Language of document :

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 22 december 2010 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Session (Schotland), Edinburgh (Verenigd Koninkrijk)] - The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs/RBS Deutschland Holdings GmbH

(Zaak C-277/09)1

(Zesde btw-richtlijn - Recht op aftrek - Aankoop van voertuigen en gebruik voor leasingactiviteiten - Verschillen tussen belastingstelsels van twee lidstaten - Verbod van misbruik)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Session (Schotland), Edinburgh

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs

Verwerende partij: RBS Deutschland Holdings GmbH

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing - Court of Session (Scotland), Edinburgh - Uitlegging van artikel 17, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) - Handelingen verricht met de uitsluitende bedoeling een belastingvoordeel te verkrijgen - Dienst bestaande in de leasing van auto's in het Verenigd Koninkrijk door de Duitse dochteronderneming van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde bank

Dictum

In omstandigheden als die in het hoofdgeding, moet artikel 17, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat een belastingplichtige de aftrek van de voorbelasting over de in deze lidstaat gedane aankoop van goederen niet kan weigeren wanneer deze goederen voor leasingactiviteiten in een andere lidstaat worden gebruikt, alleen omdat in laatstgenoemde lidstaat geen belasting over de toegevoegde waarde over de handelingen in een later stadium is betaald.

In omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin een in een lidstaat gevestigde vennootschap ervoor kiest om via haar in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming goederen te leasen aan een in eerstgenoemde lidstaat gevestigde derde vennootschap teneinde te vermijden dat over de vergoedingen voor deze handelingen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is daar deze handelingen in eerstgenoemde lidstaat als in laatstgenoemde lidstaat verrichte leasingdiensten en in laatstgenoemde lidstaat als in eerstgenoemde lidstaat verrichte leveringen van goederen worden aangemerkt, staat het beginsel van verbod van misbruik niet in de weg aan het in artikel 17, lid 3, sub a, van richtlijn 77/388 erkende recht van aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde.

____________

1 - PB C 267 van 7.11.2009.