Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (België) op 10 oktober 2018 – Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest CVBA / Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR)

(Zaak C-632/18)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest CVBA

Verwerende partij: Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR)

Prejudiciële vragen

Moeten de punten 2.22, 2.23, 2.27, 2.28 en 20.33 van verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen1 aldus worden uitgelegd dat een afzonderlijke institutionele eenheid die onder zeggenschap van een overheid staat, als een niet-markteenheid moet worden beschouwd en derhalve onder de sector overheid valt indien zij de kenmerken van een financiële instelling binnen concernverband vertoont, zonder dat het criterium inzake haar blootstelling aan het risico hoeft te worden onderzocht?

Kan een eenheid die onder zeggenschap van een overheid functioneert, worden aangemerkt als een financiële instelling binnen concernverband in de zin van de punten 2.21 tot en met 2.23, 2.27 en 2.28 van verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen:

op grond dat de regeling door deze overheid van haar activiteit haar de controle over haar activa ontneemt, terwijl zij op grond van die regeling verder kan beslissen over de verlening van de hypothecaire leningen die zij toekent en over de duur, het bedrag en bepaalde voorwaarden van deze leningen, met dien verstande dat andere elementen en met name de rentevoet van die leningen door de overheid worden bepaald;

op grond dat, onder andere, de door die overheid verleende waarborg voor de leningen die zij aangaat, haar de controle over haar passiva ontneemt, zonder dat het doel en de gevolgen van die waarborg worden onderzocht op basis van de kenmerken van de eenheid die onder zeggenschap van een overheid functioneert in het onderhavige geval en de onderliggende economische realiteit?

____________

1 PB L 174, blz. 1.