Hogere voorziening, ingesteld op 21 september 2018 door Pirelli & C. SpA tegen het arrest van het Gerecht (Achtste Kamer) van 12 juli 2018 in zaak T-455/14, Pirelli & C. / Commissie

(Zaak C-611/18 P)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Pirelli & C. SpA (vertegenwoordigers: M. Siragusa en G. Rizza, avvocati)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Prysmian Cavi en Sistemi Srl

Conclusies

de beslissing van het Gerecht, zoals vervat in het dictum van het arrest van 12 juli 2018 in zaak T-455/14, Pirelli & C. S.p.A./Commissie, waarvan op dezelfde dag via e-Curia kennis is gegeven aan rekwirante, overeenkomstig artikel 169, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering vernietigen,

en

overeenkomstig artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het door Pirelli in eerste aanleg gevorderde mutatis mutandis toewijzen, zonder de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en dientengevolge:

primair,

het op Pirelli betrekking hebbende deel van het Besluit1 nietig verklaren, meer bepaald artikel 1, punt 5, onder d), artikel 2, onder g), en artikel 4 ervan, dit laatste artikel evenwel uitsluitend voor zover Pirelli is opgenomen op de lijst van adressaten van de maatregel;

subsidiair,

in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht ter zake uit hoofde van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/20032 en 261 VWEU, een voorrecht van eerdere uitwinning aan Pirelli toestaan;

ingeval van toewijzing van de hogere voorziening die Prysmian in voorkomend geval bij het Hof zou instellen tegen de beslissing van het Gerecht van 12 juli 2018 in zaak T-475/14:

het Besluit nietig verklaren dan wel artikel 2, onder g), ervan wijzigen door de hoofdelijk aan Prysmian en Pirelli opgelegde boete te verlagen;

de Commissie in ieder geval verwijzen in de kosten;

mocht het Hof de beslissing van het Gerecht, zoals vervat in het dictum van het arrest dat op 12 juli 2018 in zaak T-455/14 Pirelli & C. S.p.A./Commissie is uitgesproken, niet vernietigen, niettemin in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht uit hoofde van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 en 261 VWEU een voorrecht van eerdere uitwinning aan Pirelli toestaan.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: het Gerecht is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht, voor zover het heeft vastgesteld dat geen sprake was van de door rekwirante – Pirelli – gelaakte ontoereikende motivering van de afwijzing door de Commissie van haar gedetailleerde betoog dat het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed in casu niet van toepassing was, en in verband met de ongelijke behandeling waaraan de Commissie zich schuldig heeft gemaakt door de methode van de zogenoemde „dubbele grondslag” alleen ten aanzien van Goldman Sachs toe te passen

Het Gerecht heeft het voorwerp en de omvang van de motiveringsplicht van de Commissie onjuist vastgesteld door niet te erkennen, noch vast te stellen dat de motivering van het Besluit niet voldoet aan de door de Unierechter gestelde vereisten. Het Gerecht had het op rekwirante betrekking hebbende deel van het Besluit moeten nietig verklaren op grond dat de betrokken maatregel geen omstandige uiteenzetting van de precieze, specifieke en concrete gronden bevat die de toerekening, op grond van vermoedens, van de inbreuk aan Pirelli kunnen rechtvaardigen, ofschoon Pirelli heeft aangetoond dat de economische, organisatorische en juridische banden met Prysmian niet ertoe hebben geleid dat haar dochtervennootschap niet meer of nog slechts in beperkte mate zelfstandig kan optreden. In het bestreden arrest is daarenboven geenszins rekening gehouden met Pirelli’s betoog betreffende de ongelijke behandeling die zij heeft ondergaan, nu de Commissie ten aanzien van haar louter het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed heeft gehanteerd, terwijl de Commissie de op een dubbele grondslag gebaseerde toerekeningsmethode had moeten toepassen, die zij wel heeft toegepast ten aanzien van Goldman Sachs, de andere moedervennootschap van Prysmian.

Tweede middel: schending van de artikelen 48 en 49 van het Handvest, en ontoereikende en incoherente motivering van het bestreden arrest voor wat betreft de schending door de Commissie van de grondrechten van Pirelli als rechtspersoon en van het evenredigheidsbeginsel

Het standpunt van het Gerecht, volgens welk de op vermoedens vastgestelde aansprakelijkheid van Pirelli geen schuldloze strafaansprakelijkheid voor handelingen van derden is maar een aansprakelijkheid wegens eigen onrechtmatige daad van de „onderneming”, die door Pirelli samen met haar dochtervennootschap Prysmian – de directe inbreukmaker – is gepleegd, is gebaseerd op een onrechtmatige gelijktijdige toepassing van twee beoordelingsniveaus die evenwel niet samen kunnen worden toegepast, te weten de toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen en de bescherming van de grondrechten van de in beschuldiging gestelde rechtspersoon. Bovendien is het bestreden arrest volledig voorbijgegaan aan Pirelli’s argument dat het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed van tweeërlei aard is. De Commissie is bij haar Besluit namelijk uitgegaan van het vermoeden dat Pirelli niet alleen een beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van Prysmian, maar ook op diens specifieke mededingingsverstorende gedragingen, zonder dat Pirelli het tegenbewijs daarvan kon leveren. Pirelli laakt dat het bestreden arrest tevens ontoereikend is gemotiveerd met betrekking tot het argument dat de Commissie geen afweging van de op het spel staande belangen – met name die in verband met het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed – heeft verricht, waarbij zij rekening had moeten houden met de bijzonderheden van het concrete geval en de rechten van verdediging in acht had moeten nemen, zoals vereist door de rechtspraak van het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens). Ten slotte bestond het antwoord van het Gerecht op het door Pirelli aangevoerde middel, volgens welk de toepassing van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed in het jegens haar vastgestelde Besluit niet evenredig was in de zin van artikel 5, lid 4, VEU aan de verwezenlijking van de doelstellingen – namelijk, ervoor zorgen dat de daadwerkelijke betaling van de boete beter gegarandeerd is en dat hogere geldboetes als afschrikkingsmiddel kunnen worden opgelegd –, in een verwijzing naar niet ter zake doende rechtspraak.

Derde middel: schending van de beginselen van hoofdelijke aansprakelijkheid, van evenredigheid en van gelijke behandeling, incoherente motivering met betrekking tot de onjuiste beoordeling ten gronde van de toepassing, ten aanzien van Pirelli, van het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid van Pirelli en Prysmian voor de voldoening van de geldboete, alsmede de ontoereikende motivering van het bestreden arrest voor wat betreft het niet toestaan van het voorrecht van eerdere uitwinning aan Pirelli

Hoewel Pirelli – net als Prysmian – is veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag van de hen bij het Besluit opgelegde boete, verschilt de positie van rekwirante fundamenteel van die van haar voormalige dochtervennootschap, die in het Besluit duidelijk is geïdentificeerd als de directe inbreukmaker. Zoals in het arrest terecht – maar wel op tegenstrijdige wijze – is erkend, is aan Pirelli een zuiver afgeleide en accessoire aansprakelijkheid toegerekend, die derhalve afhankelijk is van die van Prysmian. De Commissie had de voor de boete onredelijke en buitensporige gevolgen van haar eigen onjuiste opvatting van de prerogatieven van Pirelli als enige moedervennootschap moeten afzwakken door Pirelli niet mede hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de boete, door haar slechts ten dele mede hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de aan Prysmian opgelegde geldboete of door ten minste het voorrecht van eerdere uitwinning aan Pirelli toe te staan. Het Gerecht heeft niet alleen geen motivering verstrekt inzake Pirelli’s grief betreffende het niet toestaan van dat voorrecht, maar heeft ook de beginselen van hoofdelijke aansprakelijkheid, van evenredigheid en van gelijke behandeling geschonden.

Vierde middel: schending van artikel 261 VWEU en van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 voor wat betreft de afwijzing van de vordering om het voorrecht van eerdere uitwinning toe te staan, die Pirelli in de conclusies van haar bij het Gerecht ingediende verzoekschrift heeft geformuleerd

Volgens de aangevoerde bepalingen kan het Gerecht niet alleen het bedrag van de door de Commissie opgelegde sanctie wijzigen, maar ook de voorwaarden voor de betaling en de uitvoering van de sanctie. De in het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, volgens welke de sanctiebevoegdheid van de Commissie niet de mogelijkheid omvat om het respectieve aandeel van de hoofdelijke debiteuren in de boete op basis van hun onderlinge verhoudingen vast te stellen, is niet relevant voor de beoordeling van de andere vraag van Pirelli – die het Gerecht daarom in wezen heeft ontweken en die betrekking heeft op de bevoegdheid van de Commissie en van het Gerecht als instantie die instaat voor de rechterlijke toetsing van de besluiten van de Commissie – om een voorrecht van eerdere uitwinning toe te passen ten aanzien van de hoofdelijk tot voldoening van de boete gehouden enige moedervennootschap. Dit voorrecht ziet namelijk niet op de interne verhoudingen tussen de hoofdelijke debiteuren maar op de verplichting die iedere hoofdelijke debiteur afzonderlijk ten aanzien van de Commissie heeft (zogenoemde „externe verhouding”).

____________

1     Besluit C(2014) 2139 final van de Europese Commissie van 2 april 2014 (zaak AT.39610 - Stroomkabels).

2     Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels en van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).