Language of document :

Beroep ingesteld op 2 januari 2019 – Mutualidad General de la Abogacía e.a./ECB en GAR

(Zaak T-11/19)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: La Mutualidad General de la Abogacía (Madrid, Spanje) en 75 andere verzoekende partijen (vertegenwoordigers: R. Pelayo Jiménez, A. Muñoz Aranguren en P. Hermida Paredes, advocaten)

Verwerende partijen: Europese Centrale Bank en Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

vast te stellen dat de ECB en de GAR niet-contractueel aansprakelijk zijn als gevolg van de in het verzoekschrift vermelde inbreuken en hen te veroordelen tot vergoeding aan de verzoekende partijen van de berokkende schade, geraamd op de waarde van hun aandelen, die volgens de eigen „Waardering 1” van de GAR 2,0020217 EUR/aandeel bedroeg en, subsidiair, de verwerende instellingen te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 0,8442 EUR/aandeel;

het als vergoeding te betalen bedrag te vermeerderen met compensatoire rente, berekend op basis van het jaarlijkse inflatiepercentage dat Eurostat voor Spanje heeft geconstateerd vanaf 6 juni 2017 tot de datum van het arrest, en met vertragingsrente (tegen de door de ECB voor de basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet, vermeerderd met twee procentpunten), vanaf de datum van het arrest waarin de verplichting tot vergoeding van de schade wordt vastgesteld tot de daadwerkelijke betaling ervan, en

de verwerende instellingen te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen twee middelen aan.

Eerste middel: de Europese Centrale Bank heeft op onrechtmatige of nalatige wijze gehandeld of verzuimd te handelen. In dit verband wordt het volgende aangevoerd:

schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, aangezien de ECB, als instelling die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het proces voor prudentiële toetsing en evaluatie (SREP), gewettigd vertrouwen heeft gewekt bij de aandeelhouders van Banco Popular Español, S.A., en

schending door de ECB van de zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot behoorlijk bestuur, door voor Banco Popular Español niet de passende vroegtijdige-interventiemaatregelen en/of herstelmaatregelen vast te stellen, hetgeen in strijd is met de richtsnoeren inzake de drempels voor de activering van vroegtijdige-interventiemaatregelen (artikel 27, lid 4, van richtlijn 2014/59).

Tweede middel: de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad heeft op onrechtmatige of nalatige wijze gehandeld. In dit verband wordt het volgende aangevoerd:

schending van de artikelen 7 en 13 van verordening (EU) nr. 806/2014 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 2014/59 door het ongecoördineerde optreden van de GAR en de ECB, alsook het niet bijwerken van het afwikkelingsplan voor Banco Popular Español;

schending van de geheimhoudingsplicht door de GAR, en in samenhang daarmee schending van artikel 339 VWEU en artikel 88, lid 1, van verordening (EU) nr. 806/2014, en

schending van artikel 20 van verordening (EU) nr. 806/2014 door de weigering van de GAR om een definitieve waardering van Banco Popular Español te laten opstellen, en door de daarmee samenhangende schending van de zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot behoorlijk bestuur.

____________