Language of document : ECLI:EU:F:2010:36

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

4 mei 2010

Zaak F‑47/09

Éric Mathias Fries Guggenheim

tegen

Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)

„Openbare dienst — Tijdelijk functionaris — Niet-verlenging van overeenkomst — Artikel 11 bis van het Statuut — Artikel 1, zesde alinea, van bijlage II bij het Statuut — Functie van personeelsvertegenwoordiging — Verplichting van onpartijdigheid en onafhankelijkheid”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Fries Guggenheim vraagt om nietigverklaring van het besluit van de directrice van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) van 7 juli 2008 om zijn overeenkomst van tijdelijk functionaris niet te verlengen en, voor zover nodig, van het besluit van 18 juli 2008 houdende bevestiging van eerdergenoemd besluit, alsmede om veroordeling van het Cedefop tot betaling van een schadevergoeding aan hem, voor het geval hij niet word herplaatst.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Fries Guggenheim wordt verwezen in de kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Tijdelijk functionarissen — Aanwerving — Verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd — Beoordelingsvrijheid van administratie

(Regeling andere personeelsleden, art. 47, sub c)

2.      Handelingen van instellingen — Richtlijnen — Rechtstreeks opleggen van verplichtingen aan instellingen van de Unie in betrekkingen met hun personeel — Daarvan uitgesloten — Inroepbaarheid — Omvang

(Art. 10 EG)

3.      Ambtenaren — Rechten en verplichtingen — Verplichting tot onafhankelijkheid en onkreukbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 11 bis)

4.      Ambtenaren — Organisatie van diensten — Tewerkstelling van personeel — Beoordelingsvrijheid van administratie — Grenzen — Dienstbelang

(Ambtenarenstatuut, art. 4, 7, lid 1, 29 en 45)

5.      Ambtenaren — Beroep — Vordering tot schadevergoeding verbonden met vordering tot nietigverklaring — Afwijzing van vordering tot nietigverklaring die leidt tot afwijzing van vordering tot schadevergoeding

(Ambtenarenstatuut, art. 91)

1.      De beëindiging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd overeenkomstig artikel 47, sub c, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en met eerbiediging van de in de overeenkomst voorziene opzeggingstermijn alsmede de voortijdige beëindiging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris die voor bepaalde tijd is gesloten, vallen onder de ruime beoordelingsvrijheid van het bevoegde gezag, zodat de controle van de rechter van de Unie, naast de controle van de eerbiediging van de motiveringsplicht, zich moet beperken tot de vraag of er geen sprake is van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid.

Dit geldt te meer wanneer het niet om een voortijdige beëindiging gaat, maar om de niet-verlenging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris die voor bepaalde tijd is gesloten. In die context moet de controle van de rechter zich dus beperken tot de vraag of er bij de beoordeling van het dienstbelang geen kennelijke fout is gemaakt en of er geen sprake was van misbruik van bevoegdheid.

Wanneer het bevoegde gezag zich uitspreekt over de situatie van een functionaris dient het rekening te houden met alle elementen die zijn besluit kunnen beïnvloeden en met name met het belang van de betrokken functionaris. Dit volgt immers uit de zorgplicht van de administratie, die een weergave vormt van het door het Statuut en, mutatis mutandis, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en zijn personeelsleden.

De voorgaande algemene overwegingen gelden eveneens wanneer de functionaris een functie van personeelsvertegenwoordiging heeft uitgeoefend, daar de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden niet voorziet in een afwijkende of bijzondere regeling voor de beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris die een dergelijke functie heeft uitgeoefend. Wanneer de uitoefening van die functie echter tot gevolg kan hebben dat de betrokken functionaris zich tegen bepaalde standpunten van de administratie moet verzetten of deze moet bekritiseren, moet het bevoegde gezag bijzonder voorzichtig zijn teneinde ervoor te zorgen dat zijn oordeel over de verlenging van de overeenkomst van de betrokkene niet negatief wordt beïnvloed door de houding die laatstgenoemde bij de uitoefening van zijn functie als personeelsvertegenwoordiger heeft aangenomen, op voorwaarde echter dat die gedraging binnen de normale grenzen van de sociale dialoog blijft. Deze voorzichtigheid is des te meer geboden, daar de collectieve arbeidsverhoudingen zich dikwijls in een bijzonder gespannen conflictsfeer afspelen.

(cf. punten 64‑67)

Referentie:

Hof: 26 februari 1981, De Briey/Commissie, 25/80, Jurispr. blz. 637, punt 7

Gerecht van eerste aanleg: 28 januari 1992, Speybrouck/Parlement, T‑45/90, Jurispr. blz. II‑33, punten 97 en 98; 17 maart 1994, Hoyer/Commissie, T‑51/91, JurAmbt. blz. I‑A‑103 en II‑341, punt 36; 14 juli 1997, B/Parlement, T‑123/95, JurAmbt. blz. I‑A‑245 en II‑697, punt 70; 12 december 2000, Dejaiffe/BHIM, T‑223/99, JurAmbt. blz. I‑A‑277 en II‑1267, punt 51; 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T‑7/01, JurAmbt. blz. I‑A‑37 en II‑239, punt 50

Gerecht voor ambtenarenzaken: 28 juni 2007, Bianchi/ETF, F‑38/06, JurAmbt. blz. I-A-1-183 en II-A-1-1009, punten 92 en 93 en punt 94, en de aangehaalde rechtspraak

2.      Het is juist dat richtlijnen voor de lidstaten en niet voor de instellingen of de organen van de Unie zijn bestemd. De bepalingen van richtlijn 2002/14 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Unie, kunnen derhalve als zodanig niet worden geacht, de instellingen in hun betrekkingen met het personeel verplichtingen op te leggen.

Dat een richtlijn de instellingen als zodanig niet bindt, betekent echter niet dat deze de instellingen in hun verhouding met de ambtenaren en personeelsleden niet indirect verplichtingen kan opleggen. Meer bepaald moeten de instellingen, overeenkomstig de loyaliteitsplicht die krachtens artikel 10, tweede alinea, EG op hen rust, in hun hoedanigheid van werkgever rekening houden met de wettelijke bepalingen die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld en die met name minimumvoorschriften bevatten bedoeld om de levens‑ en arbeidsomstandigheden van de werknemers in de lidstaten te verbeteren door de nationale wettelijke regelingen en praktijken op één lijn te brengen. Die verplichting geldt eveneens voor de organen die de wetgever van de Unie heeft ingesteld om de instellingen te helpen bij de uitvoering en de planning van het in de verdragen voorziene beleid.

(cf. punten 70 en 71)

Referentie:

Hof: 9 september 2003, Rinke, C‑25/02, Jurispr. blz. I‑8349, punt 24

Gerecht van eerste aanleg: 21 mei 2008, Belfass/Raad, T‑495/04, Jurispr. blz. II‑781, punt 43

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 april 2009, Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, JurAmbt. blz. I-A-1-1054 en II-A-1-567; 4 juni 2009, Adjemian e.a./Commissie, F‑134/07 en F‑8/08, JurAmbt. blz. I-A-1-149 en II-A-1-841, punt 93, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑325/09 P

3.      De sterk uiteenlopende opvattingen van de directie van een Europees agentschap en de personeelsvertegenwoordiging daarvan over vragen die het gebied van de sociale dialoog betreffen, kunnen op zich onvoldoende basis vormen voor de gewettigde en objectief gerechtvaardigde vrees dat de directeur van een agentschap buiten die sociale dialoog dermate negatieve vooroordelen over een functionaris met een functie van personeelsvertegenwoordiger heeft kunnen koesteren of zich zodanig heeft kunnen laten leiden door een persoonlijk belang bij de niet-verlenging van de overeenkomst van laatstgenoemde, dat hij bij de uitoefening van zijn functie zijn onpartijdigheid heeft verloren.

Die verschillende opvattingen, die overigens geen verband houden met de persoonlijke situatie van de functionaris, zijn op zich immers niet zo ernstig dat de gehele beoordeling van de directeur concreet gezien een gebrek aan onpartijdigheid jegens de functionaris zou hebben vertoond. Voorts kan een louter abstract risico van een persoonlijk conflict waarin de directeur zich door die verschillende opvattingen zou hebben bevonden, op zich niet volstaan voor de vermeende schending van artikel 11 bis van het Statuut.

(cf. punten 78 en 79)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 12 juli 2005, De Bry/Commissie, T‑157/04, JurAmbt. blz. I‑A‑199 en II‑901, punten 38 en 39

4.      De instellingen beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid om hun diensten in overeenstemming met de hun opgedragen taken te organiseren en met het oog hierop het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, op voorwaarde evenwel dat die tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten.

Rekening houdend met de omvang van de beoordelingsvrijheid waarover de instellingen bij de beoordeling van het dienstbelang beschikken, moet de rechter van de Unie enkel verifiëren of de administratie binnen aanvaardbare grenzen is gebleven en haar beoordelingsvrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

Het dienstbelang kan de beoordelingsmarge van het tot aanstelling bevoegd gezag beperken door te verlangen dat in bepaalde functies tewerkgestelde personen niet alleen bekwaam, maar het meest bekwaam zijn om die functies uit te oefenen, zodat het gezag in dat geval de verdiensten van de betrokkenen moet vergelijken teneinde de meest geschikte persoon uit te kiezen.

(cf. punten 104‑106)

Referentie:

Hof: 7 maart 1990, Hecq/Commissie, C‑116/88 en C‑149/88, Jurispr. blz. I‑599, punt 11

Gerecht van eerste aanleg: 22 januari 1998, Costacurta/Commissie, T‑98/96, JurAmbt. blz. I‑A‑21 en II‑49, punt 36; 26 november 2002, Cwik/Commissie, T‑103/01, JurAmbt. blz. I‑A‑229 en II‑1137, punt 30; 25 juli 2006, Fries Guggenheim/Cedefop, T‑373/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑169 en II‑A‑2‑819, punt 68, punt 69, en de aangehaalde rechtspraak, en punt 71

5.      In door ambtenaren ingestelde beroepen moeten vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen voor zover zij nauw verband houden met vorderingen tot nietigverklaring die zelf ongegrond zijn verklaard.

(cf. punt 119)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 10 juni 2004, Liakoura/Raad, T‑330/03, JurAmbt. blz. I‑A‑191 en II‑859, punt 69; 13 juli 2005, Scano/Commissie, T‑5/04, JurAmbt. blz. I‑A‑205 en II‑931, punt 77

Gerecht voor ambtenarenzaken: Bianchi/ETF, reeds aangehaald, punt 104