Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

19 oktober 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele en industriële eigendom – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 96, onder a) – Vordering wegens inbreuk – Artikel 99, lid 1 – Vermoeden van geldigheid – Artikel 100 – Reconventionele vordering tot nietigverklaring – Verhouding tussen een vordering wegens inbreuk en een reconventionele vordering tot nietigverklaring – Procedurele autonomie”

In zaak C‑425/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 12 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 1 augustus 2016, in de procedure

Hansruedi Raimund

tegen

Michaela Aigner

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: E. Juhász, waarnemend voor de kamerpresident, K. Jürimäe en C. Lycourgos (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Hansruedi Raimund, vertegenwoordigd door C. Hadeyer, Rechtsanwalt,

–        Michaela Aigner, vertegenwoordigd door F. Gütlbauer, S. Sieghartsleitner en M. Pichlmair, Rechtsanwälte,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2017,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 99, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hansruedi Raimund en Michaela Aigner inzake een vordering wegens inbreuk op een Uniewoordmerk en een reconventionele vordering tot nietigverklaring van dit merk.

 Toepasselijke bepalingen

3        In overweging 16 van verordening nr. 207/2009 heet het dat „[h]et [...] strikt noodzakelijk [is], dat de beslissingen ten aanzien van de geldigheid van en inbreuk op [Unie]merken rechtsgevolgen voor de gehele [Europese Unie] hebben, zijnde het enige middel om tegenstrijdige beslissingen van rechterlijke instanties en het Bureau [voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)] en aantastingen van het eenheidskarakter van het [Unie]merk te voorkomen”.

4        Artikel 1, lid 2, van die verordening luidt:

„Het [Unie]merk vormt een eenheid: het heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele [Unie]. Inschrijving, overdracht, afstand, vervallen- of nietigverklaring en verbod op het gebruik ervan zijn slechts voor de gehele [Unie] mogelijk. Dit beginsel is van toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt.”

5        Volgens artikel 6 van die verordening wordt het Uniemerk verkregen door inschrijving.

6        Artikel 52 van verordening nr. 207/2009, met als opschrift „Absolute nietigheidsgronden”, bepaalt in lid 1, onder b):

„1.      Het [Unie]merk wordt op vordering bij het [EUIPO] of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard, wanneer

[...]

b)      de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.

[...]”

7        Artikel 96, onder a) en d), van deze verordening luidt:

De rechtbanken voor het [Unie]merk hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van:

a)      alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op [Unie]merken;

[...]

d)      reconventionele vorderingen tot vervallenverklaring of nietigverklaring van het [Unie]merk, als bedoeld in artikel 100.”

8        Artikel 99 van die verordening, met als opschrift „Vermoeden van geldigheid – Verweer ten gronde”, bepaalt in lid 1:

„De rechtbanken voor het [Unie]merk beschouwen het [Unie]merk als geldig, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring wordt bestreden.”

9        Artikel 100 van verordening nr. 207/2009 luidt:

„1.      De reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring kan slechts steunen op de in deze verordening genoemde gronden voor vervallen- of nietigverklaring.

2.      Een rechtbank voor het [Unie]merk verwerpt een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring indien op een vordering met hetzelfde voorwerp en op dezelfde grond al door het [EUIPO] tussen dezelfde partijen een onherroepelijke beslissing is gegeven.

[...]

4.      De rechtbank voor het [Unie]merk waarbij een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring van een [Unie]merk is ingesteld, deelt de datum van instelling van die vordering mee aan het [EUIPO]. Het [EUIPO] maakt hiervan melding in het [Unie]merkenregister.

[...]

6.      Wanneer een rechtbank voor het [Unie]merk zich bij in kracht van gewijsde gegane beslissing over een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring van het [Unie]merk heeft uitgesproken, wordt een afschrift van de beslissing aan het [EUIPO] gezonden. Elke partij kan inlichtingen over deze toezending vragen. Het [EUIPO] vermeldt de beslissing overeenkomstig de uitvoeringsverordening in het register van [Unie]merken.

[...]”

10      Artikel 104, leden 1 en 2, van die verordening bepaalt:

„1.      Indien bij een rechtbank voor het [Unie]merk een in artikel 96 bedoelde vordering – anders dan een vordering tot vaststelling van niet-inbreuk – is ingesteld en de geldigheid van het [Unie]merk al voor een andere rechtbank voor het [Unie]merk bij een reconventionele vordering wordt betwist of bij het [EUIPO] al een vordering tot vervallen- of nietigverklaring is ingesteld, schorst die rechtbank ambtshalve, de partijen gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten.

2.      Indien bij het [EUIPO] een vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring is ingesteld en de geldigheid van het [Unie]merk al bij een reconventionele vordering voor een rechtbank voor het [Unie]merk wordt aangevochten, schorst het [EUIPO] ambtshalve, de partijen gehoord, of op verzoek van een partij en nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten. Indien evenwel een van de partijen in de procedure voor de rechtbank voor het [Unie]merk daarom verzoekt, kan de rechtbank, nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure schorsen. In dat geval zet het [EUIPO] de procedure voort.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Als houder van het Uniewoordmerk Baucherlwärmer brengt Raimund onder dit merk sinds ongeveer 2000 kruiden voor bereidingen op basis van alcohol in de handel. Ook Aigner biedt een kruidenmengsel te koop aan dat met sterke alcohol kan worden gemengd en dat zij eveneens Baucherlwärmer noemt.

12      Raimund heeft voor het Handelsgericht Wien (handelsrechter Wenen, Oostenrijk) een vordering wegens inbreuk op het Uniemerk waarvan hij houder is ingesteld, opdat het Aigner wordt verboden het teken „Baucherlwärmer” te gebruiken voor de waren en diensten van de klassen waarop dat merk betrekking heeft. Aigner, verweerster in het hoofdgeding, was op haar beurt met name van mening dat Raimund dit merk had verworven op een manier die strijdig was met de moraal en te kwader trouw, en heeft bij deze rechter een reconventionele vordering tot nietigverklaring van dit merk ingesteld.

13      Het Handelsgericht Wien heeft beslist de behandeling van deze reconventionele vordering te schorsen tot de definitieve uitspraak over de vordering wegens inbreuk, waarop het hoofdgeding betrekking heeft. Aangezien de beslissing tot schorsing van de behandeling van de reconventionele vordering werd vernietigd, is deze vordering nog steeds aanhangig in eerste aanleg. De vordering wegens inbreuk werd door het Handelsgericht Wien afgewezen omdat Raimund het Uniemerk te kwader trouw had aangevraagd.

14      Het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk) heeft de beslissing in eerste aanleg bevestigd, zodat Raimund bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) een beroep in Revision heeft ingesteld.

15      Volgens de verwijzende rechter heeft verzoeker in het hoofdgeding het aldaar aan de orde zijnde Uniemerk inderdaad te kwader trouw verkregen en moet dit overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 bijgevolg nietig worden verklaard. Hij twijfelt echter aan de door Raimund in het kader van zijn beroep in Revision aan de orde gestelde vraag of de rechters in eerste en tweede aanleg in het kader van de inbreukprocedure uitspraak mochten doen over de vraag inzake kwade trouw, terwijl op de reconventionele vordering tot nietigverklaring van het merk niet definitief was beslist.

16      Gelet op het feit dat verweerster in het hoofdgeding zich beroept op een absolute nietigheidsgrond, in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, waarop – zoals artikel 99, lid 1, van deze verordening bepaalt – in het kader van een vordering wegens inbreuk slechts geldig een beroep kan worden gedaan wanneer de verweerder op deze grond een reconventionele vordering instelt, vraagt het Oberste Gerichtshof of het volstaat een reconventionele vordering in te stellen op basis van de verkrijging te kwader trouw van de merkrechten om de vordering wegens inbreuk te kunnen afwijzen, nog vóór op deze reconventionele vordering wordt beslist (eerste optie); dan wel of de vordering wegens inbreuk slechts op deze grond kan worden afgewezen wanneer het betrokken merk, minstens tegelijk, op basis van de reconventionele vordering nietig word verklaard (tweede optie); dan wel of het bezwaar inzake de verwerving van de merkrechten te kwader trouw in het kader van de vordering wegens inbreuk slechts kan slagen wanneer het merk krachtens de reconventionele vordering vooraf definitief nietig is verklaard (derde optie).

17      De verwijzende rechter geeft aan dat het in casu alleen afhangt van het nietigheidsbezwaar of de vordering wegens inbreuk al dan niet slaagt. Hij geeft het Hof in overweging de tweede optie te volgen, in die zin dat uit artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009 kan worden afgeleid dat een vordering wegens inbreuk alleen mag worden afgewezen omdat sprake is van een nietigheidsgrond wanneer minstens tegelijk de reconventionele vordering op deze grond wordt toegewezen. Volgens hem mag alleen het instellen van een dergelijke reconventionele vordering niet volstaan, maar mag, omgekeerd, evenmin zijn vereist dat wordt gewacht tot de beslissing op deze reconventionele vordering definitief is geworden. Hij preciseert dat het mogelijke bestaan van een verplichting om te wachten tot de beslissing op de reconventionele vordering definitief is geworden, de mogelijke voeging van de procedures over de vordering wegens inbreuk en over de reconventionele vordering alsook de organisatie van de beroepsprocedure, uitsluitend op grond van het nationale procesrecht moeten worden beoordeeld.

18      De verwijzende rechter merkt nog op dat de optie die hij het Hof in overweging geeft te kiezen, kan verzekeren dat het bezwaar inzake nietigheid of verval inter partes, dat in het kader van de vordering wegens inbreuk wordt aangevoerd, alleen kan slagen wanneer het merk in het kader van de reconventionele vordering op dezelfde grond erga omnes nietig of vervallen wordt verklaard. In het bijzonder moet voor het slagen van de beroepsprocedure de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde verzoeker in het hoofdgeding in de vordering wegens inbreuk zowel de beslissing op de vordering wegens inbreuk als de beslissing op de reconventionele vordering betwisten. Mocht hij alleen de beslissing op de vordering wegens inbreuk betwisten, dan zou zijn beroep noodgedwongen falen, aangezien dan de in kracht van gewijsde gegane beslissing over de reconventionele vordering er a priori aan in de weg staat dat de vordering wegens inbreuk slaagt.

19      Het Oberste Gerichtshof erkent echter dat de letterlijke betekenis of het doel van artikel 99 van verordening nr. 207/2009 ook zouden kunnen leiden tot een andere uitlegging dan die welke het in overweging geeft.

20      In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Kan een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk [artikel 96, onder a), van verordening nr. 207/2009] worden afgewezen op grond dat de aanvrager van het merk te kwader trouw was [artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009], wanneer de gedaagde op deze grond weliswaar een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk heeft ingesteld (artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009), maar de rechter op deze reconventionele vordering nog niet heeft beslist?

2)      Indien het antwoord op vraag 1) ontkennend luidt: kan de rechter de vordering wegens inbreuk afwijzen op grond dat de aanvrager van het merk te kwader trouw was, wanneer hij minstens tegelijk de reconventionele vordering tot nietigverklaring toewijst, of moet hij met de beslissing op de vordering wegens inbreuk in ieder geval wachten tot de beslissing op de reconventionele vordering in kracht van gewijsde is gegaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de krachtens artikel 96, onder a), van deze verordening bij een rechtbank voor het Uniemerk ingestelde vordering wegens inbreuk kan worden afgewezen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zonder dat deze rechtbank de reconventionele vordering tot nietigverklaring, die de gedaagde op deze vordering wegens inbreuk heeft ingesteld op basis van artikel 100, lid 1, van deze verordening, en die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, heeft toegewezen.

22      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet voor de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen daarvan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaken, nastreeft (arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, EU:C:2000:467, punt 50; 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, EU:C:2011:685, punt 54, en 26 juli 2017, Jafari, C‑646/16, EU:C:2017:586, punt 73).

23      Wat betreft de bewoordingen van artikel 99 van verordening nr. 207/2009, met als opschrift „Vermoeden van geldigheid – Verweer ten gronde”, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van titel X van deze verordening, met betrekking tot geschillen ter zake van inbreuk op en geldigheid van Uniemerken, bepaalt dit artikel in lid 1 dat de rechtbanken voor het Uniemerk het Uniemerk als geldig beschouwen, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring wordt bestreden.

24      Hoewel uit deze bepaling blijkt dat het Uniemerk een vermoeden van geldigheid geniet, dat in het kader van een vordering wegens inbreuk kan worden weerlegd door een reconventionele vordering tot nietigverklaring, dient nochtans te worden vastgesteld dat louter op basis van de bewoordingen van deze bepaling niet kan worden bepaald of de rechtbank voor het Uniemerk, wanneer de gedaagde op een vordering wegens inbreuk tegen deze vordering een grond voor nietigheid van het merk aanvoert en bovendien een reconventionele vordering tot nietigverklaring op basis van deze nietigheidsgrond instelt, deze reconventionele vordering moet toewijzen vóór deze de vordering wegens inbreuk kan afwijzen.

25      Wat betreft de context waarin artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009 past, zij opgemerkt dat artikel 104, lid 1, van deze verordening vereist dat indien bij een rechtbank voor het Uniemerk een in artikel 96 van deze verordening bedoelde vordering is ingesteld en de geldigheid van het Uniemerk al voor een andere rechtbank voor het Uniemerk wordt betwist of bij het EUIPO al een vordering tot vervallen- of nietigverklaring is ingesteld, die rechtbank de procedure schorst, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten.

26      Bijgevolg zou een uitlegging van artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009, volgens welke het zou volstaan dat een reconventionele vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld bij een rechtbank voor het Uniemerk opdat deze rechtbank, nog vóór op deze vordering uitspraak te doen, kan beslissen op de op basis van artikel 96, onder a), van deze verordening ingestelde vordering wegens inbreuk, waarbij zij zich baseert op dezelfde nietigheidsgrond als die welke in deze reconventionele vordering wordt aangevoerd, als onlogisch gevolg hebben dat de regels van deze verordening aangaande de verknochtheid van bij verschillende rechtbanken voor het Uniemerk aanhangige zaken strikter zijn dan de regels aangaande de verknochtheid van bij één en dezelfde rechtbank voor het Uniemerk aanhangige zaken.

27      Wat betreft de door verordening nr. 207/2009 nagestreefde doelstelling, zij eraan herinnerd dat artikel 1, lid 2, ervan het eenheidskarakter van het Uniemerk bevestigt. Daar het merk dezelfde rechtsgevolgen heeft in de gehele Unie, zijn overeenkomstig deze bepaling inschrijving, overdracht, afstand, vervallen‑ of nietigverklaring en verbod op het gebruik van dit merk slechts voor de gehele Unie mogelijk.

28      Dienaangaande heet het in overweging 16 van deze verordening dat de beslissingen ten aanzien van de geldigheid van Uniemerken rechtsgevolgen voor de gehele Unie hebben, zijnde het enige middel om tegenstrijdige beslissingen van rechterlijke instanties en het EUIPO en aantastingen van het eenheidskarakter van het Uniemerk te voorkomen.

29      Bijgevolg vloeit uit de doelstelling van die verordening voort dat de beslissing van een rechtbank voor het Uniemerk waarbij in het kader van een krachtens artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring een Uniemerk nietig wordt verklaard, noodzakelijkerwijs in de gehele Unie erga omnes geldt, ter verzekering van het eenheidskarakter van het Uniemerk.

30      De werking erga omnes van een dergelijke beslissing wordt overigens bevestigd door zowel artikel 100, lid 6, van verordening nr. 207/2009, volgens hetwelk een rechtbank voor het Uniemerk het EUIPO een afschrift moet zenden van de in kracht van gewijsde gegane beslissing over een reconventionele vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring van een Uniemerk, als de regels inzake verknochtheid bedoeld in artikel 104 van deze verordening, die in punt 25 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.

31      Omgekeerd, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de beslissing van een dergelijke rechtbank op een vordering wegens inbreuk slechts werking inter partes, zodat deze beslissing, zodra zij definitief is geworden, alleen de partijen bij de inbreukprocedure bindt.

32      Dit is het geval wanneer, zoals in het hoofdgeding, de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk afwijst omdat sprake is van een absolute nietigheidsgrond, zoals de kwade trouw van de aanvrager bij de indiening van de aanvraag in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, zonder vooraf te hebben beslist op de door de gedaagde op deze vordering ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring.

33      Opgemerkt zij echter dat de nietigverklaring van een Uniemerk op grond van een dergelijke absolute nietigheidsgrond, gelet op het eenheidskarakter van het Uniemerk en het doel tegenstrijdige beslissingen ter zake te voorkomen, moet gelden voor de gehele Unie en niet alleen voor de partijen bij de inbreukprocedure. Dit vereiste houdt in dat de betrokken rechtbank voor het Uniemerk op de reconventionele vordering tot nietigverklaring beslist vóór op de vordering wegens inbreuk te beslissen.

34      De rechtbank voor het Uniemerk is bijgevolg gehouden tot toewijzing van de reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk, die overeenkomstig artikel 100, lid 1, van verordening nr. 207/2009 wordt ingesteld in het kader van een vordering wegens inbreuk op dit merk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, alvorens deze vordering wegens inbreuk op grond van dezelfde absolute nietigheidsgrond te kunnen afwijzen.

35      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de krachtens artikel 96, onder a), van deze verordening bij een rechtbank voor het Uniemerk ingestelde vordering wegens inbreuk niet kan worden afgewezen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zonder dat deze rechtbank de reconventionele vordering tot nietigverklaring, die de gedaagde op deze vordering wegens inbreuk heeft ingesteld op basis van artikel 100, lid 1, van deze verordening, en die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, heeft toegewezen.

 Tweede vraag

36      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van verordening nr. 207/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, kan afwijzen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zelfs al is de beslissing op de krachtens artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring, die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, niet definitief geworden.

37      Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt dat artikel 99, lid 1, van verordening nr. 207/2009, ter verzekering van het eenheidskarakter van het Uniemerk en ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen, de rechtbank voor het Uniemerk verplicht de op basis van artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering toe te wijzen vóór hij de vordering wegens inbreuk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, kan afwijzen.

38      Zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevat verordening nr. 207/2009 echter geen enkele regel die vereist dat de beslissing tot toewijzing van de reconventionele vordering tot nietigverklaring definitief is geworden opdat de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk kan afwijzen, noch enige regel die deze rechtbank zou verbieden te wachten tot de beslissing tot toewijzing van de reconventionele vordering tot nietigverklaring definitief is geworden, om de vordering wegens inbreuk af te wijzen.

39      Geen enkele bepaling van deze verordening stelt de mogelijkheid voor de rechtbank voor het Uniemerk om de vordering wegens merkinbreuk af te wijzen op basis van een nietigheidsgrond immers afhankelijk van de voorwaarde dat de beslissing waarbij hij de reconventionele vordering tot nietigverklaring van dit merk op basis van dezelfde nietigheidsgrond heeft toegewezen, definitief is geworden, terwijl een dergelijk vereiste in andere gevallen in artikel 100 van deze verordening is bepaald.

40      In een dergelijke context zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het, bij gebreke van Unieregelgeving ter zake, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om krachtens het beginsel van procedurele autonomie de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, waarbij de lidstaten evenwel gehouden zijn in elk geval een doeltreffende bescherming van die rechten te verzekeren (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 47, en 27 juni 2013, Agrokonsulting, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 35).

41      Om die reden en in overeenstemming met het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, mogen de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5; 14 december 1995, Peterbroeck, C‑312/93, EU:C:1995:437, punt 12, en 27 juni 2013, Agrokonsulting, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 36).

42      Blijkens de rechtspraak van het Hof gelden de uit de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid voortvloeiende vereisten onder meer voor de vaststelling van de procedurevoorschriften voor vorderingen die op het Unierecht zijn gebaseerd (zie in die zin arrest van 27 juni 2013, Agrokonsulting, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een vordering wegens inbreuk naar Oostenrijks recht, volgens de rechtspraak van het Oberste Gerichtshof, alleen kan worden afgewezen wegens nietigheid van het Uniemerk wanneer dit merk, minstens tegelijk, op basis van een reconventionele vordering nietig wordt verklaard. Volgens deze rechter waarborgt een dergelijk vereiste dat het bezwaar van nietigheid in het kader van de vordering wegens inbreuk, met slechts werking inter partes, alleen kan slagen wanneer het Uniemerk wegens dezelfde reden in het kader van de reconventionele vordering nietig wordt verklaard, met werking erga omnes.

44      Dienaangaande zij opgemerkt dat – zoals de advocaat-generaal in punt 86 van zijn conclusie heeft opgemerkt – wanneer, zoals in het hoofdgeding, dezelfde rechterlijke instantie uitspraak dient te doen op zowel een vordering wegens merkinbreuk als een reconventionele vordering tot nietigverklaring van dit merk, de coherentie met haar eigen uitspraak in het kader van de reconventionele vordering eraan in de weg staat dat haar uitspraak in het kader van de vordering wegens inbreuk tegenstrijdig is.

45      De rechtbank voor het Uniemerk moet inderdaad de uitkomst van de reconventionele vordering tot nietigverklaring afwachten alvorens uitspraak te doen over de vordering wegens inbreuk. Zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, zou het echter naar alle waarschijnlijkheid leiden tot aanzienlijke vertragingen voor de inbreukprocedure, wanneer de uitkomst van de inbreukprocedure wordt verbonden aan het gedrag van partijen met betrekking tot de beroepen tegen de beslissing tot toewijzing van de reconventionele vordering tot nietigverklaring. In dit verband zij eraan herinnerd – zoals de advocaat-generaal in punt 89 van zijn conclusie heeft opgemerkt – dat, aangezien de bij beide gedingen betrokken partijen dezelfde zijn, zij over dezelfde verweermiddelen beschikken en de gevolgen van hun eigen handelingen dienen te dragen. De mogelijkheid dat een van de partijen, door opeenvolgende beroepen, de definitieve werking van de uitspraken in eerste aanleg probeert te vertragen, mag dus niet zwaarder wegen dan de verplichting van de rechter om het voor hem aanhangige geding te beslechten.

46      Het feit dat de rechtbank voor het Uniemerk de reconventionele vordering tot nietigverklaring op basis van artikel 100, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en de vordering wegens inbreuk, ingesteld krachtens artikel 96, onder a), van deze verordening samen behandelt, lijkt het doeltreffendheidsbeginsel dus te kunnen verzekeren.

47      Aangaande het gelijkwaardigheidsbeginsel zij opgemerkt dat het Hof in casu over geen enkel element beschikt op basis waarvan het eraan kan twijfelen dat een rechtspraak als die van het Oberste Gerichtshof, welke in punt 43 van dit arrest in herinnering is gebracht, met dit beginsel in overeenstemming is, hetgeen deze rechter evenwel dient na te gaan.

48      In deze omstandigheden dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van verordening nr. 207/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, kan afwijzen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zelfs al is de beslissing op de krachtens artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring, die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, niet definitief geworden.

 Kosten

49      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 99, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk moet aldus worden uitgelegd dat de krachtens artikel 96, onder a), van deze verordening bij een rechtbank voor het Uniemerk ingestelde vordering wegens inbreuk niet kan worden afgewezen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zonder dat deze rechtbank de reconventionele vordering tot nietigverklaring, die de gedaagde op deze vordering wegens inbreuk heeft ingesteld op basis van artikel 100, lid 1, van deze verordening, en die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, heeft toegewezen.

2)      De bepalingen van verordening nr. 207/2009 moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, kan afwijzen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zelfs al is de beslissing op de krachtens artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring, die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, niet definitief geworden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.