ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

25 september 2012

Zaak F‑51/10

Moises Bermejo Garde

tegen

Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Kennisgeving van vacature – Bezwarend besluit – Procesbelang – Taalkundige vereisten – Gezag bevoegd om een kennisgeving van vacature op te stellen – Bureau van het EESC”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Bermejo Garde vraagt om nietigverklaring van de door het EESC bekendgemaakte kennisgeving van vacature.

Beslissing: De kennisgeving van vacature wordt nietig verklaard. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Het EESC draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in verzoekers kosten.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Kennisgeving van vacature – Voorwaarden die voor overplaatsing of bevordering in aanmerking komende ambtenaren uitsluiten – Ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 29, 90 en 91)

2.      Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Beroep dat wil voorkomen dat een onrechtmatigheid die aan een handeling van een instelling van de Unie kleeft, zich in de toekomst opnieuw voordoet – Ontvankelijkheid

(Art. 263 VWEU)

3.      Ambtenaren – Kennisgeving van vacature – Vaststelling van een nieuwe kennisgeving van vacature die substantiële wijzigingen ten opzichte van de eerste kennisgeving van vacature bevat – Bevoegd gezag

(Ambtenarenstatuut, art. 29)

1.      Wanneer een ambtenaar door overplaatsing of bevordering in aanmerking komt voor een in een kennisgeving van vacature bedoeld ambt, vormt die kennisgeving voor die ambtenaar een bezwarend besluit voor zover de daarin opgenomen voorwaarden tot gevolg hebben dat zijn sollicitatie niet in aanmerking wordt genomen.

(cf. punt 36)

Referentie:

Hof: 19 juni 1975, Küster/Parlement, 79/74, punt 6; 11 mei 1978, De Roubaix/Commissie, 25/77, punt 8

Gerecht voor ambtenarenzaken: 18 mei 2006, Corvoisier e.a./ECB, F‑13/05, punt 42; 9 juli 2009, Torijano Montero/Raad, F‑91/07, punt 27

2.      Een verzoeker kan een belang hebben bij een vordering tot nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Unie om te kunnen voorkomen dat de onrechtmatigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet.

(cf. punt 50)

Referentie:

Hof: 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, punten 50 e.v.

3.      Volgens artikel 72, lid 1, tweede streepje, van het Reglement van orde van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) worden de door het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden voor ambtenaren van de rangen AD 16, AD 15 en AD 14 uitgeoefend door het bureau van het EESC, met name wat de toepassing van artikel 29 van het Statuut betreft.

Een nieuwe kennisgeving van vacature om volgens de procedure van artikel 29, leden 1 en 2, van het Statuut te voorzien in de post van directeur van de directie Algemene Zaken van het EESC in de rang AD 14, die met betrekking tot de vereiste kwalificaties wezenlijk verschilt van de eerste kennisgeving van vacature, moet derhalve volgen uit een nieuw besluit van het bureau krachtens artikel 72 van het Reglement van orde.

In deze omstandigheden heeft de voorzitter van het EESC, door een nieuwe kennisgeving van vacature te ondertekenen zonder dat daaraan een nieuw besluit van het bureau in die zin is voorafgegaan, de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden, hetgeen tot de nietigverklaring van die nieuwe kennisgeving van vacature leidt.

(cf. punten 60, 61, 65 en 68‑71)