Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 5 november 2018 – OC e.a. / Banca d’Italia e.a.

(Zaak C-686/18)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: OC e.a., Adusbef, Federconsumatori, PB e.a., QA e.a.

Verwerende partijen: Banca d’Italia, Presidenza del Consiglio dei Ministri, Ministero dell’Economia e delle Finanze

Prejudiciële vragen

Staan artikel 29 van verordening (EU) nr. 575/2013 [betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen]1 , artikel 10 van gedelegeerde verordening nr. 241/20142 , de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook in samenhang met artikel 6, lid 4, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 20133 , in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015 (en thans ook artikel 1, lid 15, van decreto legislativo nr. 72/2015, dat in de plaats is gekomen voor artikel 28, lid 2 ter, [Testo unico bancario] en waarin in wezen de tekst van artikel 1, lid 1, onder a), van decreto legge nr. 3/2015, zoals omgezet, is overgenomen, met wijzigingen die in casu niet relevant zijn), waarbij een drempelvermogen is voorgeschreven waarboven de coöperatieve bank moet worden omgevormd in een vennootschap op aandelen, en dit drempelvermogen is vastgesteld op 8 miljard EUR? Staan daarnaast de bovenvermelde Unierechtelijke parameters in de weg aan een nationale regeling die een coöperatieve bank, wanneer zij tot een vennootschap op aandelen is omgevormd, toestaat om de aflossing van de aandelen van uittredende aandeelhouders, ook voor onbepaalde tijd, uit te stellen of te beperken?

Staan artikel 3 en artikel 63 en volgende, VWEU inzake mededinging in de interne markt en vrij verkeer van kapitaal in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015, die de uitoefening van het bankbedrijf in coöperatieve vorm beperkt tot een bepaald drempelvermogen, en de instelling verplicht tot omvorming tot een vennootschap op aandelen indien deze drempel wordt overschreden?

Staan artikel 107 en volgende VWEU inzake staatssteun in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015 (en thans ook artikel 1, lid 15, van decreto legislativo nr. 72/2015, dat in de plaats is gekomen voor artikel 28, lid 2 ter, [Testo unico bancario] en waarin in wezen de tekst van artikel 1, lid 1, onder a), van decreto legge nr. 3/2015, zoals omgezet, is overgenomen, met wijzigingen die in casu niet relevant zijn), die voorschrijft dat een coöperatieve bank waarvan het vermogen een bepaalde drempel overschrijdt (die is vastgesteld op 8 miljard EUR), moet worden omgevormd tot een vennootschap op aandelen, en daarbij grenzen stelt aan de aflossing van het aandeel van uittredende aandeelhouders om de mogelijke liquidatie van de omgezette bank te voorkomen?

Staan artikel 29 van verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 10 van verordening (EU) nr. 241/2014 in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015, zoals uitgelegd door de Corte costituzionale in arrest nr. 99/2018, volgens welke het de coöperatieve bank is toegestaan om de aflossing voor onbeperkte tijd uit te stellen en het bedrag daarvan deels of volledig te beperken?

Indien het Hof van Justitie bij zijn uitlegging oordeelt dat de uitlegging van de verwerende partijen verenigbaar is met de Unieregeling, wordt het verzocht te beoordelen of artikel 10 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 241/2014 van de Europese Commissie in overeenstemming is met het Unierecht, gelet op de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (waarin is bepaald: „Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”), zoals aangevuld, ook gelet op artikel 52, lid 3, van het Handvest (dat als volgt luidt: „Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”) en op de rechtspraak van het EHRM over artikel 1 van protocol nr. 1 bij het EVRM.

____________

1 Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1).

2 Gedelegeerde verordening (EU) nr. 241/2014 van de Europese Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen (PB 2014, L 74, blz. 8).

3 Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 2013, L 287, blz. 63).