ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer)

1 juli 2010

Zaak F‑40/09

Radek Časta

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek — Niet-toelating tot mondeling examen — Verzoek om nieuw onderzoek — Motiveringsplicht — Vereiste beroepservaring — Te late afgifte van verklaring — Beginsel van gelijke behandeling — Beroep tot nietigverklaring — Beroep tot schadevergoeding”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 22 december 2008 tot bevestiging van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/107/07, op het gebied van het recht, van 9 juni 2008 om verzoeker niet toe te laten tot het mondelinge examen en, anderzijds, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij door dat besluit zou hebben geleden.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Beroep — Bezwarend besluit — Besluit vastgesteld na nieuw onderzoek van eerder besluit

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2, en 91, lid 1)

2.      Ambtenaren — Vergelijkend onderzoek — Jury — Weigering van toelating tot de examens — Motiveringsplicht — Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)

3.      Ambtenaren — Vergelijkend onderzoek — Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens — Aankondiging van vergelijkend onderzoek — Doel

(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 1, lid 1)

4.      Ambtenaren — Vergelijkend onderzoek — Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens —
Toelatingsvoorwaarden — Bepaling bij aankondiging van vergelijkend
onderzoek — Beoordeling, door jury, van beroepservaring van kandidaten — Rechterlijke toetsing — Grenzen

(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2 en 5)

5.      Ambtenaren — Vergelijkend onderzoek — Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens — Selectiecriteria — Beroepservaring van kandidaten

(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 5)

6.      Ambtenaren — Vergelijkend onderzoek — Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens —
Toelatingsvoorwaarden — Overlegging van bewijsstukken voor toelating tot examens

(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2 en 5)

7.      Ambtenaren — Gelijke behandeling — Grenzen — Onrechtmatig toegekend voordeel

8.      Ambtenaren — Beroep — Verzoek tot schadevergoeding dat verband houdt met verzoek tot nietigverklaring — Afwijzing van verzoek tot nietigverklaring dat afwijzing van verzoek tot schadevergoeding meebrengt

(Ambtenarenstatuut, art. 91)

1.      Wanneer een kandidaat wiens verzoek om toelating tot een door de instellingen van de Unie georganiseerd vergelijkend onderzoek is afgewezen op basis van een precieze bepaling die de administratie bindt een nieuw onderzoek van dat besluit vraagt, is het door de jury na een nieuw onderzoek genomen besluit het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, of, in voorkomend geval, van artikel 91, lid 1, van het Statuut. Het is ook dit na een nieuw onderzoek genomen besluit dat de termijn voor de indiening van een klacht en voor de instelling van een beroep doet ingaan, zonder dat in een dergelijk geval dient te worden nagegaan of dat besluit eventueel als een louter bevestigend besluit kan worden beschouwd.

(cf. punt 27)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 23 januari 2002, Gonçalves/Parlement, T‑386/00, JurAmbt. blz. I‑A-13 en II‑55, punt 39; 7 juni 2005, Cavallaro/Commissie, T‑375/02, JurAmbt. blz. I‑A‑151 en II‑673, punt 58; 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑5 en II‑A‑2‑19, punt 29

2.      Blijkens artikel 25, tweede alinea, van het Statuut moet elk individueel besluit dat krachtens het Statuut wordt genomen en bezwarend is, met redenen worden omkleed. De verplichting om een bezwarend besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, enerzijds, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is en, anderzijds, de rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Die verplichting heeft met name tot doel, de betrokkene in staat te stellen om kennis te nemen van het jegens hem genomen besluit, zodat hij eventueel gebruik kan maken van de nodige rechtsmiddelen om zijn rechten en belangen te verdedigen.

Wat meer in het bijzonder besluiten betreft waarbij wordt geweigerd om een kandidaat tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, moet de jury van het vergelijkend onderzoek precies aangeven aan welke voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek de kandidaat niet zou hebben voldaan.

(cf. punt 42)

Referentie:

Hof: 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22; 4 juli 1996; Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, Jurispr. blz. I‑3423, punt 23

Gerecht van eerste aanleg: 20 juni 1990, Burban/Parlement, T‑133/89, Jurispr. blz. II‑245, punt 43; 21 november 2000, Carrasco Benitez/Commissie, T‑214/99, JurAmbt. blz. I‑A‑267 en II‑1169, punt 173; Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punt 62; 23 januari 2003, Angioli/Commissie, T‑53/00, JurAmbt. blz. I‑A‑13 en II‑73, punt 67; 27 maart 2003, Martínez Páramo e.a./Commissie, T‑33/00, JurAmbt. blz. I‑A‑105 en II‑541, punt 43; 25 maart 2004, Petrich/Commissie, T‑145/02, JurAmbt. blz. I‑A‑101 en II‑447, punt 54

3.      De jury van een vergelijkend onderzoek is gebonden aan de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en met name aan de daarin opgenomen voorwaarden. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft blijkens het Statuut immers voornamelijk tot doel, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor het betrokken ambt gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen zin heeft te solliciteren, en anderzijds, welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd.

(cf. punt 56)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punt 73; Petrich/Commissie, reeds aangehaald, punt 34

4.      De jury van een vergelijkend onderzoek dient van geval tot geval te onderzoeken of de door de kandidaat aannemelijk gemaakte beroepservaring voldoet aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde eisen. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid, in het kader van de statutaire bepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken, zowel met betrekking tot de aard en de duur van de vroegere beroepservaring van de kandidaten als met betrekking tot het nauwe of minder nauwe verband van die beroepservaring met de eisen van het ambt waarin moet worden voorzien. Bij zijn wettigheidstoetsing moet het Gerecht voor ambtenarenzaken zich dus ertoe beperken, te onderzoeken of bij de uitoefening van die bevoegdheid geen kennelijke fout is gemaakt.

(cf. punt 58)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 13 december 1990, González Holguera/Parlement, T‑115/89, Jurispr. blz. II‑831, summiere publicatie, punt 54; 28 november 1991, Van Hecken/ESC, T‑158/89, Jurispr. blz. II‑1341, punt 22; Carrasco Benítez/Commissie, reeds aangehaald, punten 69‑71; Petrich/Commissie, reeds aangehaald, punt 37

Gerecht voor ambtenarenzaken: 14 juni 2007, De Meerleer/Commissie, F‑121/05, JurAmbt. blz. I-A-1-161 en II-A-1-865, punt 116

5.      Bij een vergelijkend onderzoek vertegenwoordigen de stukken betreffende de beroepservaring van een kandidaat die door hem persoonlijk zijn opgesteld, het standpunt van de kandidaat over zijn eigen ervaring, waarbij de teneur van die stukken overeenkomt met die van een curriculum vitae. Aangezien dergelijke stukken zich in beginsel niet lenen voor objectieve verificatie, zodat de jury van het vergelijkend onderzoek de vereiste beroepservaring grondig kan onderzoeken, kunnen zij niet worden aangemerkt als bewijsstukken voor de vereiste beroepservaring, maar slechts als een onderdeel van het curriculum vitae van de kandidaat.

(cf. punt 64)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 27 september 2006, Blackler/Parlement, T‑420/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑185 en II‑A‑2‑943, punt 49

6.      Om na te gaan of aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan mag de jury van een vergelijkend onderzoek uitsluitend rekening houden met de inlichtingen die de kandidaten in hun sollicitatieformulier en in de ter onderbouwing daarvan over te leggen bewijsstukken hebben verstrekt. Het is niet de taak van de jury om zelf onderzoek te verrichten teneinde na te gaan of de kandidaten voldoen aan alle voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Wanneer de duidelijke bepalingen van een aankondiging van vergelijkend onderzoek ondubbelzinnig voorschrijven dat bij het sollicitatieformulier bewijsstukken moeten worden gevoegd, kan het verzuim van een kandidaat om aan deze verplichting te voldoen dus niet tot gevolg hebben dat de jury of het tot aanstelling bevoegd gezag het recht heeft of zelfs verplicht is in strijd met die aankondiging te handelen.

(cf. punten 67 en 71)

Referentie:

Hof: 31 maart 1992, Burban/Parlement, C‑255/90 P, Jurispr. blz. I‑2253, punt 12

Gerecht van eerste aanleg: Carrasco Benitez/Commissie, reeds aangehaald, punt 77; Gonçalves/Parlement, reeds aangehaald, punt 74; Petrich/Commissie, reeds aangehaald, punten 45 en 49

7.      De eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling moet te verenigen zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren. Een eventuele onwettigheid jegens andere kandidaten van een vergelijkend onderzoek, die niet betrokken zijn bij de procedure, kan het Gerecht voor ambtenarenzaken er niet toe brengen vast te stellen dat er sprake is van discriminatie en bijgevolg van onwettigheid jegens een kandidaat. Een dergelijke benadering zou neerkomen op aanvaarding van het beginsel van „gelijke behandeling bij onwettigheid”. Er kan echter geen gelijkheid bij onwettigheid bestaan, aangezien het non-discriminatiebeginsel geen recht verleent op niet-discriminatoire toepassing van een onwettige behandeling.

(cf. punten 88 en 89)

Referentie:

Hof: 4 juli 1985, Williams/Rekenkamer, 134/84, Jurispr. blz. 2225, punt 14

Gerecht van eerste aanleg: 14 mei 1998, SCA Holding/Commissie, T‑327/94, Jurispr. blz. II‑1373, punt 160; 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 367; 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad, T‑13/99, Jurispr. blz. II‑3305, punt 479; 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 77

Gerecht voor ambtenarenzaken: 21 februari 2008, Skoulidi/Commissie, F‑4/07, JurAmbt. blz. I-A-1-47 en II-A-1-229, punt 81

8.      In beroepen van ambtenaren moeten vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen voor zover zij nauw verband houden met vorderingen tot nietigverklaring die zelf hetzij als niet-ontvankelijk hetzij als ongegrond zijn afgewezen.

(cf. punt 94)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 15 mei 1997, N/Commissie, T‑273/94, JurAmbt. blz. I‑A‑97 en II‑289, punt 159; 30 september 2003, Martinez Valls/Parlement, T‑214/02, JurAmbt. blz. I‑A‑229 en II‑1117, punt 43; 13 december 2005, Cwik/Commissie, T‑155/03, T‑157/03 en T‑331/03, JurAmbt. blz. I‑A‑411 en II‑1865, punt 207

Gerecht voor ambtenarenzaken: 29 september 2009, Wenning/Europol, F‑114/07, JurAmbt. blz. I-A-1-363 en II-A-1-1935, punt 210