CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 11 juni 2015 (1)

Zaak C‑572/13

Hewlett-Packard Belgium BVBA

en

Epson Europe BV

tegen

Reprobel CVBA

[verzoek van de Cour d’appel te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]

„Onderlinge aanpassing van de wetgevingen – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Exclusief reproductierecht – Beperkingen en restricties – Artikel 5, lid 2, onder a) en b) – Beperking voor reprografie – Beperking voor kopiëren voor privégebruik – Begrip ‚billijke compensatie’ – Inning van een vergoeding als billijke compensatie op multifunctionele printers – Cumulatie van de forfaitaire en van de evenredige vergoeding – Berekeningswijze – Ontvangers van de billijke compensatie – Auteurs en uitgevers”





1.        Het Hof wordt in de onderhavige zaak opnieuw verzocht om een prejudiciële beslissing ter uitlegging van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(2), en meer bepaald de punten a) en b) van artikel 5, lid 2, ervan, die de lidstaten de mogelijkheid geven in hun nationale recht te voorzien in beperkingen op het exclusieve reproductierecht van auteurs, namelijk de beperking voor reprografie respectievelijk de beperking voor het kopiëren voor privégebruik.

2.        Verzoeksters in het hoofdgeding betwisten, in hun hoedanigheid van importeur en/of producent van multifunctionele printers, hoofdzakelijk de hoogte van de bedragen die van hen worden geëist als billijke compensatie uit hoofde van de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29. Dit stelt het Hof in de gelegenheid zich thans te buigen over een bepaling die het tot nu toe veel minder vaak heeft kunnen uitleggen dan artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

3.        Artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 bepaalt:

„2.      De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:  

a)      de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, op voorwaarde dat de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen;

b)      de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal.”

4.        De belangrijkste overwegingen en overige bepalingen van richtlijn 2001/29 die eventueel relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, zullen voor zover nodig worden aangehaald in de navolgende uiteenzetting. Wel moet overweging 37 van deze richtlijn worden aangehaald, die luidt als volgt:

„Nationale regelingen inzake reprografie, voor zover die bestaan, belemmeren de werking van de interne markt niet in noemenswaardige mate. Het moet de lidstaten worden toegestaan in een beperking of restrictie voor reprografie te voorzien.”

B –    Belgisch recht

5.        Artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten(3) bepaalt:

„Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.

[...]”

6.        Artikel 22, § 1, van de Auteurswet, zoals van toepassing op de datum van de verwijzingsbeslissing(4), bepaalt:

„Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen:

[...]

4°      de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privégebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;

4°bis de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk [...]

5°      de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken, die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is”.

7.        De artikelen 59 tot en met 61 van de Auteurswet bepalen:

„Artikel 59

De auteurs en de uitgevers van werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, hebben recht op een vergoeding voor de reproductie van die werken, ook wanneer die reproductie plaatsvindt onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, § 1, 4° en 4°bis, en 22bis, § 1, 1° en 2°.

De vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire koper van de apparaten waarmee de beschermde werken gereproduceerd kunnen worden, op de datum waarop die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.

Artikel 60

Bovendien moeten de natuurlijke personen of de rechtspersonen die kopieën van werken vervaardigen, een vergoeding betalen die evenredig is aan het aantal vervaardigde kopieën of, desgevallend, met decharge van eerstgenoemden, door hen die onder bezwarende titel of gratis een reproduktieapparaat ter beschikking stellen van anderen.

Artikel 61

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de in de artikelen 59 en 60 bedoelde vergoedingen. De vergoeding bedoeld in artikel 60 kan worden aangepast naargelang van de betrokken sectoren.

Hij bepaalt de nadere regels voor de inning en verdeling van en de controle op die vergoedingen, alsmede het tijdstip waarop ze verschuldigd zijn.

Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten worden de in de artikelen 59 en 60 bedoelde vergoedingen in gelijke delen toegewezen aan de auteurs en de uitgevers.

Overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels die Hij stelt, belast Hij een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten met de inning en de verdeling van de vergoeding.”

8.        De bedragen van de forfaitaire vergoeding en van de evenredige vergoeding zijn vastgesteld bij de artikelen 2, 4, 8 en 9 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 betreffende de vergoeding verschuldigd aan auteurs en uitgevers voor het kopiëren voor privégebruik of didactisch gebruik van werken die op grafische of op soortgelijke wijze zijn vastgelegd.(5) Deze artikelen luiden(6) :

„Artikel 2

§ 1      Het bedrag van de forfaitaire vergoeding toepasselijk op kopieerapparaten wordt als volgt vastgesteld:

1°      [5,01] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee minder dan 6 kopieën per minuut worden gemaakt;

2°      [18,39] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee tussen 6 en 9 kopieën per minuut worden gemaakt;

3°      [60,19] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee tussen 10 en 19 kopieën per minuut worden gemaakt;

4°      [195,60] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee tussen 20 en 39 kopieën per minuut worden gemaakt;

5°      [324,33] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee tussen 40 en 59 kopieën per minuut worden gemaakt;

6°      [810,33] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee tussen 60 en 89 kopieën per minuut worden gemaakt;

7°      [1838,98] EUR voor ieder kopieerapparaat waarmee meer dan 89 kopieën per minuut worden gemaakt.

Voor de vaststelling van de forfaitaire vergoeding, ook betreffende apparaten voor het maken van kleurenkopieën, wordt de zwart-witsnelheid in aanmerking genomen.

§ 2      Het bedrag van de forfaitaire vergoeding toepasselijk op duplicatoren en office offsetmachines wordt als volgt vastgesteld:

1°      [324,33] EUR voor iedere duplicator;

2°      [810,33] EUR voor iedere office offsetmachine.

[...]

Artikel 4

Voor apparaten met verscheidene functies welke overeenstemmen met die van de apparaten bedoeld in de artikelen 2 en 3, is de forfaitaire vergoeding gelijk aan het hoogste bedrag van die vastgesteld in de artikelen 2 en 3, welke op het apparaat met verscheidene functies van toepassing zijn.

[...]

Artikel 8

Indien de vergoedingsplichtige niet meewerkt op de wijze omschreven in de artikelen 10 tot 12, wordt het bedrag van de evenredige vergoeding als volgt vastgesteld:

1°      [0,0334] EUR per kopie van een beschermd werk;

2°      [0,0251] EUR per kopie van een beschermd werk gemaakt aan de hand van een apparaat dat door een onderwijsinstelling of door een instelling voor openbare uitlening wordt gebruikt.

Voor kleurenkopieën van beschermde werken in kleur moeten de in het eerste lid bedoelde bedragen worden verdubbeld.

Artikel 9

Op voorwaarde dat de vergoedingsplichtige heeft meegewerkt aan de inning van de evenredige vergoeding door de beheersvennootschap, wordt het bedrag ervan als volgt vastgesteld:

1°      [0,0201] EUR per kopie van een beschermd werk;

2°      [0,0151] EUR per kopie van een beschermd werk gemaakt aan de hand van een apparaat gebruikt door een onderwijsinstelling of door een instelling voor openbare uitlening.

Voor kleurenkopieën van beschermde werken in kleur moeten de in het eerste lid bedoelde bedragen worden verdubbeld.”

9.        De in de artikelen 8 en 9 bedoelde medewerking is omschreven in de artikelen 10 tot en met 12 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997. Dat artikel 10 luidt:

„De vergoedingsplichtige heeft meegewerkt aan de inning van de evenredige vergoeding indien hij:

1°      overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 zijn aangifte betreffende de beschouwde periode aan de beheersvennootschap heeft bezorgd;

2°      op het tijdstip van de indiening van de verklaring bij wijze van voorschot aan de beheersvennootschap de evenredige vergoeding heeft gestort die overeenstemt met het aantal aangegeven kopieën van beschermde werken, zulks vermenigvuldigd met het op grond van artikel 9 toepasselijke tarief en;

a)      hetzij voor het verstrijken van een termijn van 200 werkdagen te rekenen van de ontvangst van de aangifte door de beheersvennootschap, in overleg met die vennootschap het aantal kopieën van beschermde werken heeft geraamd dat gedurende de beschouwde periode is gemaakt;

b)      hetzij met het oog op de uitwerking van het advies bedoeld in artikel 14 de nodige gegevens heeft verstrekt, indien de beheersvennootschap overeenkomstig dit artikel om advies heeft verzocht.”

10.      Artikel 14 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 bepaalt:

„1.      Indien de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap het aantal kopieën van beschermde werken gemaakt tijdens de beschouwde periode niet in onderling overleg ramen, kan de vennootschap vragen dat een advies wordt uitgebracht omtrent de raming van het aantal kopieën van beschermde werken dat tijdens de beschouwde periode is gemaakt.

De beheersvennootschap moet het verzoek om advies ter kennis brengen van de vergoedingsplichtige binnen 220 werkdagen na de datum waarop die vennootschap de aangifte van de vergoedingsplichtige heeft ontvangen.

Het advies wordt uitgebracht door één of meerdere deskundige(n), aangewezen:

1°      hetzij in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap;

2°      hetzij door de beheersvennootschap.

Met toepassing van het derde lid, 2° kan de beheersvennootschap slechts een of meerdere door de Minister erkende deskundige(n) aanwijzen.

Het advies wordt uitgebracht uiterlijk drie maanden na de datum waarop de aangewezen deskundige(n) het verzoek om advies ontvangen.

2.      Wanneer de deskundige(n) word(en)t aangewezen in onderling overleg door de vergoedingsplichtige en de beheersvennootschap worden de kosten van het deskundigenonderzoek in onderling overleg gedeeld tussen de partijen.

Wanneer de deskundige(n) uitsluitend word(en)t aangewezen door de beheersvennootschap overeenkomstig § 1, derde lid, 2°, kan deze de kosten van het deskundigenonderzoek van de vergoedingsplichtige terugvorderen voor zover voldaan wordt aan alle hierna vermelde voorwaarden:

1°      -      de vergoedingsplichtige heeft de gegevens die de beheersvennootschap overeenkomstig artikel 22 gevraagd heeft, niet vooraf verstrekt aan die beheersvennootschap, of;

      -      de vergoedingsplichtige heeft aan de beheersvennootschap, naar aanleiding van een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 22, klaarblijkelijk onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt;

2°      de beheersvennootschap heeft in haar verzoek om gegevens, bedoeld in artikel 22, de vergoedingsplichtige duidelijk ingelicht over het feit dat zij in de onder 1° vermelde gevallen de kosten van het door de beheersvennootschap gevraagde onafhankelijke deskundigenonderzoek kan terugvorderen;

3°      de kosten van het deskundigenonderzoek worden objectief gerechtvaardigd;

4°      de kosten van het deskundigenonderzoek zijn redelijk in verhouding tot het aantal kopieën van beschermde werken dat de beheersvennootschap redelijkerwijs kon vermoeden.

[...]”.

II – Feiten van het hoofdgeding

11.      Hewlett-Packard Belgium(7) importeert in België reprografische apparaten voor professioneel en thuisgebruik en met name „multifunctionele” apparaten die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor het printen van documenten op snelheden die afhankelijk zijn van de printkwaliteit, en tevens documenten kunnen scannen en kopiëren en faxberichten kunnen ontvangen en verzenden. Deze multifunctionele printers, die centraal staan in het hoofdgeding, worden gewoonlijk verkocht voor minder dan 100 EUR.

12.      Reprobel CVBA(8) is de beheersvennootschap die is belast met de inning en de verdeling van de vergoedingen die dienen als billijke compensatie uit hoofde van de beperking voor reprografie.

13.      Op 16 augustus 2004 heeft Reprobel HPB een fax gestuurd, waarin zij deze vennootschap erop wees dat de verkoop van de multifunctionele printers in beginsel leidde tot een bijdrage van 49,20 EUR per apparaat.

14.      Daar in het georganiseerde overleg en de briefwisseling met Reprobel geen overeenstemming kon worden bereikt over het tarief dat op deze multifunctionele printers van toepassing was, heeft HPB bij exploot van 8 maart 2010 Reprobel gedagvaard voor het Tribunal de première instance te Brussel. Zij vroeg deze rechter, ten eerste, voor recht te verklaren dat primair voor de apparaten die zij te koop had aangeboden geen enkele vergoeding verschuldigd was en subsidiair de vergoedingen die zij had betaald golden als de billijke compensatie die verschuldigd was krachtens de Belgische regelgeving, uitgelegd in het licht van richtlijn 2001/29. Ten tweede vorderde zij de veroordeling van Reprobel om onder last van een dwangsom van 10 miljoen EUR een studie als bedoeld in artikel 26 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 te verrichten naar onder andere het aantal in het geding zijnde apparaten en het daadwerkelijke gebruik ervan als kopieerapparaat van beschermde werken, met een vergelijking van dit daadwerkelijke gebruik met het daadwerkelijke gebruik van ieder ander apparaat voor de reproductie van beschermde werken.

III – Prejudiciële vragen en procedure voor het Hof

15.      In deze context heeft de Cour d’appel te Brussel bij arrest van 23 oktober 2013, ingekomen ter griffie van het Hof op 8 november 2013, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de termen ‚billijke compensatie’ als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a), en in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 anders worden uitgelegd naargelang de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, wordt gemaakt door om het even welke gebruiker dan wel door een natuurlijke persoon voor privégebruik, zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk? Zo ja, op welke criteria moet die verschillende uitlegging worden gebaseerd?

2)      Moet artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de billijke compensatie die toekomt aan de rechthebbenden, kunnen vaststellen in de vorm van:

-      een forfaitaire vergoeding die wordt betaald door de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire koper van apparaten waarmee beschermde werken kunnen worden gekopieerd, op de datum waarop die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht, en waarvan het bedrag uitsluitend wordt berekend op basis van het aantal kopieën dat het kopieerapparaat per minuut kan maken, zonder enige band met de mogelijke schade voor de rechthebbenden, en,

-      een evenredige vergoeding, die uitsluitend wordt vastgesteld op basis van de vermenigvuldiging van een eenheidsprijs met het aantal vervaardigde kopieën, die verschilt naargelang de vergoedingsplichtige al dan niet heeft meegewerkt aan de inning van deze vergoeding, en die verschuldigd is door de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopieën van werken vervaardigen, of, desgevallend, met decharge van eerstgenoemden, door hen die onder bezwarende titel of gratis een reproductieapparaat ter beschikking stellen van anderen.

Wanneer deze vraag ontkennend wordt beantwoord: welke relevante en coherente criteria dienen de lidstaten te hanteren opdat, in overeenstemming met het Unierecht, de compensatie als billijk kan worden beschouwd en een rechtvaardig evenwicht tussen de betrokken personen wordt bereikt?

3)      Moet artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de helft van de billijke compensatie die toekomt aan de rechthebbenden, mogen toekennen aan de uitgevers van de door de auteurs gecreëerde werken, zonder enige verplichting voor de uitgevers om de auteurs, zelfs indirect, aanspraak te laten maken op een deel van de compensatie die hun is ontzegd?

4)       Moet artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten een ongedifferentieerd systeem van inning van de aan de rechthebbenden toekomende billijke compensatie mogen opzetten in de vorm van een forfait en een bedrag per gemaakte kopie, waarbij deze impliciet maar zeker ten dele betrekking heeft op kopieën van bladmuziek en inbreukmakende reproducties?”

16.       Bij tussenarrest van 7 februari 2014 heeft de Cour d’appel te Brussel het Hof ervan verwittigd dat het Epson Europe BV(9) als vrijwillig interveniërende partij had toegelaten in het hoofdgeding. Het Hof heeft, overeenkomstig artikel 97, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, derhalve Epson alle processtukken meegedeeld die reeds aan de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden waren betekend.

17.      HPB, Epson en Reprobel, partijen in het hoofdgeding, alsook de Belgische regering, Ierland(10), de Oostenrijkse, de Poolse, de Portugese en de Finse regering(11) alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. HPB, Epson en Reprobel, alsmede de Belgische en de Tsjechische regering en ook de Commissie hebben tevens pleidooi gehouden ter openbare terechtzitting van 29 januari 2015.

IV – Begrip „billijke compensatie” in de zin van artikel 5, lid 2, onder a) en lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 (eerste vraag)

18.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het begrip „billijke compensatie” onder a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 anders moet worden uitgelegd naargelang de „reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert” wordt gemaakt „door om het even welke gebruiker” dan wel „door een natuurlijke persoon voor privégebruik, zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk”.

19.      Deze eerste prejudiciële vraag is – zoveel is duidelijk – niet gespeend van dubbelzinnigheden, hetgeen blijkt uit het feit dat de schriftelijke opmerkingen die naar aanleiding daarvan zijn gemaakt, sterk uiteenlopen, zowel in de conclusie als in de overwegingen. Zo zou bij een eerste oppervlakkige lezing van de vraag de indruk kunnen ontstaan dat de verwijzende rechter suggereert dat bij de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 niet enkel rekening zou kunnen, maar zelfs rekening zou moeten worden gehouden met de hoedanigheid van de persoon die de reprografie van een beschermd werk maakt en met het doel waarmee de reprografie wordt gemaakt, dat wil zeggen met de criteria van artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn. Vooraf moeten dus de precieze betekenis en strekking van deze vraag tegen de achtergrond van het hoofdgeding worden geduid, door in eerste instantie terug te grijpen naar de toelichting die door de verwijzende rechter zelf is verstrekt.

A –    Betekenis en strekking van de eerste vraag

1.      Toelichting van de verwijzende rechter

20.      De verwijzende rechter zet uiteen dat het Hof tot op heden enkel bij de uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 het begrip „billijke compensatie” heeft verduidelijkt.

21.      Reprobel heeft voor de verwijzende rechter betoogd dat, ten eerste, in het hoofdgeding enkel artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aan de orde is en, ten tweede, een onderscheid moet worden gemaakt tussen de in deze bepaling opgenomen beperking voor reprografie en de in artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn vervatte beperking voor het kopiëren voor privégebruik. HPB heeft daarentegen betoogd dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, aangezien dit ziet op de reproductie op welke drager ook, tevens van toepassing is op de reprografie die wordt gemaakt door een natuurlijke persoon voor privégebruik.

22.      De verwijzende rechter benadrukt vanuit dit oogpunt dat, aangezien multifunctionele printers ook worden gebruikt door natuurlijke personen voor privégebruik, de vraag rijst of van het begrip billijke compensatie, waarvan het bedrag moet worden bepaald aan de hand van het nadeel dat door de rechthebbenden wordt geleden, dezelfde uitlegging moet worden gegeven naargelang de reproductie wordt gemaakt voor privégebruik dan wel voor enig ander gebruik.

2.      Beoordeling van de eerste vraag

23.      De hele moeilijkheid die met de eerste vraag van de verwijzende rechter gepaard gaat, is gelegen in het feit dat de bewoordingen ervan lijken te suggereren dat de „parameters” voor de billijke compensatie voor het kopiëren voor privégebruik, die zijn vastgesteld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, in zekere zin cumulatief zijn met die van de billijke compensatie voor reprografie, vastgesteld in artikel 5, lid 2, onder a), van de richtlijn.

24.      Mijns inziens moet deze eerste vraag echter niet in die zin worden gelezen.

25.      Allereerst zij benadrukt dat de verwijzende rechter, zoals blijkt uit de bewoordingen van zijn vraag, uitsluitend artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 voor ogen heeft, aangezien hij nadrukkelijk en uitsluitend doelt op „de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert” en niet, meer algemeen, op de reproductie die wordt vervaardigd met behulp van, bijvoorbeeld, een multifunctionele printer.

26.      Zijn eerste vraag gaat dus niet uit van het beginsel dat het gebruik van multifunctionele printers zowel onder de beperking voor reprografie, als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, als onder de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn kan vallen.(12)

27.      In dit verband moet worden opgemerkt dat het gebruik van multifunctionele printers voor de reproductie van beschermde werken in het algemeen kan worden geacht te vallen binnen de materiële werkingssfeer van zowel de beperking voor reprografie in de zin van artikel 5, lid 2, onder a) van richtlijn 2001/29 als de beperking voor het kopiëren voor privégebruik in de zin van artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29.

28.      Deze printers kunnen namelijk, naast hun primaire functie om documenten op papier af te drukken vanaf een al dan niet draadloze terminal (bijvoorbeeld een computer, tablet, smartphone of fototoestel) of een opnamedrager (bijvoorbeeld een externe harde schijf of een geheugenkaart), niet alleen worden gebruikt om een fotokopie of reprografie van werken op papier te maken, zijnde een handeling die valt onder de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, maar tevens om dezelfde werken te scannen of te digitaliseren en het bestand dat hierdoor ontstaat op te slaan op een elektronische drager(13), zijnde een handeling die zou kunnen vallen onder de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn.(14)

29.      Uit het dossier komt echter naar voren dat het, om de verwijzende rechter van een nuttig antwoord te voorzien, niet nodig is vast te stellen of het gebruik van multifunctionele printers alleen valt onder de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, of ook en tegelijkertijd, juist omdat zij meerdere functies hebben, onder de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn. Het is dan ook evenmin nodig de respectieve werkingssfeer van deze twee bepalingen af te bakenen, noch met betrekking tot deze printers, noch, meer in het algemeen, met betrekking tot andere hybride kopieerinstallaties of -apparaten die kunnen worden gebruikt voor de analoge of digitale reproductie van beschermde werken.

30.      Opgemerkt zij immers dat de Belgische regering en Reprobel hebben betoogd dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 is omgezet in artikel 22, § 1, 4°, van de Auteurswet en artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn in artikel 22, § 1, 5°, van de Auteurswet. Bovendien zijn zij van mening dat, in het hoofdgeding, artikel 22, § 1, 4°, van de Auteurswet van toepassing is, met uitsluiting van artikel 22, § 1, 5°, van de Auteurswet.

31.      In dat verband kan worden vastgesteld dat artikel 22, § 1, 5°, van de Auteurswet, zoals van toepassing op de datum van de verwijzingsbeslissing, inderdaad uitsluitend zag op „de reproductie van geluidswerken en audiovisuele werken, die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is”. Hieruit kan dus worden afgeleid dat de beperking voor het kopiëren voor privégebruik, althans vóór de hervorming van 31 december 2012 die 1 december 2013 in werking is getreden, niet van toepassing is op het gebruik van multifunctionele printers, zelfs niet op de digitalisering van beschermde werken door middel van een scanner.(15) Deze conclusie kan echter alleen de verwijzende rechter trekken, daar het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is voor de uitlegging van het nationale recht.

32.      Niettemin is de vraag van de verwijzende rechter vanuit dit gezichtspunt volgens mij of, en zo ja in elke mate, de billijke compensatie uit hoofde van de beperking voor reprografie, als bedoeld ín artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, waartoe het gebruik van multifunctionele printers voor de reprografie van beschermde werken normaliter, behoudens uitzonderingen, aanleiding moet geven, mogelijk „verschilt” naargelang het gebruik wordt gemaakt door om het even welke gebruiker, dan wel, in de bewoordingen van artikel 5, lid 2, onder b), van deze richtlijn, door een „natuurlijke persoon voor privégebruik, zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk”.

33.      De verwijzende rechter vraagt zich dus niet zozeer af of de parameters die zijn vastgesteld bij artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 kunnen worden toegepast in de gevallen waarin artikel 5, lid 2, onder a), van deze richtlijn toepassing vindt, maar meer bepaald en juister gezegd of die richtlijn toestaat dan wel in voorkomend geval verplicht, daar de billijke compensatie moet worden vastgesteld aan de hand van het nadeel dat de rechthebbenden hebben geleden naar aanleiding van de vervaardiging van de kopie, de billijke compensatie die voor reprografie wordt geheven op de multifunctionele printers aan te passen naargelang de reproductie is gemaakt door een natuurlijke persoon en voor privégebruik dan wel door enige andere persoon met een ander oogmerk.

34.      Anders gezegd, het Hof moet uiteindelijk nauwgezet vaststellen of, en zo ja in welke mate, richtlijn 2001/29 de lidstaten die hebben besloten tot toepassing van de beperking voor reprografie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder a) en – zoals in casu – tot inning van een forfaitaire en evenredige vergoeding op het gebruik van multifunctionele printers ter financiering van de in deze bepaling voorziene billijke compensatie, toestaat of verplicht in ieder afzonderlijk geval rekening te houden met het feit dat deze printers worden gebruikt door natuurlijke personen, al dan niet voor privégebruik.

B –    Bestaan van een verplichting tot gedifferentieerde inning van de billijke compensatie, naargelang het gebruik dat van de multifunctionele printers wordt gemaakt

35.      Allereerst zij eraan herinnerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 louter de mogelijkheid, en niet de verplichting, hebben om de in artikel 5, leden 2 en 3, opgesomde beperkingen of restricties ten aanzien van het in artikel 2 ervan neergelegde exclusieve reproductierecht op auteursrechtelijk beschermde werken, waaronder de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), en de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), op te nemen in hun nationale recht.

36.      Wanneer de lidstaten besluiten de beperking voor reprografie of de beperking voor het kopiëren voor privégebruik in te voeren, moeten zij ingevolge de punten a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 echter voorzien in de betaling van een billijke compensatie ten behoeve van de rechthebbenden van het exclusieve reproductierecht.(16)

37.      Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip billijke compensatie, dat een noodzakelijk gemeenschappelijk onderdeel is van de beperking voor reprografie en de beperking voor het kopiëren voor privégebruik, een autonoom Unierechtelijk begrip is dat in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd.(17) Dit houdt met name in dat de lidstaten, wanneer zij besluiten tot invoering van de beperking voor reprografie of de beperking voor het kopiëren voor privégebruik, niet langer vrij zijn om op incoherente en niet-geharmoniseerde wijze een nadere invulling te geven aan de parameters van een wezenlijk onderdeel als de billijke compensatie.(18)

38.      Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat de lidstaten, omdat richtlijn 2001/29 deze kwestie niet nader regelde, beschikten over een ruime beoordelingsmarge om met eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel de verschillende aspecten af te bakenen van het door hen in te stellen stelsel van de billijke compensatie, en met name te bepalen wie deze compensatie moet betalen en ook de vorm, de modaliteiten en het niveau ervan vast te stellen.(19)

39.      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft opgemerkt, moet de billijke compensatie echter worden berekend op basis van het nadeel dat mogelijk(20) of daadwerkelijk voor auteursrechthebbenden ontstaat naar aanleiding van de invoering van de beperking van het betreffende exclusieve reproductierecht.(21)

40.      De eerste vraag van de verwijzende rechter moet in het licht van deze grondbeginselen worden beantwoord.

41.      In casu moet allereerst worden opgemerkt dat de beperking voor reprografie en de beperking voor het kopiëren voor privégebruik onder a) respectievelijk b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 zijn afgebakend aan de hand van sterk uiteenlopende criteria.(22) De beperking voor reprografie wordt namelijk „gedefinieerd” aan de hand van de drager van de reproductie („op papier of een soortgelijke drager”) en de gebruikte reproductiemiddelen („een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert”), terwijl de beperking voor het kopiëren voor privégebruik wordt gedefinieerd aan de hand van de drager van de reproductie („op welke drager ook”), maar bovenal aan de hand van de identiteit van degene die de reproductie maakt („een natuurlijke persoon”) en het doel dat met de reproductie wordt nagestreefd („voor privégebruik [...] en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk”).

42.      Deze preciseringen vormen niet echt criteria om de twee beperkingen te definiëren, maar eerder elementen waarmee het bereik ervan en dus in zekere mate hun werkingssfeer ratione personae en ratione materiae kunnen worden afgebakend, weliswaar in zeer verschillende bewoordingen en op zeer verschillende wijze.

43.      Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, dat niet in het hoofdgeding aan de orde is, definieert aldus, door middel van een tweevoudige beperking, hoofdzakelijk de werkingssfeer ratione personae van de beperking voor het kopiëren voor privégebruik. Alleen natuurlijke personen mogen beschermde werken reproduceren uit hoofde van de beperking voor de thuiskopie, en dan alleen voor hun privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk. De billijke compensatie waartoe iedere reproductie van een beschermd werk uit dien hoofde en behoudens uitzondering aanleiding moet geven, kan derhalve enkel bij deze natuurlijke personen worden geïnd. Deze bepaling beperkt daarentegen niet, tenminste niet expliciet, de werkingssfeer ratione materiae van de beperking voor het kopiëren voor privégebruik. Er wordt alleen gepreciseerd dat de bepaling van toepassing is ongeacht de drager die voor de reproductie wordt gebruikt. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, wordt de werkingssfeer ratione materiae van de beperking voor het kopiëren voor privégebruik eigenlijk door artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 in werkelijkheid beperkt tot uitsluitend de digitale reproducties.

44.      Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, de enige bepaling die in het hoofdgeding aan de orde is, definieert, door middel van een drievoudige beperking, hoofdzakelijk de werkingssfeer ratione materiae van de beperking voor reprografie en, dientengevolge en bij uitsluiting, van de beperking voor het kopiëren voor privégebruik. Enkel de reproducties op papier of op een soortgelijke drager die worden gemaakt met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, vallen onder de beperking voor reprografie.

45.      Zoals het Hof heeft opgemerkt, wordt in de bewoordingen van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus een onderscheid gemaakt tussen de drager van de reproductie, namelijk papier of een soortgelijke drager, en het middel dat voor deze reproductie wordt gebruikt, namelijk iedere fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert.(23)

46.      De drager van de reproductie moet, zoals uitdrukkelijk gestipuleerd is, bestaan uit papier of „enig ander substraat, dat soortgelijke kenmerken heeft, dat wil zeggen vergelijkbaar met en gelijkwaardig aan die van papier”(24), hetgeen alle niet-analoge en dus met name digitale dragers uitsluit. (25)

47.      Met het medium waarmee een reproductie op papier of op een soortgelijke drager kan worden gemaakt, wordt niet alleen de fotografische techniek bedoeld, maar tevens „een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert”, te weten elk ander medium waarmee een soortgelijk resultaat wordt bereikt als met de fotografische techniek, dat wil zeggen, de analoge weergave van een werk of ander beschermd materiaal.(26) Zo heeft het Hof benadrukt dat de betrokken beperking niet is gebaseerd op de gebruikte techniek, maar eerder op het te verkrijgen resultaat.(27)

48.      Derhalve kan uit de rechtspraak van het Hof worden afgeleid dat de fotokopieerfunctie van een multifunctionele printer, waarmee beschermde werken op papier kunnen worden gekopieerd, onder de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 valt, terwijl de scanfunctie, waarmee beschermde werken kunnen worden gekopieerd op een elektronische drager (of op papier gepubliceerde werken kunnen worden gedigitaliseerd), zou kunnen vallen onder de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn. Dit aspect van de problematiek valt, zoals ik al heb opgemerkt(28), echter niet binnen het bestek van de prejudiciële vragen die aan het Hof zijn voorgelegd, daar de nationale wetgever niet aan deze hypothese heeft gedacht, tenminste niet vóór de hervorming van 31 december 2012, die op 1 december 2013 in werking is getreden, nadat het Hof was aangezocht.

49.      Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 bevat daarentegen geen enkele restrictie ten aanzien van de hoedanigheid van degene die de reproductie maakt of het doel waarmee deze reproductie wordt vervaardigd. Dientengevolge moet de billijke compensatie, waartoe iedere reproductie van een beschermd werk, behoudens uitzonderingen, aanleiding moet geven uit hoofde van de beperking voor reprografie, in beginsel worden geïnd bij eenieder die een dergelijke reproductie vervaardigt.(29)

50.      Uit de voorgaande analyse komt naar voren dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 de lidstaten die de beperking voor reprografie hebben ingevoerd, noch expliciet verplicht, hetgeen de vraag is die aan het Hof is voorgelegd, noch formeel verbiedt de inning van de billijke compensatie die verschuldigd is voor het gebruik van multifunctionele printers om reproducties te maken van beschermde werken, aan te passen naargelang van het doel waarmee de reproductie is gemaakt en de hoedanigheid van degene die deze reproductie maakt.

51.      Meer bepaald moet worden benadrukt dat niet laconiek op de eerste vraag van de verwijzende rechter mag worden geantwoord dat een dergelijke aanpassing is uitgesloten, nu artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, anders dan artikel 5, lid 2, onder b), geen onderscheid maakt naargelang van de hoedanigheid van degene die de reproductie maakt en het doel waarmee deze wordt gemaakt, kortweg op basis van het adagium dat er geen grond is voor het maken van onderscheid in het geval de wet dit niet doet (ubi lex non distinguit, nec nos distinguere debemus).

52.      Mijn eerste conclusie op grond van deze analyse is dat de lidstaten niet verplicht zijn tot invoering van een stelsel van inning van een heffing ter financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de beperking voor reprografie in de zin van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 op multifunctionele printers en/of hun gebruik, waarbij een verschil wordt gemaakt naargelang van de hoedanigheid van degene die ze gebruikt en/of het doel waarmee ze worden gebruikt.

53.      De tweede conclusie die hieruit moet worden getrokken, is dat het de lidstaten niettemin vrij staat een dergelijk gedifferentieerd stelsel in te voeren, op voorwaarde echter dat deze compensatie in verhouding blijft tot het nadeel dat de rechthebbenden hebben geleden door de invoering van deze beperking, hetgeen inhoudt dat een dergelijke differentiatie is gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria(30), zoals meer bepaald zal blijken uit het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter.

54.      Derhalve geef ik het Hof in overweging om ter beantwoording van de eerste vraag voor recht te verklaren dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht, maar wel toestaat om een stelsel van inning van een heffing ter financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de in deze bepaling vervatte beperking voor reprografie in te voeren op multifunctionele printers en/of het gebruik ervan, dat is gedifferentieerd naargelang van de hoedanigheid van de persoon die ze gebruikt en/of het doel waarmee zij worden gebruikt, op voorwaarde dat deze compensatie in verhouding blijft tot het nadeel dat de rechthebbenden door de invoering van deze beperking hebben geleden en een dergelijke differentiatie bovendien is gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

V –    Vaststelling van de forfaitaire vergoeding en van de evenredige vergoeding ter financiering van de billijke compensatie (tweede vraag)

55.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of het bepaalde onder a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat is toegestaan, ter financiering van de door deze bepalingen vereiste billijke compensatie, een stelsel in te voeren met een tweeledige – forfaitaire en evenredige – vergoeding, met de kenmerken als het stelsel in het hoofdgeding, gelet op met name het rechtvaardige evenwicht dat de lidstaat tussen de belangen van de verschillende betrokkenen moet waarborgen.

56.      Alvorens een antwoord te formuleren op de tweede vraag van de verwijzende rechter, zal ik nogmaals een overzicht geven van de hoofdkenmerken van de forfaitaire en van de evenredige vergoeding die aan de orde zijn in het hoofdgeding, en vervolgens de door de verwijzende rechter verstrekte toelichting kort bespreken.

A –    Belangrijkste aspecten van het Belgische stelsel van de forfaitaire en van de evenredige vergoeding

57.      De reproductie van beschermde werken uit hoofde van de beperking voor reprografie van artikel 22, § 1, 4°, van de Auteurswet, biedt de auteurs en uitgevers(31) van werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, het recht op een billijke compensatie die wordt gefinancierd door een forfaitaire vergoeding, bepaald in artikel 59 van de Auteurswet, en een evenredige vergoeding, bepaald in artikel 60 van de Auteurswet.

58.      De forfaitaire vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de importeur of de intracommunautaire koper van apparaten waarmee beschermde werken kunnen worden gekopieerd, op de datum waarop deze apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht. Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 definieert de invoerder en de intracommunautaire koper als de invoerders en de aankopers van wie de handelsbedrijvigheid bestaat in de verspreiding van apparaten. Het bedrag ervan, dat is vastgesteld bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, is afhankelijk van het maximumaantal zwart-witkopieën dat het betreffende apparaat per minuut kan maken en is voor multifunctionele printers van het type dat in het hoofdgeding aan de orde is (20 tot 39 kopieën per minuut), gelijk aan 195,60 EUR.

59.      De evenredige vergoeding is verschuldigd door natuurlijke of rechtspersonen die kopieën vervaardigen van beschermde werken of, desgevallend, met decharge van de natuurlijke personen, door hen die onder bezwarende titel of gratis een reproductieapparaat ter beschikking stellen van anderen(32), op het tijdstip waarop de kopie van het beschermde werk wordt gemaakt.(33) Het bedrag ervan wordt berekend op basis van het aantal kopieën dat met ieder apparaat wordt vervaardigd, volgens een tarief dat varieert afhankelijk van de medewerking aan de inning ervan door de vergoedingsplichtige, en is vastgesteld op 0,0201 EUR per kopie van een beschermd werk indien de vergoedingsplichtige heeft meegewerkt en op 0,0334 EUR indien de vergoedingsplichtige niet heeft meegewerkt.(34)

60.      Deze medewerking wordt gedefinieerd in de artikelen 10 tot en met 12 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, die onderscheid maken tussen de gestandaardiseerde medewerking, die van toepassing is op onderwijsinstellingen of instellingen voor openbare uitlening(35), en de algemene medewerking, die van toepassing is op de andere vergoedingsplichtigen(36), ongeacht hun hoedanigheid(37), volgens modaliteiten die variëren aan de hand van de in artikel 12, § 3, van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 gespecificeerde criteria.

61.      De vergoedingsplichtige van de evenredige vergoeding wordt geacht te hebben meegewerkt indien hij, met name en in de regel, zijn aangifte betreffende de beschouwde periode aan de beheersvennootschap heeft bezorgd en een voorschot heeft betaald dat overeenstemt met het aangegeven aantal kopieën van beschermde werken (algemene medewerking) of met het aantal kopieën van beschermde werken dat is vastgesteld aan de hand van een gestandaardiseerd rooster (gestandaardiseerde medewerking).

B –    Toelichting van de verwijzende rechter

62.      De verwijzende rechter benadrukt allereerst dat de billijke compensatie overeenkomstig de rechtspraak van het Hof noodzakelijkerwijs moet worden berekend op basis van het criterium van het nadeel dat door de auteurs van beschermde werken is geleden ten gevolge van de invoering van de beperking. Hij merkt op dat het Hof weliswaar heeft erkend dat het loutere vermogen om kopieën te maken volstaat om de toepassing van een billijke compensatie te rechtvaardigen, maar hij is van oordeel dat het de vraag blijft hoe hoog deze compensatie kan worden vastgesteld zonder te vervallen in willekeur.

63.      Hij geeft overigens aan dat, aangezien de lidstaten bij de vaststelling van het bedrag van de billijke compensatie de meest relevante criteria in aanmerking moeten nemen zonder deze compensatie los van de bestanddelen van het nadeel te mogen bezien, het de vraag is of zij de mogelijkheid of de verplichting hebben geen enkele vergoeding vast te stellen wanneer de schade minimaal is.

64.      Hij onderzoekt vervolgens de Belgische wetgeving en stelt vast dat het maximumaantal zwart-wit kopieën per minuut wordt beschouwd als het meest relevante criterium, en dat noch de bestemming voor thuisgebruik dan wel commercieel gebruik, noch de technische kenmerken van het apparaat, zoals de verschillende functies, in aanmerking worden genomen. Hij merkt tevens op dat ofschoon de forfaitaire vergoeding voor scanners niet meer kan bedragen dan een bepaald percentage van de verkoopprijs, voor de andere soorten apparaten nergens wordt verwezen naar de verkoopprijs, met name niet voor multifunctionele apparaten, waarop het hoogst mogelijke toepasselijke bedrag wordt geheven.

65.      De verwijzende rechter concludeert hieruit dat men zich kan afvragen of met de inning van de forfaitaire vergoeding op multifunctionele printers die wordt betaald door de fabrikanten, importeurs en kopers, bovenop de betaling van een evenredige vergoeding die wordt betaald door de gebruikers ervan, niet meer wordt vergoed dan het nadeel dat door het gebruik van deze printers is ontstaan, of deze vergoeding billijk is en of zij het rechtvaardige evenwicht tussen de rechten en belangen van de auteursrechthebbenden en van de gebruikers van auteursrechtelijk beschermd materiaal waarborgt.

C –    Onderzoek

1.      Ontvankelijkheid

66.      Het is onnodig buitensporig lang stil te staan bij de door Reprobel betwiste ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag, waarover nauwelijks twijfel kan rijzen. Ofschoon het hoofdgeding voornamelijk betrekking heeft op de producenten van multifunctionele printers, die in die hoedanigheid alleen de forfaitaire vergoeding en niet de evenredige vergoeding zijn verschuldigd, blijft het echter een feit dat de tweede vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft op zowel de twee vergoedingen afzonderlijk beschouwd als het stelsel van de tweevoudige vergoeding in zijn geheel beschouwd.

2.      Ten gronde

67.      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof, gelet op de werkingssfeer van de toepasselijke nationale wetgeving en om de hierboven uiteengezette redenen, geen uitlegging hoeft te geven van het bepaalde in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29.

68.      Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat de rechtspraak van het Hof inzake de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 naar analogie kan worden toegepast op de beperking voor reprografie van artikel 5, lid 2, onder a), van deze richtlijn, onder eerbiediging van het grondrecht op gelijke behandeling dat is neergelegd in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(38)

69.      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de billijke compensatie tot doel heeft, de auteursrechthebbenden op passende wijze te vergoeden voor de reproductie die zonder hun toestemming van hun beschermde werken wordt gemaakt, zodat zij moet worden beschouwd als de vergoeding van het door de rechthebbenden geleden en door de reproductie ontstane nadeel.(39) Zij moet dus noodzakelijkerwijze worden berekend op basis van het criterium van het nadeel dat is berokkend aan de auteursrechthebbenden door de invoering van de betreffende beperking, in het hoofdgeding de beperking voor reprografie.(40)

70.      Ook heeft het Hof geoordeeld dat de lidstaten, aangezien richtlijn 2001/29 deze aangelegenheid niet expliciet regelt, over een grote beoordelingsmarge beschikken om de vorm, wijze van financiering en inning en het eventuele niveau van deze compensatie vast te stellen.(41)

71.      Het staat meer bepaald aan de lidstaten om op hun grondgebied de meest relevante criteria vast te stellen om binnen de door het Unierecht gestelde grenzen ervoor te zorgen dat deze richtlijn wordt geëerbiedigd, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van elk geval.(42) In dat verband moet worden benadrukt dat dit niet inhoudt dat de lidstaten verplicht zijn uit de overigens onbepaalde criteria de meest relevante „te kiezen”, maar enkel dat het aan hen staat, onder eerbiediging van de doelstellingen van richtlijn 2001/29 en meer in het algemeen het Unierecht, de criteria vast te stellen die zij als relevant beschouwen.

72.      Overigens staat het, nu richtlijn 2001/29 evenmin expliciet regelt wie de vergoedingsplichtige van de billijke compensatie is zodat de lidstaten in dat verband eveneens over een grote beoordelingsmarge beschikken(43), in beginsel aan degene die dergelijke schade heeft veroorzaakt, namelijk hij die de reproductie van het beschermde werk heeft vervaardigd zonder de rechthebbende om voorafgaande toestemming te verzoeken, om het geleden nadeel te vergoeden door de financiering van de billijke compensatie die aan deze rechthebbende moet worden betaald.(44)

73.      Het Hof heeft echter erkend dat het in de praktijk moeilijk kan zijn degenen te identificeren die door de reproductie nadeel berokkenen aan de rechthebbenden van het exclusieve reproductierecht en hen te verplichten deze rechthebbenden schadeloos te stellen.(45) Het heeft bovendien benadrukt dat het nadeel als gevolg van elk individueel gebruik op zichzelf beschouwd minimaal kan zijn en bijgevolg geen betalingsverplichting in het leven kan roepen, zoals de laatste zin van overweging 35 van richtlijn 2001/29 aangeeft.(46)

74.      Het heeft derhalve erkend dat de lidstaten met het oog op de financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de ene dan wel de andere beperking een vergoeding mogen instellen die niet dient te worden betaald door de gebruikers van reproductieapparatuur en -apparaten die reproducties van beschermde werken vervaardigen waardoor rechthebbenden nadeel ondervinden, maar wel door degenen die over dergelijke apparatuur en apparaten beschikken en deze daartoe, juridisch of feitelijk, ter beschikking stellen van deze gebruikers of aan hen reproductiediensten verlenen.(47)

75.      Teneinde het vereiste rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van de houders van het exclusieve reproductierecht en de belangen van de gebruikers van de apparatuur en apparaten te waarborgen, moet een dergelijk stelsel evenwel allereerst de vergoedingsplichtigen in staat stellen de kosten van deze vergoeding door te berekenen in de prijs van de terbeschikkingstelling aan de gebruikers van deze apparatuur en apparaten of in de prijs van de geleverde reproductiedienst, zodat de last van de vergoeding uiteindelijk wordt gedragen door deze gebruikers.(48) Vervolgens moet het stelsel uitgaan van een noodzakelijk verband tussen de toepassing van de vergoeding op deze apparatuur en apparaten en het gebruik ervan voor het vervaardigen van reproducties van beschermde werken(49), hetgeen de noodzaak kan inhouden om een recht te waarborgen op terugbetaling van iedere eventueel onverschuldigd betaalde vergoeding, dat doeltreffend is en de teruggave niet uiterst moeilijk maakt.(50)

76.      De tweede vraag van de verwijzende rechter moet tegen de achtergrond van deze preciseringen worden beantwoord; allereerst dienen de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding op zich afzonderlijk te worden onderzocht en vervolgens het stelsel van de billijke compensatie in zijn geheel. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding afzonderlijk beschouwd voldoen aan de bovengenoemde vereisten, maar gezamenlijk en cumulatief beschouwd disproportioneel zijn en het „rechtvaardige evenwicht” dat bereikt moet worden tussen de belangen van de houders van het exclusieve reproductierecht en de belangen van de gebruikers van kopieerapparatuur of -apparaten, verstoren.

77.      In dat verband moet van meet af aan worden opgemerkt dat elk van de twee vergoedingen die de door artikel 5, lid 2, onder a) van richtlijn 2001/29 vereiste billijke compensatie moeten financieren, evenwel een geheel andere logica volgt. De forfaitaire vergoeding, die wordt geheven op de kopieerapparatuur of ‑apparaten, gaat uit van een raming van het mogelijke nadeel dat de rechthebbenden kunnen lijden door het gebruik ervan, en dus van een ex ante-beoordeling van hun waarschijnlijke vermogen een dergelijk nadeel te veroorzaken. De evenredige vergoeding, die wordt geheven op de reproducties van beschermde werken waarvan aangifte is gedaan, gaat daarentegen uit van de vaststelling van het feitelijke nadeel dat deze reproducties voor rechthebbenden veroorzaken en dus van een ex post-kwantificering van het daadwerkelijk voor deze rechthebbenden veroorzaakte nadeel.

a)      Forfaitaire vergoeding

78.      De bij de Belgische wettelijke regeling ingestelde forfaitaire vergoeding heeft twee hoofdkenmerken. Ten eerste wordt zij betaald door hetzij de fabrikanten, hetzij de importeurs, hetzij de kopers van kopieerapparatuur en ‑apparaten, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde multifunctionele printers, op de datum waarop zij in de handel worden gebracht. Ten tweede wordt het bedrag ervan geraamd aan de hand van het mogelijke nadeel dat het gebruik van deze apparatuur en apparaten voor de rechthebbenden kan veroorzaken. Dit nadeel zelf wordt geraamd aan de hand van het maximumaantal zwart-wit kopieën dat per minuut kan worden gemaakt.

79.      De forfaitaire vergoeding kan dus in wezen worden beschouwd als een heffing op het in de handel brengen van alle apparatuur en apparaten die kunnen worden gebruikt voor de reprografie van beschermde werken, die indirect wordt geïnd bij de kopers ervan. Opgemerkt zij namelijk dat niet wordt betwist dat de fabrikanten, importeurs en intracommunautaire kopers van deze reprografie-apparatuur en -apparaten, die zijn aangewezen als de vergoedingsplichtigen van de forfaitaire vergoeding, het bedrag ervan kunnen doorberekenen in hun detailprijs, zodat de heffing per slot van rekening altijd wordt betaald door de uiteindelijke kopers, dat wil zeggen hetzij de personen die reprografie-apparatuur en -apparaten kunnen gebruiken om met name reproducties van beschermde werken te vervaardigen, hetzij de personen die reprografie-apparatuur en ‑apparaten aan dergelijke personen ter beschikking stellen voor de verrichting van reprografiediensten en het bedrag zelf kunnen doorberekenen in de prijs van die diensten.

80.      Zoals door de Belgische en de Oostenrijkse regering is opgemerkt, kan worden aangenomen dat de invoering van een dergelijke forfaitaire vergoeding haar rechtvaardiging vindt in het bestaan van objectieve praktische problemen om de personen aan te wijzen die reproducties van beschermde werken vervaardigen en hen tot betaling van de billijke compensatie te verplichten.

81.      In dat verband moet worden benadrukt dat de omstandigheid dat de Belgische wetgeving tevens voorziet in een evenredige vergoeding die wordt geïnd op het daadwerkelijke gebruik van reprografie-apparatuur en -rografie van beschermde werken. Een andere vraag is echter of de dualiteit van het stelsel van de billijke compensatie dat door de Belgische wetgever is ingevoerd, dat wil zeggen de cumulatie van de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding, voldoet aan de vereisten van het rechtvaardige evenwicht van richtlijn 2001/29, hetgeen ik hieronder zal onderzoeken.

82.      Dit neemt niet weg dat de bij de Belgische wetgeving ingevoerde forfaitaire vergoeding het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht moet waarborgen, hetgeen op drie punten moet worden onderzocht.

83.      Dit rechtvaardige evenwicht kan in de eerste plaats enkel worden gewaarborgd voor zover een noodzakelijk verband bestaat tussen de toepassing van de forfaitaire vergoeding op de reprografie-apparatuur en -apparaten en het veronderstelde gebruik ervan voor de reproductie van beschermde werken.

84.      In casu moet, aangezien de forfaitaire vergoeding daadwerkelijk wordt geïnd op het in de handel brengen van alle apparatuur en apparaten die kunnen worden gebruikt voor de reprografie van beschermde werken, in de zin van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29, in beginsel worden aangenomen dat een dergelijk verband bestaat. Zoals het Hof al in een andere context heeft kunnen benadrukken, kunnen de kopers van multifunctionele printers als die in het hoofdgeding, op goede grond worden geacht deze printers integraal te gebruiken en dus alle functies ervan ten volle te benutten, zodat hun vermogen om kopieën te maken op zich al volstaat om de toepassing van de forfaitaire vergoeding te rechtvaardigen.(51)

85.      In de tweede plaats houdt het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht tevens in dat moet worden onderzocht of de verschillende bedragen van de forfaitaire vergoeding die in de Belgische wetgeving zijn vastgesteld, binnen de grenzen blijven die door het Unierecht zijn gesteld, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel.

86.      De lidstaten beschikken, zoals hierboven in herinnering is gebracht, weliswaar over een ruime beoordelingsmarge om met name de hoogte van de uit hoofde van de beperking voor de reprografie vereiste billijke compensatie vast te stellen. De speelruimte die aan de lidstaten is gegeven, kent echter grenzen. Zij moeten relevante criteria gebruiken en daarbij rekening houden met de bijzondere omstandigheden van ieder geval(52), en erop toezien dat de uitoefening van hun beoordelingsmarge geen negatief gevolg heeft voor de werking van de interne markt en aldus geen afbreuk doet aan de door richtlijn 2001/29 nagestreefde doelstellingen.(53) Aangezien de billijke compensatie en het stelsel waarop zij berust verband moeten houden met het nadeel dat de rechthebbenden hebben geleden als gevolg van de vervaardigde reproducties, moet het bedrag ervan in beginsel door de bevoegde autoriteiten worden vastgesteld aan de hand van het relatieve belang van het vermogen van de apparatuur of het apparaat om reproducties van beschermde werken te vervaardigen.(54)

87.      In het onderhavige geval staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de verschillende tarieven die in de Belgische wetgeving zijn vastgesteld en die trapsgewijze stijgen naargelang het maximumaantal zwart-witkopieën dat per minuut door een kopieerapparaat kan worden gemaakt en voor multifunctionele printers het drievoudige kunnen bereiken van hun eenheidsprijs in de detailhandel, in een redelijk evenredige verhouding staan tot het mogelijke nadeel dat de verkoop van deze apparaten vertegenwoordigt.

88.      In dat verband klopt het, zoals de Belgische regering heeft betoogd, dat het maximumaantal zwart-witkopieën dat per minuut door een kopieerapparaat kan worden gemaakt en waarop de verschillende tarieven van de forfaitaire vergoeding zijn gebaseerd, een criterium is dat in zekere mate op objectieve wijze een beeld geeft van het vermogen van dat apparaat om mogelijk nadeel te veroorzaken. Omgekeerd klopt het ook dat de prijs van de apparatuur of het apparaat geen objectief beeld van dat vermogen geeft.

89.      Dit laat evenwel onverlet dat het mogelijke nadeel dat voortvloeit uit de aankoop van een multifunctionele printer als in het hoofdgeding door een natuurlijke persoon voor privégebruik, geenszins vergelijkbaar is met het potentiële nadeel dat ontstaat wanneer dezelfde printer wordt aangekocht door een rechtspersoon, zoals een openbare bibliotheek, om te worden gebruikt door zijn personeel of a fortiori ter beschikking van het publiek te worden gesteld. Ook kan het vermogen van een multifunctionele printer om potentieel nadeel te veroorzaken, bij een vergelijkbare kopieersnelheid, juist gelet op de zeer verschillende functies en de verschillende gebruikswijzen ervan, absoluut niet worden gelijkgesteld met een machine die speciaal is ontworpen voor de massaproductie van fotokopieën.

90.      Het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht, dat inhoudt dat de hoogte van de forfaitaire vergoeding niet geheel losstaat van de bestanddelen van het nadeel dat voor rechthebbenden wordt veroorzaakt(55), zou dus ontegenzeggelijk beter worden gewaarborgd indien naast het criterium van de kopieersnelheid ook rekening wordt gehouden met objectief controleerbare elementen, zoals de aard of bestemming van de in de handel gebrachte apparatuur of apparaten, die de Belgische regering in haar opmerkingen weliswaar ter sprake heeft gebracht maar van de hand heeft gewezen.

91.      De beoordeling door de wetgever van het vermogen van reprografie-apparatuur en -apparaten om potentieel nadeel te veroorzaken zou op zijn minst moeten zijn gebaseerd op andere objectieve, bijgewerkte en met name statistische gegevens, waarmee een bepaalde samenhang kan worden vastgesteld tussen de verschillende tarieven van de forfaitaire vergoeding en de omvang van het mogelijke nadeel dat ieder type apparatuur of apparaat kan veroorzaken.

92.      In dat verband kan worden opgemerkt dat het tarief dat wordt toegepast op multifunctionele printers die 20 tot 39 zwart-witkopieën per minuut kunnen maken, te weten 195,60 EUR, bij vergelijking met het tarief van de evenredige vergoeding dat wordt toegepast op iedere kopie van een beschermd werk van een persoon die heeft meegewerkt, namelijk 0,0201 EUR, zou neerkomen op het maken van wel 9 731 kopieën van beschermde werken. De Belgische regering heeft echter geen enkele nauwkeurige aanwijzing verstrekt waarmee de werkelijke waarschijnlijkheid dat het privégebruik door een natuurlijke persoon van een multifunctionele printer een nadeel van die omvang kan veroorzaken, „geloofwaardig” kan worden gemaakt.

93.      In casu moet worden benadrukt dat de Belgische regering heeft betoogd dat de forfaitaire vergoeding is ingevoerd op basis van voorafgaande studies, waarvan verslag is gedaan in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997. Dit verslag bevat enkele statistieken uit die tijd over de verschillende types reprografie-apparatuur en -apparaten waarop de forfaitaire vergoeding wordt geheven, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen kopieerapparaten, faxapparaten, duplicators en offset machines en voor elk type melding wordt gemaakt van het aantal gebruikte machines, de gemiddelde verkoopprijs ervan en het aantal kopieën dat ermee kan worden vervaardigd. Voorts wordt hierin benadrukt dat „het bedrag van de forfaitaire vergoeding wordt aangepast naargelang van het daadwerkelijk gebruik van het apparaat op de markt”, in hoofdzaak op basis van „de gegevens verstrekt door de vertegenwoordigers van de fabrikanten”. Het feit dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het apparaat komt echter alleen tot uiting in de classificatie van de kopieerapparaten in zeven categorieën die zijn vastgesteld aan de hand van het aantal zwart-witkopieën dat per minuut kan worden gemaakt.

94.      Het Hof beschikt overigens niet over de studies die de beheersvennootschap periodiek moest laten uitvoeren krachtens artikel 26, lid 1, van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, en die een aantal precieze statistische gegevens moesten bevatten, meer bepaald het aantal gemaakte kopieën van beschermde werken en de verdeling ervan per activiteitensector.

95.      Het staat evenwel in ieder geval aan de verwijzende rechter om alle omstandigheden van het geval te beoordelen. Allereerst is het zijn taak om de relevantie te toetsen van het criterium dat de wetgever heeft bepaald om de tarieven van de forfaitaire vergoeding vast te stellen en om daaruit de consequenties te trekken. Vervolgens moet hij nagaan of de verschillende tarieven van de forfaitaire vergoeding kunnen worden geacht in een redelijke verhouding te staan tot de omvang van het potentiële nadeel dat voor de rechthebbenden wordt veroorzaakt door het in de handel brengen van de multifunctionele printers die in het hoofdgeding aan de orde zijn.

96.      In de derde plaats brengt het door de rechtspraak van het Hof vereiste rechtvaardige evenwicht tot slot mee dat moet worden onderzocht of bij de forfaitaire vergoeding in ieder geval de mogelijkheid moet worden geboden dat de eventueel onverschuldigd betaalde forfaitaire vergoeding wordt terugbetaald.(56)

97.      In dat verband moet worden opgemerkt dat het Hof tot op heden een dergelijk vereiste van terugbetaling alleen in een zeer specifieke context heeft erkend, namelijk de situatie waarin een vergoeding werd geheven op de verkoop van dragers voor het vervaardigen van reproducties uit hoofde van de beperking voor het kopiëren voor privégebruik van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29. De situatie die aan de orde is in het hoofdgeding, is echter niet geheel vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in de zaak Amazon.com International Sales e.a.

98.      Net als de informatiedragers die in deze laatste zaak aan de orde waren, kunnen multifunctionele printers door de aard ervan voor zeer verschillende doeleinden worden gebruikt, waarvan enkele, zoals het printen van persoonlijke documenten, niets te maken hebben met de reprografie van beschermde werken. Het zou derhalve in strijd zijn met het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht wanneer van personen die dergelijke multifunctionele printers enkel gebruiken voor doeleinden die losstaan van de reproductie van beschermde werken, betaling van een dergelijke vergoeding wordt geëist.

99.      Niettemin moet tevens in het achterhoofd worden gehouden dat de beperking voor het kopiëren voor privégebruik, zoals bij de bespreking van de eerste prejudiciële vraag is herhaald, ratione personae een kleiner bereik heeft dan de beperking voor reprografie. De beperking voor het kopiëren voor privégebruik geldt slechts voor natuurlijke personen die voor privédoeleinden kopieën van beschermde werken willen maken, zodat het relatief eenvoudig is een stelsel van heffing op alle informatiedragers voor kopieën voor privégebruik in te voeren, met een regeling voor eventuele terugbetaling van deze heffing aan wie daarom rechtmatig verzoekt.

100. De reproductie van beschermde werken uit hoofde van de beperking voor reprografie moet daarentegen in beginsel leiden tot een billijke compensatie, ongeacht wie de reproductie maakt. Zoals de Oostenrijkse regering heeft betoogd, stuit de controle op het gebruik van multifunctionele printers voor het vervaardigen van reproducties van beschermde werken bij iedere natuurlijke of rechtspersoon die een dergelijke printer heeft gekocht, in de praktijk echter op aanzienlijke problemen, die juist aan de basis liggen van de vraag of een forfaitaire vergoeding eigenlijk wel is toegestaan.

101. Derhalve kan de omstandigheid dat de forfaitaire vergoeding niet samengaat met een terugbetalingsregeling, op zich niet worden beschouwd als een ondermijning van het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht. Het is daarentegen een geheel andere vraag of het ontbreken van een regeling voor terugbetaling van de forfaitaire vergoeding aan de personen die de evenredige vergoeding moeten betalen, dit evenwicht mogelijk wel ondermijnt. Deze vraag zal ik hieronder behandelen.

b)      Evenredige vergoeding

102. De bij de Belgische wetgeving ingevoerde evenredige vergoeding heeft in wezen de vorm van een heffing op het gebruik of de daadwerkelijke exploitatie van alle apparatuur en apparaten die beschermde werken kunnen kopiëren, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde multifunctionele printers. Het bedrag ervan wordt in beginsel vastgesteld aan de hand van het nadeel dat de rechthebbenden daadwerkelijk door dit gebruik of deze exploitatie wordt berokkend. De vergoeding wordt namelijk hetzij rechtstreeks betaald door de kopers/gebruikers van de reprografie-apparatuur en -apparaten die de reproducties van de beschermde werken vervaardigen, hetzij aan hen doorberekend door de personen die hun dergelijke apparatuur en apparaten ter beschikking stellen. Het bedrag wordt bovendien op de vervaldatum vastgesteld op basis van de aangiften van de gebruikers van de reprografie-apparatuur en -apparaten, waarin het aantal kopieën van beschermde werken wordt vermeld dat in de betrokken periode is vervaardigd, of de nodige gegevens op dit punt worden verstrekt.

103. Op het eerste gezicht lijkt de Belgische wettelijke regeling, doordat de evenredige vergoeding aldus direct of indirect ten laste komt van de gebruikers van reprografie-apparatuur en -apparaten in verhouding tot het aantal reproducties dat zij van beschermde werken vervaardigen, ervoor te zorgen dat de door richtlijn 2001/29 vereiste vergoeding wordt geïnd op een wijze die billijk is voor zowel de rechthebbenden als deze gebruikers, en dus voldoet aan de vereisten van het rechtvaardige evenwicht uit deze richtlijn.

104. Benadrukt zij echter dat de werkingssfeer ratione personae van de evenredige vergoeding tussen partijen ter discussie staat. De Belgische regering betoogt namelijk dat deze vergoeding niet wordt betaald door de particuliere gebruikers van reprografie-apparatuur en -apparaten, doch zij verstrekt geen gegevens tot staving van deze bewering, die niet uit de Belgische wettelijke regeling blijkt. Reprobel heeft ter terechtzitting bevestigd dat de evenredige vergoeding enkel werd geëist van grootgebruikers of copyshops, dat wil zeggen diegenen die beroepsmatig op grote schaal gebruikmaken van kopieën, en benadrukte daarbij dat de inning ervan bij particulieren niet alleen in de praktijk maar ook juridisch onmogelijk is omdat het nodige toezicht strijdig zou zijn met de eerbied voor de persoonlijke levenssfeer. Volgens Epson wordt de vergoeding daarentegen zonder onderscheid naar gebruiker of doelstelling van de reproductie toegepast.

105. Het is niet de taak van het Hof om een uitlegging van het nationale recht te geven, zodat het het onderzoek op dit punt slechts aan de verwijzende rechter kan laten, met dien verstande dat, gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten om te bepalen wie de vergoedingsplichtigen van de billijke compensatie zijn, zijn uiteindelijke conclusie op dit punt enkel invloed zou mogen hebben op de beoordeling of de cumulatie van de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding verenigbaar is met de vereisten van richtlijn 2001/29.

106. Kern van het debat is evenwel hoofdzakelijk de wijze waarop het bedrag van de evenredige vergoeding wordt vastgesteld, afhankelijk van de medewerking van de gebruiker. Epson en de Commissie betogen meer bepaald dat deze medewerking geen verband vertoont met het nadeel, zodat de evenredige vergoeding disproportioneel is en het bij richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht verbreekt.

107. In dat verband zij nogmaals erop gewezen dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken om het bedrag van de billijke vergoeding alsook de wijze van inning ervan te bepalen. Niettemin moet het verschil in het tarief dat wordt toegepast op de vergoedingsplichtigen van de evenredige vergoeding naargelang zij al dan niet meewerken aan de inning ervan, worden gerechtvaardigd door een criterium dat objectief, redelijk en evenredig met de nagestreefde doelstelling is.

108. In het onderhavige geval is de evenredige vergoeding, die dient ter financiering van de door artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 vereiste billijke compensatie, gebaseerd op de vaststelling van het aangetoonde aantal kopieën van beschermde werken dat in een bepaalde periode is gemaakt door de gebruikers van reprografie-apparatuur en -apparaten en zij is dus in hoge mate afhankelijk van de medewerking van de gebruikers.

109. Gelet op de doelstelling ervan, de middelen die wettelijk kunnen worden toegepast teneinde deze doelstelling te bereiken, alsmede de kosten die met deze toepassing gepaard kunnen gaan, lijkt de aanpassing van het bedrag van de evenredige vergoeding die op iedere reproductie wordt geheven, naargelang deze gebruikers al dan niet meewerken op zich niet volstrekt willekeurig of kennelijk onredelijk.

110. De Belgische regering heeft echter geen enkele toelichting verstrekt bij de gegevens die dit verschil, tot wel een verdubbeling van de toegepaste bedragen, kunnen rechtvaardigen. Niets in de Auteurswet, het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 of het verslag aan de Koning voorafgaand aan dat besluit beoogt met name aan te tonen dat dit verschil objectief is gerechtvaardigd door de extra kosten waarmee de inning van de evenredige vergoeding bij gebreke van medewerking van de vergoedingsplichtige gepaard gaat, hetgeen nochtans was opgemerkt door de Raad van State in zijn advies van 9 juli 1997 over het ontwerp van Koninklijk besluit dat uiteindelijk is vastgesteld op 30 oktober 1997.(57)

111. Het staat echter aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de in voorkomend geval verstrekte toelichting van de Belgische regering, te onderzoeken of dit verschil in bedrag objectief gerechtvaardigd en evenredig met de nagestreefde doelstelling is.

c)      Stelsel van de tweevoudige vergoeding in zijn geheel beschouwd

112. Thans rest de vraag of richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan het door de Belgische wetgever ingevoerde tweevoudige stelsel van de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding. Meer bepaald moet worden onderzocht of het, gelet op de vereisten van het rechtvaardige evenwicht van richtlijn 2001/29, als legitiem kan worden beschouwd om bij de gebruikers van reprografie-apparatuur of -apparaten cumulatief een evenredige vergoeding te innen, die wordt berekend aan de hand van het aantal kopieën van beschermde werken die zij daadwerkelijk in een bepaalde periode hebben vervaardigd, en die dus het reële en daadwerkelijk door rechthebbenden geleden nadeel moet vergoeden, terwijl dezelfde personen worden geacht al direct of indirect de forfaitaire vergoeding te hebben betaald, die is geïnd op het tijdstip van aankoop van de gebruikte apparatuur of apparaten.

113. In dat verband moet meteen eraan worden herinnerd dat – zoals blijkt uit het bovenstaande – nu zowel de wijze van inning als het bedrag van de billijke compensatie binnen de aan de lidstaten toegekende beoordelingsmarge valt, het hun in beginsel vrij staat de billijke compensatie voor de beperking voor de reprografie te financieren door de inning van hetzij een forfaitaire vergoeding, hetzij een evenredige vergoeding, mits deze vergoedingen het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van de houders van het exclusieve reproductierecht en die van de gebruikers van de reprografie-apparatuur of -apparaten niet ondermijnen.

114. De gecumuleerde inning bij dezelfde persoon van de forfaitaire vergoeding voor de aankoop van reprografie-apparatuur of -apparaten en van de evenredige vergoeding voor het daadwerkelijke gebruik van deze apparatuur of apparaten voor de reproductie van beschermde werken is daarentegen in beginsel niet toelaatbaar in het licht van de vereisten van het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht.(58)

115. Aangezien de Belgische wetgeving voorziet in de inning van een evenredige vergoeding die wordt geacht overeen te komen met het werkelijke nadeel dat de rechthebbenden hebben geleden als gevolg van het daadwerkelijke gebruik van reprografie-apparatuur en -apparaten voor de reproductie van beschermde werken, kan de inning bij dezelfde persoon van een aanvullende forfaitaire vergoeding, die overeenkomt met het potentiële nadeel dat het in de handel brengen van deze apparatuur en apparaten wordt geacht te veroorzaken voor de rechthebbenden, immers in beginsel als zodanig niet worden geacht te voldoen aan de vereisten van het rechtvaardige evenwicht van richtlijn 2001/29.

116. Ofschoon de lidstaten, zoals al meermaals is benadrukt(59), over een ruime beoordelingsmarge beschikken om de vorm, de wijze van financiering en de eventuele hoogte van de door richtlijn 2001/29 vereiste billijke compensatie vast te stellen, kunnen zij deze bevoegdheid immers niet onbegrensd uitoefenen en moeten zij daarbij in ieder geval het door deze richtlijn vereiste rechtvaardige evenwicht waarborgen. De nationale wetgever mag deze bevoegdheid met name niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel of met willekeur uitoefenen. Door onder bepaalde omstandigheden personen die voor de reproductie van beschermde werken de door hen aangekochte reprografie-apparatuur of -apparaten gebruiken, te verplichten, zonder verdere voorzorgsmaatregelen, achtereenvolgens een forfaitaire vergoeding en een evenredige vergoeding te betalen, verbreekt de Belgische wetgever evenwel, zonder geldige reden, het door hem te handhaven rechtvaardige evenwicht tussen de rechten en de belangen van de auteursrechthebbenden en die van deze personen.

117. Uiteindelijk kan deze evenredige vergoeding, die het door richtlijn 2001/29 vereiste rechtvaardige evenwicht het beste waarborgt aangezien zij wordt vastgesteld aan de hand van het nadeel dat de rechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden, enkel worden geïnd op voorwaarde dat wordt aangetoond dat bij de vaststelling van het bedrag ervan daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de al betaalde forfaitaire vergoeding, of op voorwaarde dat de vergoedingsplichtige tegelijkertijd of achteraf terugbetaling kan krijgen van de forfaitaire vergoeding die hij al heeft betaald bij de aankoop van de gebruikte reprografie-apparatuur of -apparaten, dan wel het bedrag dat hij indirect heeft betaald uit hoofde van deze forfaitaire vergoeding in mindering kan brengen.

118. Elke andere oplossing zou namelijk vrijwel noodzakelijkerwijze inhouden dat eenzelfde persoon de bij artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 vereiste billijke compensatie dubbel moet financieren, hetgeen niet in overeenstemming zou zijn met het door de richtlijn vereiste rechtvaardige evenwicht. Nu is niet aangevoerd, en het Hof kan uit geen enkel gegeven in het dossier opmaken, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Belgische wettelijke regeling aan een van deze beide voorwaarden voldoet. Het staat echter aan de nationale rechter om dienaangaande het een en ander te onderzoeken en uit zijn onderzoek de nodige conclusies te trekken.

d)      Conclusies

119. Uit het voorgaande trek ik de volgende drie conclusies.

120. Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het, in beginsel, niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die ter financiering van de billijke compensatie, welke krachtens deze bepaling verschuldigd is uit hoofde van de beperking voor reprografie, voorziet in de inning van een forfaitaire vergoeding op het in de handel brengen van reprografie-apparatuur of -apparaten bij de fabrikanten, importeurs of kopers ervan, mits, ten eerste, deze vergoeding op samenhangende en niet-discriminerende wijze wordt geïnd, ten tweede, deze personen het door hen verschuldigde bedrag kunnen doorberekenen aan de gebruikers van deze apparatuur en apparaten en, ten derde, het bedrag ervan in een redelijke verhouding staat tot de omvang van het potentiële nadeel dat door het in de handel brengen van deze apparatuur of apparaten voor de rechthebbenden wordt veroorzaakt, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

121. Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het, in beginsel, niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die ter financiering van de billijke compensatie, welke krachtens deze bepaling verschuldigd is uit hoofde van de beperking voor reprografie, voorziet in de inning bij natuurlijke of rechtspersonen die deze reprografie-apparatuur en -apparaten gebruiken voor de vervaardiging van reproducties van beschermde werken of met decharge voor eerstgenoemden bij hen die dergelijke apparatuur en apparaten ter beschikking stellen van anderen, van een evenredige vergoeding die wordt vastgesteld door het aantal gemaakte reproducties te vermenigvuldigen met een of meerdere tarieven, mits, ten eerste, deze vergoeding op samenhangende en niet-discriminerende wijze wordt geïnd en, ten tweede, de toegepaste tariefdifferentiatie berust op objectieve, redelijke en evenredige criteria, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

122. Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die ter financiering van de billijke compensatie, welke krachtens deze bepaling verschuldigd is uit hoofde van de beperking voor reprografie, voorziet in de opeenvolgende en cumulatieve inning bij een en dezelfde persoon van een forfaitaire vergoeding op de aankoop van reprografie-apparatuur of een reprografie-apparaat en vervolgens van een evenredige vergoeding op het gebruik ervan voor de vervaardiging van reproducties van beschermde werken, zonder bij de vaststelling van de evenredige vergoeding daadwerkelijk rekening te houden met het als forfaitaire vergoeding betaalde bedrag of zonder voor deze persoon in de mogelijkheid te voorzien om terugbetaling te krijgen van de betaalde forfaitaire vergoeding of deze vergoeding in mindering te brengen.

VI – Ontvangers van de compensatie (derde vraag)

123. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan, de helft van de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie toe te kennen aan de uitgevers van de door de auteurs gecreëerde werken, zonder verplichting voor de uitgevers om de auteurs, zelfs indirect, aanspraak te laten maken op een deel van deze compensatie.

124. Artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de lidstaten ten behoeve van auteurs voorzien in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.

125. De uitgevers staan dus niet vermeld bij de rechthebbenden van het door richtlijn 2001/29 beschermde exclusieve reproductierecht, anders dan bijvoorbeeld de onder c) respectievelijk d) van artikel 2 van deze richtlijn genoemde producenten van fonogrammen of de producenten van de eerste vastleggingen van films, wier investeringen die noodzakelijk zijn voor het creëren van producten zoals fonogrammen, films of multimediaproducten als aanzienlijk worden beschouwd en dus een adequate rechtsbescherming rechtvaardigen.(60)

126. Tevens moet worden opgemerkt dat artikel 4 van richtlijn 2001/29 enkel aan auteurs het uitsluitende recht toekent, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.

127. De uitgevers kunnen derhalve in beginsel geen ontvanger zijn van de billijke compensatie voor de beperkingen van dat exclusieve reproductierecht als bedoeld onder a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29, die enkel moet worden betaald aan de in artikel 2 ervan vermelde rechthebbenden of althans alleen van deze rechthebbenden of hun rechtsopvolgers ten goede moet komen.

128. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat richtlijn 2001/29 de lidstaten noch verplicht, de volledige billijke compensatie in geld uit te keren aan de rechthebbenden of hun rechtsopvolgers, noch verbiedt in het kader van hun ruime beoordelingsmarge te bepalen dat een deel van deze compensatie wordt toegekend in de vorm van een indirecte compensatie, via sociale en culturele instellingen die ten behoeve van hen zijn ingesteld, echter voor zover deze sociale en culturele instellingen zich daadwerkelijk inzetten voor deze rechthebbenden en de werkwijze van deze instellingen niet discriminerend is.(61)

129. Een dergelijk stelsel waarbij de billijke compensatie indirect wordt geïnd, voldoet aan een van de in richtlijn 2001/29 vermelde doelstellingen van de passende rechtsbescherming van de intellectuele eigendom, die, zoals naar voren komt uit de overwegingen 10 en 11, erin bestaat, ervoor te zorgen dat de Europese culturele creativiteit en productie over de nodige middelen beschikken en om de scheppend en uitvoerend kunstenaars in staat te stellen hun autonomie en waardigheid te bewaren.(62)

130. De uitgevers kunnen echter in niets worden vergeleken met sociale en culturele instellingen die zijn ingesteld ten behoeve van de auteurs en nergens is gesteld en nog minder aangetoond dat de vergoeding aan de uitgevers uiteindelijk daadwerkelijk ten goede kwam van de auteurs.

131. Derhalve moet artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaten een deel van de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie toekennen aan de uitgevers van de door de auteurs gecreëerde werken, zonder verplichting voor de uitgevers om de auteurs, zelfs indirect, aanspraak te laten maken op dat deel.

132. Volgens de verklaringen van de Belgische regering en Reprobel is de aan de uitgevers betaalde vergoeding echter een compensatie sui generis die om specifieke redenen van cultureel beleid, los van richtlijn 2001/29, door de Belgische wetgever is ingesteld.

133. In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat de Belgische regering in het geheel niet betoogt dat deze billijke compensatie sui generis valt onder overweging 36 van richtlijn 2001/29(63), dat deze compensatie bijvoorbeeld het nadeel vergoedt dat voortvloeit uit „de reproductie door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen of musea of door archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven”, bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van die richtlijn.

134. Vervolgens moet worden benadrukt dat de aldus door Reprobel en de Belgische regering verdedigde uitlegging van de Belgische wettelijke regeling die uit de verwijzingsbeslissing niet naar voren komt, voornamelijk is gebaseerd op de voorstukken van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997. In punt 2.1 van het verslag aan de Koning voorafgaand aan dat Koninklijk besluit staat namelijk(64) dat de auteurs en uitgevers de oorspronkelijke houders van het recht op vergoeding zijn, waarbij de auteur krachtens artikel 6, § 1, van de Auteurswet wordt gedefinieerd als de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd. In dit punt wordt tevens gepreciseerd dat, hoewel het begrip uitgever niet in de Auteurswet wordt gedefinieerd, deze wet hem ab initio een recht op vergoeding verleent, dat niet met een auteursrecht kan worden gelijkgesteld.

135. Ook kan worden opgemerkt dat de Raad van State in zijn advies van 9 juli 1997 over het ontwerp van koninklijk besluit dat uiteindelijk is vastgesteld op 30 oktober 1997, enkel heeft opgemerkt dat de vergoeding van artikel 59 van de Auteurswet, die is verschuldigd voor de reproductie van beschermde werken, moet worden gestort aan de auteurs en de uitgevers wier werken werkelijk zijn gereproduceerd en in gelijke delen aan de auteurs en de uitgevers moet worden toegewezen, overeenkomstig artikel 61, § 3, van de Auteurswet.

136. De Belgische wetgever heeft dus bij de artikelen 59 tot en met 61 van de Auteurswet ten eerste de billijke compensatie van artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 ingesteld ten behoeve van de auteurs, en ten tweede een specifieke vergoeding ingesteld ten behoeve van de uitgevers, waarbij beide vergoedingen tegelijkertijd en volgens dezelfde wijze worden geheven.

137. Gelet op deze verklaringen zij nogmaals erop gewezen dat het in het kader van de prejudiciële procedure niet aan het Hof staat om een uitlegging te geven van het nationale recht en nog minder om te toetsen of de uitlegging door een lidstaat van zijn eigen nationale recht juist is. Het staat dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de nationale wettelijke regeling een eigen vergoeding instelt voor de uitgevers, die losstaat van de billijke compensatie die krachtens artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aan de auteurs verschuldigd is.

138. Vanuit dit gezichtspunt moet worden geoordeeld dat de derde vraag van de verwijzende rechter neerkomt op de vraag of richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de lidstaten, los van de voorschriften van deze richtlijn, een specifieke vergoeding instellen ten behoeve van de uitgevers van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vergoeding.

139. Ik ben van mening dat deze vraag in beginsel ontkennend moet worden beantwoord, ook al is een kanttekening op haar plaats.

140. Richtlijn 2001/29, die luidens de titel slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten harmoniseert, bevat namelijk geen enkele bepaling die eraan in de weg staat dat de lidstaten een specifieke vergoeding ten behoeve van de uitgevers instellen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vergoeding, die bedoeld is ter compensatie van het nadeel dat de uitgevers ondervinden door het in de handel brengen en het gebruik van reprografie-apparatuur en -apparaten.

141. Dit zou eventueel alleen anders kunnen zijn ingeval wordt vastgesteld dat de instelling van deze specifieke vergoeding ten behoeve van de uitgevers de billijke compensatie die krachtens richtlijn 2001/29 aan de auteurs is verschuldigd, negatief beïnvloedt. Aangezien de lidstaten echter over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij met name de vaststelling van het bedrag van de billijke compensatie van de punten a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29, moet worden opgemerkt dat niet uit het dossier naar voren komt en niet is aangevoerd dat de vergoeding voor de uitgevers wordt geïnd en gestort ten koste van de aan de auteurs verschuldigde billijke compensatie.

142. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om het een en ander na te gaan.

143. Richtlijn 2001/29 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staat dat de lidstaten een specifieke vergoeding ten behoeve van de uitgevers instellen die bedoeld is ter compensatie van het nadeel dat de uitgevers ondervinden wegens het in de handel brengen en het gebruik van reprografie-apparatuur en -apparaten, op voorwaarde dat de vergoeding voor de uitgevers niet wordt geïnd en gestort ten koste van de billijke compensatie die krachtens de punten a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 aan de auteurs is verschuldigd. Het staat aan de verwijzende rechter om dienaangaande de nodige vaststellingen te verrichten.

VII – Inning van de billijke compensatie op bladmuziek (vierde vraag)

144. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan, een stelsel van inning van de billijke compensatie in te stellen waaronder de kopie van bladmuziek en van inbreukmakende reproducties kan vallen.

145. Voor de beantwoording van deze vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen de reprografie van bladmuziek en de reprografie van inbreukmakende reproducties.

146. Allereerst heeft het Hof in zijn arrest ACI Adam e.a.(65) namelijk voor recht verklaard dat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met lid 5 van dat artikel, aldus moest worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die geen onderscheid maakt tussen de situatie waarin de bron van een voor privégebruik gemaakte reproductie geoorloofd is en de situatie waarin deze bron ongeoorloofd is. Dit arrest is bevestigd in het arrest Copydan Båndkopi.(66) Ik ben van mening dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 naar analogie en om dezelfde redenen in dezelfde zin moet worden uitgelegd met betrekking tot de reprografie van inbreukmakende reproducties.

147. Vervolgens sluit artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 bladmuziek uitdrukkelijk uit van de werkingssfeer van de beperking voor reprografie. Richtlijn 2001/29 kan derhalve, om in wezen dezelfde redenen als de redenen die het Hof in zijn arrest Copydan Båndkopi(67) in aanmerking heeft genomen, niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan, een stelsel van inning van de billijke compensatie in te stellen waaronder de kopie van bladmuziek kan vallen.

148. Ik geef het Hof derhalve in overweging voor recht te verklaren dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaten een stelsel van inning van de billijke compensatie instellen waaronder de kopie van bladmuziek en van inbreukmakende reproducties kan vallen.

VIII – Conclusie

149. Ik geef het Hof derhalve in overweging de vier prejudiciële vragen van het Hof van beroep te Brussel te beantwoorden door voor recht te verklaren:

„1)      Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht, maar wel toestaat om een stelsel van inning van een heffing ter financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de in deze bepaling vervatte beperking voor reprografie in te voeren op multifunctionele printers en/of het gebruik ervan, dat is gedifferentieerd naargelang van de hoedanigheid van de persoon die ze gebruikt en/of het doel waarmee zij worden gebruikt, op voorwaarde dat deze compensatie in verhouding blijft tot het nadeel dat de rechthebbenden door de invoering van deze beperking hebben geleden en een dergelijke differentiatie bovendien is gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

2)      Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het, in beginsel, niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die ter financiering van de billijke compensatie, welke krachtens deze bepaling verschuldigd is uit hoofde van de beperking voor reprografie, voorziet in:

–      hetzij de inning van een forfaitaire vergoeding op het in de handel brengen van reprografie-apparatuur of -apparaten bij de fabrikanten, importeurs of kopers ervan, mits, ten eerste, deze vergoeding op samenhangende en niet-discriminerende wijze wordt geïnd, ten tweede, deze personen het door hen verschuldigde bedrag kunnen doorberekenen aan de gebruikers van deze apparatuur en apparaten en, ten derde, het bedrag ervan in een redelijke verhouding staat tot de omvang van het potentiële nadeel dat door het in de handel brengen van deze apparatuur of apparaten voor de rechthebbenden wordt veroorzaakt, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

–      hetzij de inning bij natuurlijke of rechtspersonen die deze reprografie-apparatuur en -apparaten gebruiken voor de vervaardiging van reproducties van beschermde werken of met decharge voor eerstgenoemden bij hen die dergelijke apparatuur en apparaten ter beschikking stellen van anderen, van een evenredige vergoeding die wordt vastgesteld door het aantal gemaakte reproducties te vermenigvuldigen met een of meerdere tarieven, mits, ten eerste, deze vergoeding op samenhangende en niet-discriminerende wijze wordt geïnd en, ten tweede, de toegepaste tariefdifferentiatie berust op objectieve, redelijke en evenredige criteria, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet daarentegen aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die ter financiering van de billijke compensatie, welke krachtens deze bepaling verschuldigd is uit hoofde van de beperking voor reprografie, voorziet in de opeenvolgende en cumulatieve inning bij een en dezelfde persoon van een forfaitaire vergoeding op de aankoop van reprografie-apparatuur of een reprografie-apparaat, en vervolgens van een evenredige vergoeding op het gebruik ervan voor de vervaardiging van reproducties van beschermde werken, zonder bij de vaststelling van de evenredige vergoeding daadwerkelijk rekening te houden met het als forfaitaire vergoeding betaalde bedrag of zonder voor deze persoon in de mogelijkheid te voorzien om terugbetaling te krijgen van de betaalde forfaitaire vergoeding of deze vergoeding in mindering te brengen.

3)       Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaten een deel van de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie toekennen aan de uitgevers van de door de auteurs gecreëerde werken, zonder verplichting voor de uitgevers om de auteurs, zelfs indirect, aanspraak te laten maken op dat deel.

Niettemin moet richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staat dat de lidstaten een specifieke vergoeding ten behoeve van de uitgevers instellen die bedoeld is ter compensatie van het nadeel dat de uitgevers ondervinden wegens het in de handel brengen en het gebruik van reprografie-apparatuur en -apparaten, op voorwaarde dat de vergoeding voor de uitgevers niet wordt geïnd en gestort ten koste van de billijke compensatie die krachtens de punten a) en b) van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2001/29 aan de auteurs is verschuldigd. Het staat aan de verwijzende rechter om dienaangaande de nodige vaststellingen te verrichten.

4)      Artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 moet aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaten een stelsel van inning van de billijke compensatie instellen waaronder de kopie van bladmuziek en van inbreukmakende reproducties kan vallen.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB L 167, blz. 10.


3 –      Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, blz. 19297; hierna: „Auteurswet”.


4 –      Deze bepalingen zijn gewijzigd bij de wet van 31 december 2012 houdende diverse bepalingen, inzonderheid betreffende justitie, Belgisch Staatsblad van 31 december 2012, blz. 88936, die in werking is getreden op 1 december 2013, nadat het Hof is aangezocht.


5 –      Belgisch Staatsblad van 7 november 1997, blz. 29874; hierna: „Koninklijk besluit van 30 oktober 1997”.


6 –      Deze cijfers zijn gebaseerd op het bericht van 4 november 2012 van de Algemene Directie Regulering en Organisatie van de markt in verband met de automatische indexering van de bedragen vermeld in het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, Belgisch Staatsblad van 4 november 2013, blz. 83560.


7 –      Hierna: „HPB”.


8 –      Hierna: „Reprobel”.


9 –      Hierna: „Epson”.


10 –      Ierland stelt echter enkel antwoorden op de eerste en de tweede prejudiciële vraag voor.


11 –      De Finse regering stelt echter enkel antwoorden op de derde en de vierde prejudiciële vraag voor.


12 –      Deze hypothese werd overwogen door advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:34, punt 40).


13 –      In dat verband moet zeker een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de reproductie van beschermde werken die worden verspreid in digitale vorm (e-books of andere werken die op cd, dvd of via internet worden gedistribueerd) en anderzijds de reproductie van beschermde werken die in analoge vorm worden verspreid (boeken, gedrukte pers), met dien verstande dat zowel het gekopieerde digitale werk als het gedigitaliseerde analoge werk enkel legaal is voor zover de rechthebbende hiertoe toestemming heeft gegeven of zij onder een van de in richtlijn 2001/29 voorziene beperkingen vallen.


14 –      Zie dienaangaande de punten 42‑45 van deze conclusie.


15 –      Uit het verslag aan de Koning voorafgaand aan het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997 komt echter naar voren dat deze mogelijkheid al in aanmerking was genomen.


16 –      Zie laatstelijk arrest Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 19) en aldaar aangehaalde rechtspraak.


17 –      Zie arrest Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 33).


18 –      Zie arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 36) en ACI Adam e.a. (C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 49).


19 –      Zie laatstelijk arrest Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 19, 20, 30‑41, 57 en 59) en aldaar aangehaalde rechtspraak.


20 –      Zie inzonderheid overweging 35 van richtlijn 2001/29 en arrest Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 39).


21 –      Arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 42), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 47), ACI Adam e.a. (C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 55) en Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 21).


22 –      Zoals al was opgemerkt door advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:34, punt 39).


23 –      Zie arrest VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:426, punt 64).


24 –      Ibidem, punt 65.


25 –      Ibidem, punt 67.


26 –      Ibidem, punt 68.


27 –      Ibidem, punt 69.


28 –      Zie de punten 29‑31 van deze conclusie.


29 –      Hier moet worden opgemerkt dat dit, blijkens de toelichting van de Belgische regering, in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn.


30 –      Zie, in verband met dit vereiste, arrest Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 30‑41).


31 –      De derde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter betreft nu juist deze dualiteit van de ontvangers van de billijke vergoeding.


32 –      Zie artikel 60 van de Auteurswet, waarnaar wordt verwezen in artikel 1, 14°, van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, met een begripsbepaling van de vergoedingsplichtige van de evenredige vergoeding.


33 –      Zie artikel 15 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997.


34 –      Deze tarieven bedragen 0,0251 EUR respectievelijk 0,0151 EUR per kopie van een beschermd werk die wordt vervaardigd door middel van een apparaat dat door een onderwijsinstelling of door een instelling voor openbare uitlening wordt gebruikt. Deze tarieven worden overigens verdubbeld voor kleurenkopieën.


35 –      Artikel 11 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997. Deze instellingen zijn gedefinieerd in artikel 1, 16° en 17°, van dat Koninklijk besluit.


36 –      Artikel 12 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997.


37 –      Zie de toelichting die is verstrekt in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het Koninklijk besluit van 30 oktober 1997, Belgisch Staatsblad, blz. 29874, 29895.


38 –      Arrest VG Wort e.a. (C‑457/1–C‑460/11, EU:C:2013:426, punt 73).


39 –      Zie arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 39 en 40) en VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:426, punt 75).


40 –      Zie arresten Padawan (C 467/08, EU:C:2010:620, punt 42) en Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 47).


41 –      Zie overweging 35 van richtlijn 2001/29 en arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 37), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 20) en Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 20).


42 –      Zie arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 21 en 22). Zie tevens naar analogie arrest VEWA (C‑271/10, EU:C:2011:442, punt 35).


43 –      Zie, inzake de beperking voor de kopie voor privégebruik, arresten Stichting de Thuiskopie (C‑462/09, EU:C:2011:397, punt 23) en Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 20); inzake de beperking voor de reprografie, arrest VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:426, punt 74).


44 –      Zie arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 44 en 45), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 23) en ACI Adam e.a. (C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 51).


45 –      Zie arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 46), Stichting de Thuiskopie (C‑462/09, EU:C:2011:397, punt 27), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 24) en Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punt 23).


46 –      Zie arrest Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punt 46).


47 –      Zie, inzake de beperking voor het kopiëren voor privégebruik, arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 46 en 50), Stichting de Thuiskopie (C‑462/09, EU:C:2011:397, punten 27 en 29), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 24) en Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 23 en 43); inzake de beperking voor reprografie, arrest VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:426, punt 76).


48 –      Zie, inzake de beperking voor de kopie voor privégebruik, arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 46 en 49), Stichting de Thuiskopie (C‑462/09, EU:C:2011:397, punten 27 en 28), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 24 en 25) en ACI Adam e.a. (C‑435/12, EU:C:2014:254, punt 52); inzake de beperking voor de reprografie, arrest VG Wort e.a. (C‑457/11–C‑460/11, EU:C:2013:426, punten 76 en 77).


49 –      Zie, inzake de beperking voor de kopie voor privégebruik, arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 28 en 33).


50 –      Zie arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 30‑34).


51 –      Zie naar analogie met de terbeschikkingstelling van natuurlijke personen van dragers die kunnen dienen voor de reproductie van beschermde werken als kopie voor privégebruik, arresten Padawan (C‑467/08, EU:C:2010:620, punten 54‑56), Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 41 en 42) en Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 24 en 25).


52 –      Zie arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 21 en 22).


53 –      Zie meer bepaald overweging 31 van richtlijn 2001/29.


54 –      Zie arrest Copydan Båndkopi (C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 21 en 27).


55 –      Om maar de uitdrukking over te nemen die het Hof heeft gebruikt met betrekking tot artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61); zie arrest van 30 juni 2011, VEWA (C‑271/10, EU:C:2011:442, punt 37).


56 –      Zie arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 30‑32).


57 –      Zie de commentaar bij artikel 6, Belgisch Staatsblad van 7 november 1997, blz. 29910.


58 –      In dat verband moet daarenboven worden opgemerkt dat de Belgische regering geen enkel gegeven heeft overgelegd waarmee objectief kan worden gerechtvaardigd dat alleen rechtspersonen verplicht zijn de forfaitaire vergoeding en de evenredige vergoeding gezamenlijk te betalen, in tegenstelling tot natuurlijke personen, die niet verplicht zouden zijn de evenredige vergoeding te betalen.


59 –      Zie met name de punten 38 en 70 van deze conclusie.


60 –      Zie overweging 10 van richtlijn 2001/29.


61 –      Zie arrest Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punten 49, 50 en 53).


62 –      Ibidem, punt 52.


63 –      Deze overweging preciseert dat „[d]e lidstaten [...] ook een billijke compensatie voor rechthebbenden [kunnen] voorschrijven wanneer zij de facultatieve bepalingen toepassen inzake beperkingen of restricties waarvoor zo'n compensatie niet verplicht is”.


64 –      Zie onder II – Mechanisme van de wettelijke licentie, punt 2.1, blz. 29878.


65 –      C‑435/12, EU:C:2014:254, punten 20‑58.


66 –      C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 74‑79.


67 –      C‑463/12, EU:C:2015:144, punten 74‑79.