ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

24 maart 2011

Zaak F‑104/09

Diego Canga Fano

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2009 — Weigering van bevordering — Vergelijking van verdiensten — Kennelijk onjuiste beoordeling — Beroep tot nietigverklaring — Beroep tot schadevergoeding”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Canga Fano vraagt om nietigverklaring van het besluit om hem in het kader van de bevorderingsronde 2009 niet naar de rang AD 13 te bevorderen en om veroordeling van de Raad tot betaling van het bedrag van 200 000 EUR voor de immateriële en de loopbaanschade die hij stelt te hebben geleden.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Bevordering — Vergelijking van verdiensten — Beoordelingsvrijheid van administratie

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren — Bevordering — Procedure

1.      De aan de administratie toegekende beoordelingsvrijheid voor de vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren die krachtens artikel 45 van het Statuut in aanmerking komen voor bevordering wordt begrensd door het vereiste dat de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten met zorg en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet deze vergelijking op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen plaatsvinden.

Zonder verlies van de nuttige werking die aan de beoordelingsmarge van het tot aanstelling bevoegd gezag moet worden toegekend, is er in dit verband sprake van een kennelijk onjuiste beoordeling van de verdiensten van een niet-bevorderde ambtenaar wanneer deze gemakkelijk herkenbaar is en duidelijk aan het licht kan worden gebracht, criteria waarvan de wetgever bevorderingsbesluiten afhankelijk heeft willen stellen.

(cf. punten 34 en 35)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, punt 53

2.      De voor de beoordelingsprocedure van ambtenaren geldende regels bepalen niet dat de beoordelaars zich uitspreken over de vraag of de beoordeelde ambtenaar een bevordering verdient. Wanneer de beoordelaars het initiatief nemen om het een of andere lid van hun team aan te bevelen voor bevordering, dan formuleren zij een mening die het tot aanstelling bevoegd gezag op geen enkele wijze kan binden, aangezien bevordering pas kan plaatsvinden na een vergelijking van de verdiensten van alle, voor bevordering naar dezelfde rang in aanmerking komende ambtenaren van een instelling. Dergelijke beoordelingen kunnen dus niet hetzelfde gewicht hebben als die welke volgen uit de elementen die de beoordelaar dient te beoordelen. Voorts mag het tot aanstelling bevoegd gezag een ambtenaar bevorderen wanneer het dit gerechtvaardigd acht, zelfs al bevat zijn beoordelingsrapport geen opmerkingen die ten gunste van een bevordering pleiten.

(cf. punt 60)