moet rekening worden gehouden met de uitlegging die het Hof reeds heeft gegeven in het kader van het Executieverdrag.

40      In het licht van deze inleidende overwegingen en gezien de samenhang tussen de verschillende gestelde vragen, zullen de eerste en de vijfde vraag, betreffende de uitlegging van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 gezamenlijk en als eerste worden onderzocht. De vragen betreffende de uitlegging van het CMR worden daarna besproken.

 Uitlegging van artikel 71 van verordening nr. 44/2001

41      Met zijn eerste en zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, in een zaak als die in het hoofdgeding, artikel 71 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de in een bijzonder verdrag neergelegde regels inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, zoals de litispendentieregel van artikel 31, lid 2, CMR en de regel inzake de uitvoerbaarheid waarin artikel 31, lid 3, CMR voorziet, van toepassing zijn.

42      Zoals in de verwijzingsbeschikking is gesteld, rijst deze vraag enerzijds vanwege het feit dat de in het CMR en verordening nr. 44/2001 neergelegde litispendentieregel, die weliswaar in soortgelijke bewoordingen is geformuleerd, een andere strekking kan hebben naargelang het CMR en de daarop betrekking hebbende nationale rechtspraak, dan wel verordening nr. 44/2001 en de rechtspraak van het Hof inzake die verordening worden toegepast, en anderzijds omdat de Nederlandse rechter bij wie AXA uitvoerbaarverklaring van de beslissingen van het Landgericht München heeft gevorderd, moet weten of hij de bevoegdheid van laatstgenoemde rechter om uitspraak te doen over de bij hem ingediende schadevordering van AXA, kan toetsen.

43      Wat dit laatste aspect betreft, betoogt TNT dat artikel 31, lid 3, CMR deze toetsing toestaat, terwijl AXA van mening is dat toetsing van de bevoegdheid van het Landgericht München door artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001 wordt uitgesloten. Ter onderbouwing van dit betoog heeft AXA voor de Nederlandse rechterlijke instanties aangevoerd dat de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van internationaal vervoer van goederen over de weg zijn geregeld in verordening nr. 44/2001, en niet in het CMR.

44      Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie met name arresten van 18 mei 2000, KVS International, C‑301/98, Jurispr. blz. I‑3583, punt 21; 16 oktober 2008, Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände, C‑298/07, Jurispr. blz. I‑7841, punt 15, en 23 december 2009, Detiček, C‑403/09 PPU, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33). Teneinde de eerste en de vijfde prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, dient dus rekening te worden gehouden met zowel de bewoordingen van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 en het specifieke doel van dit artikel, als met de context van deze bepaling en de doelstellingen van die verordening.

45      Volgens de bewoordingen van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 moeten, wanneer een geding binnen de werkingssfeer van een bijzonder verdrag valt, in beginsel de regels van dat verdrag worden toegepast, en niet die van verordening nr. 44/2001.

46      Zoals met name de Nederlandse en de Tsjechische regering hebben betoogd, blijkt immers uit de bewoordingen van artikel 71, lid 1, van deze verordening, volgens welke deze de bijzondere verdragen „onverlet laat”, dat de wetgever heeft bepaald dat, in geval van samenloop van voorschriften, deze verdragen van toepassing zijn.

47      Deze uitlegging vindt steun in artikel 71, lid 2, dat bepaalt dat wanneer het bijzondere verdrag waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen, die voorwaarden toepassing vinden. Voornoemd lid 2 betreft uitdrukkelijk situaties die zich geheel binnen de Unie afspelen. Hieruit blijkt dat de wetgever, niettegenstaande de uiteenzetting in punt 25 van de considerans van verordening nr. 44/2001, volgens welke de bijzondere verdragen onverlet worden gelaten opdat de lidstaten aan hun internationale verplichtingen jegens derde staten kunnen voldoen, met artikel 71 van deze verordening ook de toepassing van deze bijzondere verdragen binnen de Unie zelf heeft willen voorschrijven.

48      Artikel 71 van verordening nr. 44/2001 blijkt dus te zijn bedoeld om de regels te doen naleven die zijn vastgesteld met inachtneming van de kenmerken van een bijzonder onderwerp (zie inzake artikel 57 Executieverdrag arresten van 6 december 1994, Tatry, C‑406/92, Jurispr. blz. I‑5439, punt 24, en 28 oktober 2004, Nürnberger Allgemeine Versicherung, C‑148/03, Jurispr. blz. I‑10327, punt 14). Gelet op dit doel, heeft het Hof geoordeeld dat de in bijzondere verdragen neergelegde regels de toepassing van de bepalingen van het Executieverdrag die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, uitsluiten (zie in die zin reeds aangehaald arrest Tatry, punt 25).

49      Uit het voorgaande blijkt weliswaar dat artikel 71 van verordening nr. 44/2001 voor onderwerpen die zijn geregeld in bijzondere verdragen, toepassing van deze verdragen voorschrijft, doch dit neemt niet weg dat deze toepassing geen afbreuk mag doen aan de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Unie ten grondslag liggen, zoals de in de punten 6, 11, 12, 15, 16 en 17 van de considerans van verordening nr. 44/2001 genoemde beginselen van vrij verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van voorzienbaarheid van de bevoegde rechterlijke instanties en, bijgevolg, van rechtszekerheid voor de justitiabelen, van een goede rechtsbedeling, van het zo veel mogelijk beperken van parallel lopende procedures en van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie.

50      De eerbieding van elk van die beginselen is nodig voor de goede werking van de interne markt, die, zoals blijkt uit punt 1 van de considerans van verordening nr. 44/2001, de ratio van deze verordening vormt.

51      Artikel 71 van verordening nr. 44/2001 mag niet een strekking hebben die in strijd is met de beginselen die ten grondslag liggen aan de wettelijke regeling waartoe dit artikel behoort. Derhalve kan dit artikel niet aldus worden uitgelegd dat een bijzonder verdrag, zoals het CMR, binnen een door deze verordening bestreken gebied, zoals dat van het vervoer van goederen over de weg, tot minder gunstige resultaten kan leiden voor de bewerkstelliging van de goede werking van de interne markt, dan de bepalingen van voornoemde verordening.

52      Deze vaststelling is in overeenstemming met vaste rechtspraak volgens welke de door de lidstaten met derde staten gesloten verdragen in de betrekkingen tussen de lidstaten niet mogen worden toegepast ten nadele van de doelstellingen van het Unierecht (zie in die zin arresten van 22 september 1988, Deserbais, 286/86, Jurispr. blz. 4907, punt 18; 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C‑241/91 P en C‑242/91 P, Jurispr. blz. I‑743, punt 84, en 22 oktober 2009, Bogiatzi, C‑301/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19).

53      Hieruit volgt dat de regels inzake rechterlijke bevoegdheid, met inbegrip van de litispendentieregels, die in bijzondere verdragen in de zin van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 zijn neergelegd, binnen de Unie slechts mogen worden toegepast voor zover zij, zoals wordt vereist in de punten 11, 12 en 15 van de considerans van deze verordening, in hoge mate voorspelbaar zijn, een goede rechtsbedeling vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk kunnen beperken.

54      Wat de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen betreft, zijn de toepasselijke beginselen die welke in de punten 6, 16 en 17 van de considerans van verordening nr. 44/2001 zijn genoemd, te weten het beginsel van het vrije verkeer van beslissingen en dat van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling (favor executionis) (zie met name arresten van 14 december 2006, ASML, C‑283/05, Jurispr. blz. I‑12041, punt 23; 10 februari 2009, Allianz en Generali Assicurazioni Generali, C‑185/07, Jurispr. blz. I‑663, punt 24, en 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 73). Binnen de Unie kunnen de regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging die in bijzondere verdragen in de zin van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 zijn neergelegd, slechts toepassing vinden voor zover deze beginselen in acht worden genomen.

55      Op grond van voornoemd beginsel van wederzijds vertrouwen, heeft het Hof gepreciseerd dat het gerecht van de aangezochte staat in geen geval beter dan het gerecht van de staat van herkomst in staat is zich uit te spreken over de bevoegdheid van laatstgenoemd gerecht. Derhalve staat verordening nr. 44/2001, buiten enkele beperkte uitzonderingen, niet toe dat de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat door een gerecht van een andere lidstaat wordt getoetst (arrest Allianz en Generali Assicurazioni Generali, reeds aangehaald, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg mag artikel 31, lid 3, CMR slechts worden toegepast binnen de Unie indien op grond hiervan de doelstellingen van het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede dat van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie kunnen worden bereikt onder ten minste even gunstige voorwaarden als die welke voortvloeien uit de toepassing van verordening nr. 44/2001.

56      Gelet op een en ander moet op de eerste en de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 71 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat, in een zaak als die in het hoofdgeding, de in een bijzonder verdrag neergelegde regels inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, zoals de litispendentieregel van artikel 31, lid 2, CMR en de regel inzake de uitvoerbaarheid waarin artikel 31, lid 3, CMR voorziet, van toepassing zijn, mits zij in hoge mate voorspelbaar zijn, een goede rechtsbedeling vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk kunnen beperken, en mits deze regels onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet, het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie (favor executionis) waarborgen.

 Uitlegging van artikel 31 CMR

57      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Hof bevoegd is om artikel 31 CMR uit te leggen. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, vraagt deze rechter met zijn derde, vierde en zesde vraag om concrete uitlegging van dat artikel.

 Tweede vraag

58      Gelet op het feit dat het CMR geen beding bevat waarbij een bevoegdheid is verleend aan het Hof, kan dit de gevraagde uitlegging van artikel 31 CMR slechts geven indien een dergelijke uitoefening van zijn functie onder artikel 267 VWEU valt.

59      Volgens vaste rechtspraak betreft de bevoegdheid om een prejudiciële uitlegging te geven, zoals die uit voornoemde bepaling voortvloeit, enkel rechtsvoorschriften die tot het Unierecht behoren (zie in die zin met name arresten van 17 juli 1997, Giloy, C‑130/95, Jurispr. blz. I‑4291, punt 21; 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, Jurispr. blz. I‑289, punt 63, en 1 juni 2006, innoventif, C‑453/04, Jurispr. blz. I‑4929, punt 29).

60      Wat internationale verdragen betreft, staat vast dat de verdragen die zijn gesloten door de Unie een integrerend bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie en dus voorwerp van een prejudiciële procedure kunnen vormen (zie in die zin met name arresten van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, Jurispr. blz. 449, punten 3‑6; 30 september 1987, Demirel, 12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 7, en 11 september 2007, Merck Genéricos – Produtos Farmacêuticos, C‑431/05, Jurispr. blz. I‑7001, punt 31).

61      Het Hof is daarentegen in beginsel niet bevoegd om in het kader van een prejudiciële procedure internationale overeenkomsten gesloten tussen lidstaten en derde staten uit te leggen (zie in die zin arrest van 27 november 1973, Vandeweghe e.a., 130/73, Jurispr. blz. 1329, punt 2; beschikking van 12 november 1998, Hartmann, C‑162/98, Jurispr. blz. I‑7083, punt 9, en reeds aangehaald arrest Bogiatzi, punt 24).

62      Slechts wanneer en voor zover de Unie de voorheen door de lidstaten uitgeoefende bevoegdheden ter zake van de toepassing van een niet door de Unie gesloten internationaal verdrag heeft overgenomen en bijgevolg door de bepalingen van dit verdrag gebonden is, is het Hof tot uitlegging van een dergelijk verdrag bevoegd (zie met name arresten van 12 december 1972, International Fruit Company e.a., 21/72–24/72, Jurispr. blz. 1219, punt 18; 3 juni 2008, Intertanko e.a., C‑308/06, Jurispr. blz. I‑4057, punt 48, en reeds aangehaald arrest Bogiatzi, punt 25). In casu kan evenwel niet worden gesteld dat de Unie door de in het CMR neergelegde regels inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging is gebonden. Uit de in het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 volgt integendeel dat deze in het CMR neergelegde regels binnen de Unie alleen met inachtneming van de aan die verordening ten grondslag liggende beginselen toepassing kunnen vinden.

63      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het Hof niet bevoegd is om artikel 31 CMR uit te leggen.

 Derde, vierde en zesde vraag

64      Gezien het antwoord op de tweede vraag behoeven de derde, de vierde en de zesde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

65      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 71 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat, in een zaak als die in het hoofdgeding, de in een verdrag over een bijzonder onderwerp neergelegde regels inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, zoals de litispendentieregel van artikel 31, lid 2, van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol van Genève van 5 juli 1978, en de regel inzake de uitvoerbaarheid waarin artikel 31, lid 3, van dat verdrag voorziet, van toepassing zijn, mits deze regels in hoge mate voorspelbaar zijn, een goede rechtsbedeling vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk kunnen beperken, en mits deze regels onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie (favor executionis) waarborgen.

2)      Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om artikel 31 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, zoals gewijzigd, uit te leggen.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.