Hogere voorziening, ingesteld op 13 september 2018 door de Tsjechische Republiek tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 28 juni 2018 in zaak T-147/15, Tsjechische Republiek / Commissie

(Zaak C-575/18 P)

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Rekwirante: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, J. Vláčil en O. Serdula als gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de bestreden beschikking vernietigen;

de door de Europese Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verwerpen;

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht om uitspraak te doen over de door de Tsjechische Republiek in het verzoekschrift geformuleerde conclusies;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante één middel aan, waarin zij stelt dat er sprake is van schending van artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

In de bestreden beschikking heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het litigieuze besluit – met name in aanmerking genomen dat de Commissie niet bevoegd is om een besluit vast te stellen op het gebied van de traditionele eigen middelen – geen besluit was waartegen op grond van artikel 263 VWEU beroep kon worden ingesteld, wat volgens het Gerecht geen inbreuk maakte op het recht van de Tsjechische Republiek op effectieve rechterlijke bescherming in de zin van artikel 47 van het Handvest, omdat de Tsjechische Republiek het betwiste bedrag voorwaardelijk kon betalen, voorbehoud kon maken bij de gegrondheid van de rechtsopvatting van de Commissie en kon wachten totdat de Commissie beroep instelde krachtens artikel 258 VWEU.

De gevolgtrekkingen van het Gerecht zijn in strijd met artikel 263 VWEU juncto artikel 47 van het Handvest, aangezien een voorwaardelijke betaling geen waarborg biedt dat het Hof van Justitie in de toekomst een beslissing ten gronde zal nemen over het geding. Dit vloeit voort uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie over de discretionaire bevoegdheid van de Commissie in niet-nakomingsprocedures, uit het ontbreken van enige bepaling over het begrip „voorwaardelijke betaling” en met name uit de eerdere praktijk van de Commissie op dit gebied.

____________