ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

19 december 2013 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Begrip ‚maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd’ – Windenergie – Afnameverplichting voor hogere prijs dan marktprijs – Volledige compensatie – Door eindverbruikers van elektriciteit verschuldigde bijdragen”

In zaak C‑262/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) bij beslissing van 15 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 29 mei 2012, in de procedure

Association Vent De Colère! Fédération nationale,

Alain Bruguier,

Jean-Pierre Le Gorgeu,

Marie-Christine Piot,

Eric Errec,

Didier Wirth,

Daniel Steinbach,

Sabine Servan-Schreiber,

Philippe Rusch,

Pierre Recher,

Jean-Louis Moret,

Didier Jocteur Monrozier

tegen

Ministre de l’Écologie, du Développement durable, des Transports et du Logement,

Ministre de l’Économie, des Finances et de l’Industrie,

in tegenwoordigheid van:

Syndicat des énergies renouvelables,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), G. Arestis, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: V. Tourrès, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 april 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Association Vent De Colère! Fédération nationale, vertegenwoordigd door A. Marlange en M. Le Berre, avocats,

–        het Syndicat des énergies renouvelables, vertegenwoordigd door F. Thiriez en T. Lyon-Caen, avocats,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues, J. Gstalter en J. Rossi als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Pouli en K. Boskovits als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche, É. Gippini Fournier, K. Herrmann en P. Němečková als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 87, lid 1, EG, thans artikel 107, lid 1, VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat door de Association Vent De Colère! Fédération nationale en door elf natuurlijke personen is ingesteld tegen twee besluiten van de ministre de l’Écologie, de l’Énergie, du Développement durable et de l’Aménagement du territoire (minister van Milieu, Energie, Duurzame Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening) en de ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi (minister van Economie, Industrie en Werkgelegenheid), te weten enerzijds het besluit van 17 november 2008 tot vaststelling van de voorwaarden voor de afname van elektriciteit die is opgewekt door windkracht (JORF van 13 december 2008, blz. 19032), en anderzijds het besluit van 23 december 2008 tot aanvulling van het besluit van 17 november 2008 (JORF van 28 december 2008, blz. 20310; hierna: „litigieuze besluiten”).

 Toepasselijke bepalingen

 Frans recht

3        Artikel 5 van wet nr. 2000‑108 van 10 februari 2000 tot modernisering en ontwikkeling van de openbare dienst van elektriciteitsvoorziening (JORF van 11 februari 2000, blz. 2143), zoals gewijzigd bij wet nr. 2006‑1537 van 7 december 2006 betreffende de energiesector (JORF van 8 december 2006, blz. 18531; hierna: „wet nr. 2000‑108”), luidt als volgt:

„I.      De kosten die moeten worden toegerekend aan de taak van algemeen belang die aan de elektriciteitsbedrijven is toegewezen, worden volledig gecompenseerd. Deze kosten bestaan uit:

a)      Op het gebied van elektriciteitsproductie:

1.      De meerkosten die eventueel voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 8 en 10 ten opzichte van de kosten die Électricité de France [SA (EDF; hierna: ‚Électricité de France’)] of in voorkomend geval de niet-genationaliseerde distributeurs waarvan sprake in artikel 23 van wet nr. 46‑628 van 8 april 1946 [tot nationalisatie van de gas‑ en elektriciteitsmarkt (JORF van 9 april 1946, blz. 2651)], hebben bespaard. De kosten die zijn bespaard worden berekend ten opzichte van de marktprijzen van elektriciteit, of, voor de niet-genationaliseerde distributeurs, ten opzichte van de leveringstarieven vermeld in artikel 4 naar evenredigheid van het aandeel van de tegen deze tarieven afgenomen elektriciteit in hun totale afname, na aftrek van de hoeveelheden die uit hoofde van de voornoemde artikelen 8 en 10 zijn afgenomen. Wanneer de betrokken installaties door Électricité de France of door een niet-genationaliseerde distributeur worden geëxploiteerd, worden ter berekening van de te compenseren extra kosten dezelfde bedragen gehanteerd, wat de bespaarde kosten betreft. Wanneer de overeenkomsten betrekking hebben op de aankoop van elektriciteit die is geproduceerd door een installatie die is gevestigd in een zone die niet is verbonden met het elektriciteitsnet op het Franse vasteland, worden de meerkosten berekend op basis van het aandeel in de productie, tegen de gereglementeerde tarieven van de elektriciteitsverkoop;

[...]

De betrokken kosten worden berekend op basis van een geschikte boekhouding die de marktdeelnemers moeten voeren volgens de regels van de Commission de régulation de l’énergie [Reguleringscommissie voor energie] en die, voor rekening van de marktdeelnemers die deze lasten dienen te dragen, wordt gecontroleerd door hun accountant of, voor de nutsbedrijven, door hun financiële toezichthouder. De minister die bevoegd is voor energie stelt elk jaar de hoogte van de kosten vast, op basis van een voorstel van de Commission de régulation de l’énergie.

De compensatie van deze kosten ten behoeve van de marktdeelnemers die daarmee worden geconfronteerd, wordt gefinancierd uit bijdragen die worden geheven van de op het nationale grondgebied gevestigde eindverbruikers van elektriciteit.

De hierboven genoemde bijdragen worden berekend naar verhouding van het elektriciteitsverbruik.

Het bedrag van de bijdrage die door de in de eerste alinea van I van artikel 22 vermelde eindverbruikers is verschuldigd, mag per verbruikslocatie niet meer bedragen dan 500 000 EUR. Hetzelfde maximum geldt voor de bijdrage die door de in de tweede alinea van I van artikel 22 vermelde ondernemingen is verschuldigd voor de op het nationale grondgebied verbruikte tractiestroom, alsook voor de bijdrage die door de in de vierde alinea van II van artikel 22 vermelde ondernemingen is verschuldigd voor de elektriciteit die aan de afnemerszijde van de leveringspunten van elektriciteit wordt verbruikt op een gelieerd elektriciteitsnetwerk.

De bijdrage die op elk kilowattuur wordt toegepast, wordt aldus berekend dat alle bijdragen samen de sub a en b vermelde kosten volledig dekken, alsook de hierna vermelde beheerskosten van de Caisse des dépôts et consignations en de begroting van de nationale ombudsman voor energie. De hoogte van deze bijdrage wordt elk jaar vastgesteld door de minister die bevoegd is voor energie, op voorstel van de Commission de régulation de l’énergie. Het bedrag van de jaarlijkse bijdrage die voor een bepaald jaar is vastgesteld, geldt ook voor het volgende boekjaar indien voor dat jaar geen nieuw besluit in werking is getreden.

[...]

De bijdragen van de in aanmerking komende eindverbruikers die de bij III van artikel 22 verleende rechten hebben uitgeoefend en die elektriciteit van het openbare verdeelnetwerk of van een openbaar distributienetwerk afnemen, worden geïnd door de beheerder van het netwerk waarop deze verbruikers zijn aangesloten, via een aanvullende heffing op de tarieven voor het gebruik van die netwerken. De daadwerkelijk geïnde bijdragen worden via de Caisse des dépôts et consignations doorgegeven aan de marktdeelnemers die de lasten van de openbare dienstverlening dragen.

[...] De Caisse des dépôts et consignations keert viermaal per jaar de geïnde bedragen uit aan de marktdeelnemers die de in 1° en 2° van a en b bedoelde lasten dragen. Zij doet de nationale ombudsman voor energie elk jaar op 1 januari een bedrag toekomen dat overeenkomt met zijn begroting.

De Caisse des dépôts et consignations neemt deze verschillende verrichtingen op in een specifieke rekening. De beheerskosten van de Caisse des dépôts et consignations worden elk jaar vastgesteld door de ministers die bevoegd zijn voor economie en energie.

Onverminderd de toepassing van de sancties waarin artikel 41 voorziet ingeval de bijdrage niet of onvolledig wordt betaald binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop zij is verschuldigd, stuurt de Commission de régulation de l’énergie een aanmaning met een vertragingsboete die wordt vastgesteld op 10 % van het bedrag van de verschuldigde bijdrage.

[...]

Wanneer het totale bedrag van de geïnde bijdragen niet alle kosten dekt die in dat boekjaar zijn gemaakt, wordt het tekort het daaropvolgende jaar geregulariseerd via de bijdragen die voor dat jaar verschuldigd zijn. Indien de voor een bepaald jaar verschuldigde bijdragen niet in dat jaar kunnen worden geïnd, worden zij toegevoegd aan de bijdragen die verschuldigd zijn voor het jaar daarop.

De Commission de régulation evalueert elk jaar in haar jaarverslag de toepassing van de regeling betreffende de in het onderhavige deel I vastgestelde kosten van de openbare elektriciteitsvoorziening.

[...]

III.      Ingeval een betalingsplichtige de in deel I [...] hierboven vastgestelde bijdragen niet betaalt, legt de minister die bevoegd is voor energie hem een bestuursrechtelijke sanctie op, onder de voorwaarden van artikel 41 van deze wet.

IV.      De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld bij na advies van de Conseil d’État vastgestelde decreten.”

4        Artikel 10 van wet 2000‑108 bepaalt:

„Onverminderd de noodzaak om de goede werking van het elektriciteitsnet te waarborgen, dienen Électricité de France en, in het kader van hun maatschappelijke opdracht en zodra de productie-installaties op de door hen geëxploiteerde openbare distributienetwerken zijn aangesloten, de in artikel 23 van wet nr. 46‑628 van 8 april 1946 bedoelde niet-genationaliseerde distributeurs, wanneer belanghebbende producenten daarom verzoeken, een overeenkomst te sluiten voor de aankoop van elektriciteit die op het nationale grondgebied is geproduceerd door:

[...]

2.      Installaties op hernieuwbare energie, met uitzondering van windenergie-installaties die zijn gevestigd in zones die zijn verbonden met het elektriciteitsnet op het Franse vasteland, of installaties die technieken met een hoog rendement op het gebied van energieopbrengst toepassen, zoals warmtekrachtkoppeling. Een na advies van de Conseil d’État vastgesteld decreet bepaalt het maximale eindvermogen van de productie-installaties die begunstigde zijn van de afnameverplichting. Deze limiet, die niet hoger mag zijn 12 megawatt, wordt vastgesteld voor elk type installatie die op een productielocatie in aanmerking komt voor de verplichte afname. [...]

[...]

3.      Installaties voor elektriciteitsopwekking door middel van windenergie die zijn gevestigd binnen een volgens de voorwaarden van artikel 10‑1 vastgestelde zone voor de ontwikkeling van windenergie;

[...] Bij decreet worden de verplichtingen vastgesteld die moeten worden nagekomen door de producenten die begunstigde zijn van de afnameverplichting, alsook de regeling op basis waarvan de ministers die bevoegd zijn voor economie en energie – op advies van de Commission de régulation de l’énergie – de aankoopvoorwaarden van de aldus geproduceerde elektriciteit vaststellen. Onder voorbehoud van inachtneming van de contractuele aankoopverplichtingen die van kracht waren op de datum waarop wet nr. 2004‑803 van 9 augustus 2004 betreffende de openbare dienst van elektriciteits‑ en gasvoorziening en betreffende de elektriciteits‑ en gasmaatschappijen is bekendgemaakt, kunnen de installaties die volgens dit artikel of volgens artikel 50 van deze wet in aanmerking komen voor de afnameverplichting, slechts één maal begunstigde zijn van een overeenkomst houdende een dergelijke verplichting.

De eventuele meerkosten van de installaties voor de opwekking van elektriciteit die door Électricité de France of door voornoemde niet-genationaliseerde distributeurs worden geëxploiteerd en die onder de werkingssfeer van het onderhavige artikel vallen, worden gecompenseerd onder de in punt I van artikel 5 vastgestelde voorwaarden.

[...]

De mogelijke extra kosten die daaruit voortvloeien, worden gecompenseerd volgens de voorwaarden van artikel 5, I.

[...]”

5        Artikel 8, punt 2, van decreet nr. 2001‑410 van 10 mei 2001 betreffende de aankoopvoorwaarden voor elektriciteit opgewekt door producenten die begunstigde zijn van de afnameverplichting, zoals gewijzigd (JORF van 12 mei 2001, blz. 7543), bepaalt:

„De aankoopvoorwaarden voor elektriciteit die is opgewekt door installaties die begunstigde zijn van de in artikel 10 van voornoemde wet van 10 februari 2000 bedoelde afnameverplichting worden vastgesteld bij een besluit van de ministers die bevoegd zijn voor economie en energie, na advies van de Conseil supérieur de l’électricité et du gaz en van de Commission de régulation de l’électricité. Deze aankoopvoorwaarden preciseren in het bijzonder:

[...]

2.      De aankoopprijzen van de elektriciteit.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6        Met de litigieuze besluiten hebben de ministre de l’Écologie, de l’Énergie, du Développement durable et de l’Aménagement du territoire en de ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi de voorwaarden voor de afname van elektriciteit die is opgewekt door windkracht vastgesteld.

7        Tegen deze besluiten is door de Association Vent De Colère! Fédération nationale en door elf andere verzoekers beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Conseil d’État.

8        Deze verzoekers hebben met name aangevoerd dat die besluiten staatssteun opleveren in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

9        Volgens de verwijzende rechter vormt de afname van elektriciteit opgewekt door windkracht, tegen een prijs die hoger ligt dan de marktwaarde ervan, een voordeel dat het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en gevolgen kan hebben voor de mededinging.

10      De Conseil d’État wijst er met betrekking tot het criterium „maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd” op dat hij in een beslissing van 21 mei 2003 op basis van het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099), heeft geoordeeld dat de financiële lasten van de afnameverplichting ten gunste van de windkrachtcentrales werden verdeeld over een aantal ondernemingen zonder rechtstreeks of indirect gebruik van openbare middelen ter financiering van de steunmaatregel en dat hij daarom heeft beslist dat de op dat tijdstip geldende regeling voor de afname van door windkracht opgewekte elektriciteit geen steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormde.

11      Deze regeling is echter gewijzigd bij wet nr. 2003‑8 van 3 januari 2003 betreffende de gas‑ en elektriciteitsmarkten en de openbare dienst voor energievoorziening (JORF van 4 januari 2003, blz. 265). Vóór deze wijziging werden de meerkosten die Électricité de France en de niet-genationaliseerde distributeurs door de afnameverplichting moesten dragen, volledig vergoed door middel van een fonds van de openbare dienst van elektriciteitsproductie, dat werd gefinancierd door bijdragen van de in de wet vermelde producenten, leveranciers en distributeurs. Sindsdien worden die meerkosten gecompenseerd door middel van bijdragen die door de op het nationale grondgebied gevestigde eindverbruikers van elektriciteit verschuldigd zijn en waarvan het bedrag wordt berekend in verhouding tot de afgenomen hoeveelheid elektriciteit, welk bedrag wordt vastgesteld door de minister die bevoegd is voor energie, op voorstel van de Commission de régulation de l’énergie.

12      De Conseil d’État wijst er tevens op dat het Hof in het arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a. (C‑206/06, Jurispr. blz. I‑5497), eerst heeft gepreciseerd dat in de zaak die tot het voormelde arrest PreussenElektra heeft geleid, de betrokken ondernemingen door de lidstaat niet met het beheer van staatsmiddelen waren belast, en het vervolgens heeft geoordeeld dat een financiering door middel van een door de staat aan de afnemers van elektriciteit opgelegde prijsopslag, die een belasting uitmaakte en waarbij de middelen bovendien onder de controle van de lidstaat bleven, wel als een met staatsmiddelen bekostigde overheidsmaatregel moest worden beschouwd.

13      In die omstandigheden heeft de Conseil d’État besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet, gelet op de bij wet nr. 2003‑8 [...] vastgestelde wijziging in de wijze van financiering van de volledige compensatie van de meerkosten die Électricité de France en de in artikel 23 van wet nr. 46‑628 [...] bedoelde niet-genationaliseerde distributeurs dienen te dragen wegens de afnameverplichting van door windkracht opgewekte elektriciteit tegen een hogere prijs dan de marktprijs van die elektriciteit, deze regeling thans worden beschouwd als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd in de zin en voor de toepassing van de bepalingen van artikel [107 VWEU]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

14      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een regeling strekkende tot volledige compensatie van de meerkosten die voor ondernemingen voortvloeien uit de afnameverplichting van door windkracht opgewekte elektriciteit tegen een hogere prijs dan de marktprijs en welke compensatie wordt gefinancierd door de eindverbruikers, zoals deze regeling in wet nr. 2000‑108 is vastgesteld, als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigde maatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden aangemerkt.

15      Vooraf moet worden benadrukt dat voor de kwalificatie als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU weliswaar vier voorwaarden moeten zijn vervuld, te weten dat het gaat om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd, dat deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, dat de maatregel de begunstigde ervan een selectief voordeel verschaft en dat hij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen (zie in die zin arresten van 17 maart 1993, Sloman Neptun, C‑72/91 en C‑73/91, Jurispr. blz. I‑887, punt 18, en 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL‑ARREE, C‑677/11, punt 25), maar dat de in onderhavige zaak voorgelegde vraag uitsluitend de eerste van die voorwaarden betreft.

16      Voordelen kunnen slechts als steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden beschouwd indien zij rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend (zie arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, Jurispr. blz. I‑4397, punt 24, en arrest Doux Élevage en Coopérative agricole UKL‑ARREE, reeds aangehaald, punt 27).

17      Wat in de eerste plaats de voorwaarde betreffende de toerekenbaarheid van de maatregel aan de staat betreft, moet worden onderzocht of de overheid op een of andere manier bij de vaststelling van die maatregel was betrokken (zie in die zin arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 52).

18      In dit verband moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde compensatieregeling is ingevoerd bij wet nr. 2000‑108, en dus als toerekenbaar aan de staat moet worden beschouwd.

19      Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft dat het voordeel rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen moet zijn bekostigd, dient eraan te worden herinnerd dat ook maatregelen waarbij geen staatsmiddelen worden overgedragen, onder het begrip „steunmaatregel van de staat” kunnen vallen (zie in die zin arresten van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C‑387/92, Jurispr. blz. I‑877, punt 14, en 19 mei 1999, Italië/Commissie, C‑6/97, Jurispr. blz. I‑2981, punt 16).

20      Het begrip „met staatsmiddelen bekostigde” maatregel omvat immers niet alleen de voordelen die rechtstreeks door de staat worden toegekend, maar ook die welke worden verleend door van overheidswege ingestelde of aangewezen, publiek‑ of privaatrechtelijke beheersorganen (zie in die zin met name arrest van 22 maart 1977, Steinike en Weinlig, 78/76, Jurispr. blz. 595, punt 21, en de reeds aangehaalde arresten Sloman Neptun, punt 19, en Doux Élevage en Coopérative agricole UKL‑ARREE, punt 26).

21      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat artikel 107, lid 1, VWEU alle geldelijke middelen omvat die de overheid daadwerkelijk kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Dus ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de betrokken maatregel niet permanent in het bezit van de schatkist, dan nog volstaat het feit dat zij constant onder staatscontrole en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, om ze als staatsmiddelen aan te merken (zie reeds aangehaalde arresten Frankrijk/Commissie, punt 37; Essent Netwerk Noord e.a., punt 70, en Doux Élevage en Coopérative agricole UKL‑ARREE, punt 35).

22      Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de bedragen waarmee in het hoofdgeding de meerkosten worden gecompenseerd die met de op de ondernemingen rustende afnameverplichting gepaard gaan, worden geïnd van alle eindverbruikers van elektriciteit op het Franse grondgebied, en dat die gelden aan de Caisse des dépôts et consignations worden toevertrouwd.

23      Volgens de in het hoofdgeding toepasselijke Franse regeling wordt het bedrag dat elke eindverbruiker van elektriciteit dient te betalen, jaarlijks vastgesteld door de minister die bevoegd is voor energie, op voorstel van de Commission de régulation de l’énergie. Bij gebreke van een dergelijk ministerieel besluit wordt het bedrag van de bijdrage elk jaar automatisch verhoogd.

24      Bovendien voorziet artikel 5 van wet nr. 2000‑08 in een administratieve sanctie wanneer een verbruiker de bijdrage niet betaalt.

25      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de lidstaat verplichte bijdragen die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, als staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, zelfs indien zij worden beheerd door instellingen die losstaan van de overheid (zie in die zin arrest van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, Jurispr. blz. 709, punt 35).

26      Ter terechtzitting, ten slotte, is uiteengezet dat wet nr. 2000‑108 het beginsel van volledige dekking van de afnameverplichting door de Franse staat heeft ingevoerd, waardoor deze laatste verplicht is om de schulden van het verleden aan te zuiveren en de door de ondernemingen gedragen meerkosten volledig te betalen ingeval de bij de eindverbruikers van elektriciteit geïnde bijdragen niet toereikend zouden zijn om deze meerkosten te dekken.

27      Uit de punten 20, 25 en 26 van het onderhavige arrest volgt dan ook dat het door de Franse regering ter terechtzitting aangevoerde feit dat de aan de afnameverplichting onderworpen ondernemingen de bij de eindverbruikers geïnde bijdragen kunnen behouden zolang deze bijdragen de voor hen opgekomen meerkosten niet volledig dekken, zodat een gedeelte van die middelen niet via de rekening van de Caisse des dépôts et consignations worden overgemaakt, niet volstaat om uit te sluiten dat sprake kan zijn van een met staatsmiddelen bekostigde maatregel.

28      Hoe dan ook dient er met betrekking tot de via de Caisse des dépôts et consignations uitgekeerde middelen op te worden gewezen dat deze laatste de geïnde bedragen overeenkomstig wet nr. 2000‑108 op een specifieke rekening samenbrengt alvorens deze bedragen aan de betrokken marktdeelnemers uit te keren, zodat zij als tussenpersoon bij het beheer van die middelen optreedt.

29      De Caisse des dépôts et consignations is een publiekrechtelijke rechtspersoon die is ingesteld bij de financiënwet van 1816. Haar directeur-generaal, die het uitvoerende orgaan is, wordt benoemd door de Raad van ministers en door de president van de Republiek. Haar Conseil de surveillance (raad van toezicht) en de gespecialiseerde comités daarvan bestaan uit leden die worden benoemd door de Assemblée nationale en de Sénat en uit andere openbare instellingen. De president van haar Conseil de surveillance wordt door dit orgaan aangewezen in eigen kring. In de praktijk gaat het om een lid van de Assemblée nationale of van de Sénat.

30      Dit door de Franse staat gemachtigde openbare orgaan zorgt voor de administratieve, financiële en boekhoudkundige beheerverrichtingen voor rekening van de Commission de régulation de l’énergie, een onafhankelijke administratieve autoriteit die met het toezicht op de goede werking van de elektriciteits‑ en gasmarkt in Frankrijk is belast. De Caisse des dépôts et consignations constateert tevens elke betalingsachterstand en elk betalingsverzuim van de kant van de eindverbruikers, en signaleert deze aan voornoemde commissie.

31      Bovendien kan deze openbare entiteit de bij de eindverbruikers geïnde bijdragen beleggen, waarbij zij aangetekend dat de opbrengst van deze investeringen elk jaar wordt afgetrokken van de bijdragen die verschuldigd zijn voor het volgende jaar.

32      Zij maakt overigens geen enkele winst met deze activiteiten, en haar beheerskosten worden betaald met de door de eindverbruikers van elektriciteit verschuldigde bijdragen.

33      Derhalve moeten de door de Caisse des dépôts et consignations beheerde bedragen worden geacht onder staatscontrole te blijven.

34      Uit dit alles volgt dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de onderhavige zaak en die welke aanleiding heeft gegeven tot het voornoemde arrest PreussenElektra, waarin is geoordeeld dat de aan de particuliere elektriciteitsbedrijven opgelegde verplichting tegen minimumprijzen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen af te nemen, voor zover deze geen enkele rechtstreekse of zijdelingse overdracht van staatsmiddelen aan de producenten van dit soort elektriciteit met zich meebracht, niet als een met staatsmiddelen bekostigde maatregel kon worden aangemerkt (zie in die zin arrest PreussenElektra, reeds aangehaald, punt 59).

35      Zoals het Hof immers in punt 74 van het reeds aangehaalde arrest Essent Netwerk Noord e.a. reeds heeft kunnen verduidelijken, waren de particuliere ondernemingen in de zaak die tot het voormelde arrest PreussenElektra heeft geleid, door de staat niet met het beheer van staatsmiddelen belast, maar waren zij verplicht om met hun eigen financiële middelen aankopen te verrichten.

36      Die middelen konden dan ook niet als staatsmiddelen worden beschouwd, aangezien zij op geen enkel tijdstip onder de controle van de staat stonden en er geen enkele door de lidstaat ingevoerde en vastgestelde regeling zoals die in het hoofdgeding bestond, strekkende tot compensatie van de uit de betrokken afnameverplichting voortvloeiende meerkosten en waarmee de staat deze particuliere marktdeelnemers waarborgde dat die meerkosten volledig werden gedekt.

37      Bijgevolg moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat een regeling strekkende tot volledige compensatie van de meerkosten die voor ondernemingen voortvloeien uit de afnameverplichting van door windkracht opgewekte elektriciteit tegen een hogere prijs dan de marktprijs en welke compensatie wordt gefinancierd door alle eindverbruikers van elektriciteit op het nationale grondgebied, zoals deze regeling in wet nr. 2000‑108 is vastgesteld, als een met staatsmiddelen bekostigde maatregel moet worden aangemerkt.

 Beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest

38      Subsidiair, indien het Hof zou oordelen dat een financieringsstelsel – zoals dit in het hoofdgeding – een maatregel van de staat dan wel een met staatsmiddelen bekostigde maatregel vormt, verzoekt de Franse regering om de gevolgen van het arrest te beperken in de tijd.

39      In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke de uitlegging die het Hof in de uitoefening van de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid aan een voorschrift van Unierecht geeft, de betekenis en de strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (zie met name arresten van 2 februari 1988, Blaizot e.a., 24/86, Jurispr. blz. 379, punt 27; 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, Jurispr. blz. I‑199, punt 50, en 21 maart 2013, RWE Vertrieb, C‑92/11, punt 58).

40      Het Hof kan dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen uit hoofde van een aan de rechtsorde van de Unie inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid besluiten beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw ter discussie te stellen. Tot een dergelijke beperking kan slechts worden besloten indien is voldaan aan twee essentiële criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen (zie met name reeds aangehaalde arresten Skov en Bilka, punt 51, en RWE Vertrieb, punt 59).

41      Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak betreft, moet in de eerste plaats met betrekking tot de voorwaarde van de goede trouw van de belanghebbende kringen worden opgemerkt dat de Franse regering niet kon voorbijgaan aan het bij artikel 108, lid 3, VWEU gestelde verbod van tenuitvoerlegging van een steunmaatregel en evenmin aan de rechtsgevolgen waartoe de niet-aanmelding van de betrokken maatregel leidt.

42      Wat in de tweede plaats het gevaar voor ernstige verstoringen betreft, heeft het Hof reeds onderstreept dat de mogelijke financiële gevolgen voor een lidstaat van een prejudicieel arrest op zich nooit een rechtvaardiging zijn geweest voor een beperking van de werking in de tijd van dat arrest (zie in die zin arrest van 19 oktober 1995, Richardson, C‑137/94, Jurispr. blz. I‑3407, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      In die omstandigheden is er in casu geen enkel element voorhanden dat afwijking rechtvaardigt van het beginsel dat een uitleggingsarrest terugwerkt tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift (zie arrest van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime, C‑197/94 en C‑252/94, Jurispr. blz. I‑505, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Bijgevolg hoeft de werking van het onderhavige arrest niet te worden beperkt in de tijd.

 Kosten

45      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 107, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een regeling strekkende tot volledige compensatie van de meerkosten die voor ondernemingen voortvloeien uit de afnameverplichting van door windkracht opgewekte elektriciteit tegen een hogere prijs dan de marktprijs en welke compensatie wordt gefinancierd door alle eindverbruikers van elektriciteit op het nationale grondgebied, zoals deze regeling is vastgesteld in wet nr. 2000‑108 van 10 februari 2000 tot modernisering en ontwikkeling van de openbare dienst van elektriciteitsvoorziening zoals gewijzigd bij wet nr. 2006‑1537 van 7 december 2006 betreffende de energiesector, als een met staatsmiddelen bekostigde maatregel dient te worden aangemerkt.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.