BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

28 september 2011

Zaak F‑42/07

Antonio Prieto

tegen

Europees Parlement

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanstelling – Intern vergelijkend onderzoek dat vóór 1 mei 2004 is bekendgemaakt – Tijdelijk functionaris die vóór 1 mei 2006 op lijst van geschikte kandidaten is geplaatst – Indeling in rang – Artikelen 5, lid 4, en 13, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut – Secretariaatstoelage – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarbij Prieto vraagt om nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 9 juni 2006 om hem met ingang van 1 juli 2006 aan te stellen als ambtenaar op proef, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de rang AST 2, salaristrap 3.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang – Invoering van nieuwe loopbaanstructuur bij verordening nr. 723/2004 – Overgangsbepalingen voor indeling in rang

(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 1; bijlage XIII, art. 5, lid 4, 12, lid 3, en 13, lid 1; verordening nr. 723/2004 van de Raad)

2.      Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang en salaristrap – Tijdelijk functionaris die tot ambtenaar wordt benoemd

(Ambtenarenstatuut, art. 32; bijlage XIII, art. 5, lid 4; Regeling andere personeelsleden, art. 8)

3.      Recht van de Unie – Beginselen – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Voorwaarden – Nauwkeurige toezeggingen van administratie

1.      Artikel 5, lid 4, van bijlage XIII bij het Statuut heeft betrekking op tijdelijk functionarissen die „op een lijst van geschikte kandidaten voor overplaatsing naar een volgende categorie [zijn] geplaatst” almede op hen die zijn geplaatst „op een lijst van kandidaten die zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek”. Ofschoon een vergelijkend onderzoek voor „de overgang van categorie” per definitie ook een intern vergelijkend onderzoek is, moet de betrokken bepaling aldus worden uitgelegd dat daaraan een nuttige werking wordt gegeven en moet een uitlegging die tot de conclusie leidt dat deze bepaling overbodig is, zo veel mogelijk worden vermeden. De wetgever heeft met „intern vergelijkend onderzoek” blijkbaar de zogenoemde vergelijkende onderzoeken voor vaste aanstelling bedoeld, die tot doel hebben om met eerbiediging van alle statutaire bepalingen die de toegang tot de Europese openbare dienst regelen, de aanwerving als ambtenaar mogelijk te maken van functionarissen die reeds een bepaalde ervaring binnen de instelling hebben en die blijk hebben gegeven van hun geschiktheid om de te vervullen ambten te bezetten. Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 5, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut, die alleen betrekking hebben op ambtenaren die „op een lijst van geschikte kandidaten voor overplaatsing naar een volgende categorie [zijn] geplaatst”, zonder de ambtenaren te vermelden die zijn geplaatst „op een lijst van kandidaten die zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek”. Voor een dergelijke vermelding zou geen rechtvaardiging bestaan, aangezien het geen zin heeft om personeelsleden die reeds ambtenaar zijn, in vaste dienst aan te stellen.

Voor de toepassing van artikel 5, lid 4, van bijlage XIII bij het Statuut moet er sprake zijn van de overgang van een „oude” naar een „nieuwe categorie”, na afloop van hetzij een vergelijkend onderzoek dat tot de opstelling van een „lijst van geschikte kandidaten voor overplaatsing naar een volgende categorie” leidt hetzij een intern vergelijkend onderzoek voor aanstelling in vaste dienst, dat de overgang van categorie heeft meegebracht. In het kader van zijn ruime beoordelingsvrijheid ter zake van zowel de overgangsbepalingen als de criteria voor indeling, is de wetgever dus afgeweken van de algemene regel voor de indeling van nieuw aangeworven ambtenaren opgenomen in artikel 31, lid 1, van het Statuut, zoals aangevuld bij artikel 12, lid 3, dan wel bij artikel 13, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, wat geslaagde kandidaten betreft die vóór 1 mei 2006 op een lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst en tussen 1 mei 2004 en 30 april 2006 respectievelijk na 1 mei 2006 zijn aangeworven, door de indeling in een andere rang dan die welke was aangegeven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek voor te behouden aan als ambtenaar op proef aangeworven functionarissen die binnen de instelling reeds over ervaring beschikten en die na afloop van de bovenvermelde vergelijkende onderzoeken blijk hadden gegeven van hun geschiktheid om ambten van een hogere categorie te vervullen.

(cf. punten 48, 49, 54 en 55)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Bergé/Commissie, T‑40/96 en T‑55/96, punten 45 en 46; 12 november 1998, Carrasco Benítez/Commissie, T‑294/97, punt 51

Gerecht voor ambtenarenzaken: 12 mei 2010, Peláez Jimeno/Parlement, F‑13/09, punten 40, 41, 46 en 47

2.      In het recht van de Unie is noch een beginsel van eenheid van loopbaan noch een loopbaanbeginsel uitdrukkelijk vastgelegd. Evenmin wordt in het recht van de Unie algemeen erkend dat een tijdelijk functionaris die ambtenaar is geworden recht heeft op ontwikkeling van loopbaan. Artikel 32, derde alinea, van het Statuut bepaalt alleen dat de tijdelijk functionaris de salaristrap behoudt die hij op het moment van zijn aanstelling als ambtenaar heeft.

Artikel 32 van het Statuut en artikel 8 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie, bevatten voor tijdelijk functionarissen de mogelijkheid om overeenkomstig de statutaire procedures hun loopbaan als ambtenaar voort te zetten. In dat geval blijft de als tijdelijk functionaris verworven salarisanciënniteit behouden wanneer de betrokkene onmiddellijk na deze diensttijd tot ambtenaar in dezelfde rang wordt benoemd.

Dit neemt echter niet weg dat voormelde bepalingen de salarisanciënniteit slechts garanderen aan de tijdelijk functionaris die als ambtenaar in dezelfde rang wordt aangesteld en dat de continuïteit van loopbaan wordt verzekerd overeenkomstig de door het Statuut vastgestelde procedures. Ten slotte moet worden vastgesteld dat de andere bepalingen van het Statuut, met uitzondering van artikel 5, lid 4, van bijlage XIII bij het Statuut dat, daar het een overgangsbepaling is, restrictief moet worden uitgelegd, tijdelijk functionarissen niet de mogelijkheid bieden om als ambtenaar te worden aangesteld in de rang die zij reeds hadden, indien die rang hoger was dan de rang waarvoor het vergelijkend onderzoek was bekendgemaakt waaraan zij met succes hebben deelgenomen.

(cf. punten 61, 69 en 70)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 5 maart 2008, Toronjo Benitez/Commissie, F‑33/07, punt 87

3.      Het recht om zich te beroepen op bescherming van het gewettigd vertrouwen komt toe aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waarin de administratie van de Unie, door hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen te doen afkomstig van bevoegde en betrouwbare bronnen, gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt.

Er kan echter geen beroep worden gedaan op een schending van dit beginsel wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan.

Ofschoon een e-mail van een collega van de betrokken ambtenaar waarin wordt „bevestigd dat de indeling als ambtenaar in dezelfde rang/salaristrap zal zijn als de indeling als tijdelijk functionaris” een nauwkeurige informatie is, is deze echter niet afkomstig van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat als enige gerechtigd is om de indeling van ambtenaren vast te stellen.

(cf. punten 98, 99, 101 en 102)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 19 maart 2003, Innova Privat-Akademie/Commissie, T‑273/01, punt 26; 11 juli 2007, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, T‑58/05, punt 96

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 september 2010, De Luca/Commissie, F‑20/06, punt 102; 28 oktober 2010, Sørensen/Commissie, F‑85/05, punt 84