ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

14 februari 2019 (*)

„Uniemerk – Aanvraag voor een Uniebeeldmerk dat een hart afbeeldt – Absolute weigeringsgrond – Geen onderscheidend vermogen – Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001”

In zaak T‑123/18,

Bayer Intellectual Property GmbH, gevestigd te Monheim am Rhein (Duitsland), vertegenwoordigd door V. von Bomhard en J. Fuhrmann, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Graul, S. Hanne en D. Walicka als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 7 december 2017 (zaak R 145/2017‑1) inzake een aanvraag tot inschrijving van een beeldteken dat een hart afbeeldt als Uniemerk,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, K. Kowalik-Bańczyk (rapporteur) en C. Mac Eochaidh, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 27 februari 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 15 mei 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 27 juli 2016 heeft verzoekster, Bayer Intellectual Property GmbH, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, betreft het volgende beeldteken:

Image not found

3        De diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, behoren tot de klassen 42 en 44 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt:

–        klasse 42: „Verrichten van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van hart- en vaatziekten”;

–        klasse 44: „Medische diensten op het gebied van hart- en vaatziekten”.

4        Bij beslissing van 24 november 2016 heeft de onderzoeker de merkaanvraag afgewezen voor de in punt 3 hierboven bedoelde diensten op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001].

5        Op 20 januari 2017 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker op grond van de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 (thans de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001).

6        Bij beslissing van 7 december 2017 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de eerste kamer van beroep van het EUIPO verzoeksters beroep verworpen op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, daar het aangevraagde merk door het relevante publiek zal worden opgevat als de weergave van een hart en bijgevolg als een verwijzing naar het feit dat de betrokken diensten het gebied van de cardiologie betreffen.

 Conclusies van partijen

7        Verzoekster concludeert tot:

–        vernietiging van de bestreden beslissing;

–        wijziging van de bestreden beslissing door toewijzing van het tegen de beslissing van de onderzoeker ingestelde beroep;

–        verwijzing van het EUIPO in de kosten.

8        Het EUIPO concludeert tot:

–        verwerping van het beroep;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten.

 In rechte

9        Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: ten eerste, schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 en, ten tweede, schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur.

 Eerste middel: schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001

10      Ter ondersteuning van het eerste middel voert verzoekster in wezen twee grieven aan. Verzoekster voert met de eerste grief aan dat de kamer van beroep in haar analyse geen rekening heeft gehouden met het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek. Met de tweede grief verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen miste.

11      Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.

 Opmerkingen vooraf

12      Luidens artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 wordt inschrijving geweigerd van merken die elk onderscheidend vermogen missen. Artikel 7, lid 2, van die verordening bepaalt dat artikel 7, lid 1, ervan ook van toepassing is indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Europese Unie bestaan.

13      Volgens vaste rechtspraak heeft een merk onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 indien hiermee de waar of dienst waarvoor de inschrijving is aangevraagd, als afkomstig van een bepaalde onderneming kan worden geïdentificeerd en deze waar of dienst dus van die van andere ondernemingen kan worden onderscheiden (zie arrest van 12 juli 2012, Smart Technologies/BHIM, C‑311/11 P, EU:C:2012:460, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

14      Het onderscheidend vermogen van een merk moet worden beoordeeld met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd en uitgaande van de wijze waarop het relevante publiek, dat bestaat uit de gemiddelde consument van die waren en diensten, het merk percipieert (zie arrest van 12 juli 2012, Smart Technologies/BHIM, C‑311/11 P, EU:C:2012:460, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

15      Tegen de achtergrond van die overwegingen dienen achtereenvolgens de twee door verzoekster aangevoerde grieven ter ondersteuning van het eerste middel te worden onderzocht.

 Eerste grief: de kamer van beroep heeft geen rekening gehouden met het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek

16      Met de eerste grief voert verzoekster aan dat, hoewel de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt dat het aandachtsniveau van het relevante publiek hoog was, zij toch geen rekening heeft gehouden met dat aandachtsniveau bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk.

17      In dat verband zij eraan herinnerd dat een merk het relevante publiek in staat moet stellen om de waren die het aanduidt te onderscheiden van die van andere ondernemingen zonder dat dit publiek bijzonder oplettend moet zijn (zie in die zin arrest van 7 oktober 2004, Mag Instrument/BHIM, C‑136/02 P, EU:C:2004:592, punt 32), zodat de vereiste mate van onderscheidend vermogen die nodig is voor de inschrijving van een merk niet mag afhangen van het aandachtsniveau van dat publiek (zie in die zin en naar analogie, arrest van 12 juli 2012, Smart Technologies/BHIM, C‑311/11 P, EU:C:2012:460, punten 48‑50).

18      Dat het aandachtsniveau van het relevante publiek geen invloed heeft op de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk wordt overigens bevestigd door het feit dat verzoekster in haar verzoekschrift niet verduidelijkt welke gevolgen de kamer van beroep in casu had moeten verbinden aan het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek.

19      Bijgevolg kan de eerste grief van het eerste middel niet slagen.

 Tweede grief: gebrek aan onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk

20      Met de tweede grief betoogt verzoekster dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen miste. Meer bepaald voert zij aan dat het relevante publiek het aangevraagde merk niet als de weergave van een hart, maar als de weergave van de letter „v” van het woord „vericiguat” zal beschouwen. Zij voegt daaraan toe dat, in de veronderstelling dat het litigieuze merk als de weergave van een hart zou worden opgevat, de kamer van beroep in elk geval het ongebruikelijke karakter ervan heeft miskend, met name gelet op de gebruiken in de betrokken dienstensector.

21      Ten eerste dient te worden opgemerkt dat verzoekster niet opkomt tegen de afbakening van het relevante publiek door de kamer van beroep, volgens welke het publiek dat in aanmerking dient te worden genomen voor de perceptie van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk, met name bestaat uit het publiek in de Unie dat gespecialiseerd is op het gebied van hart- en vaatziekten.

22      Ten tweede dient om te beginnen te worden vastgesteld dat de betrokken diensten betrekking hebben op hart- en vaatziekten.

23      Verder dient te worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster betoogt, het aangevraagde merk waarschijnlijk niet zal worden opgevat als de weergave van de letter „v” van het woord „vericiguat”. De naar binnen gekeerde vorm van het teken aan de twee uiteinden van het zwarte bestanddeel van het aangevraagde merk verschilt immers enerzijds van de gebruikelijke weergave van de letter „v” en doet het merk anderzijds aanleunen bij de weergave van een hart. In die omstandigheden en gelet op het feit dat de betrokken diensten het hart betreffen, dient te worden geoordeeld dat het aangevraagde merk door het relevante publiek zal worden opgevat als de weergave van een hart, zelfs indien bewezen is dat dit publiek de werkzame stof vericiguat kent.

24      Bijgevolg dient, in navolging van de kamer van beroep, te worden besloten dat het relevante publiek het aangevraagde merk zal opvatten als een aanduiding dat de betrokken diensten betrekking hebben op het hart, ook al beeldt dit merk geen fysiologisch hart uit.

25      Hieruit volgt dat de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk de commerciële herkomst van de betrokken diensten niet kan aanduiden en dat dit merk dus geen onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001.

26      Verzoeksters betoog laat deze conclusie onverlet.

27      Om te beginnen kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij zich niet heeft gebaseerd op de in punt 20 van het verzoekschrift aangehaalde rechtspraak die is toegepast in het arrest van 15 december 2016, Novartis/EUIPO (Afbeelding van een maansikkel in grijs en van een maansikkel in groen) (T‑678/15 en T‑679/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:749, punten 23 en 24), volgens welke een merk dat op significante wijze afwijkt van de norm of van wat gangbaar is in de sector, onderscheidend vermogen kan hebben. Die rechtspraak betreft immers het geval waarin het aangevraagde merk ofwel een driedimensionaal merk bestaande in de verschijningsvorm van de erdoor aangeduide waar ofwel een beeldmerk bestaande in de tweedimensionale weergave van die waar is. In casu dient echter te worden vastgesteld dat het aangevraagde merk niet kan bestaan in de verschijningsvorm van de betrokken diensten of in een tweedimensionale weergave van die diensten, aangezien diensten als zodanig geen tastbare vorm hebben.

28      Bovendien dient te worden opgemerkt dat het gestileerde karakter van het door het aangevraagde merk weergegeven hart als dusdanig hoe dan ook geen onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 aan dit merk kan verlenen.

29      In dat verband betoogt verzoekster, kort samengevat, dat het gestileerde karakter van het door het aangevraagde merk weergegeven hart in de eerste plaats voortvloeit uit de bredere contouren van dit hart onderaan links, in de tweede plaats uit het feit dat dit hart minder symmetrisch is dan de 306 afbeeldingen van een hart die zij voor de kamer van beroep heeft aangevoerd, en in de derde plaats uit het feit dat dit hart linksboven niet naar beneden is gericht.

30      Evenwel dient te worden vastgesteld dat die kenmerken geen boodschap kunnen overbrengen die het relevante publiek kan onthouden, zodat het aangevraagde merk het relevante publiek er slechts op zal wijzen dat de betrokken diensten betrekking hebben op het hart. Zoals uit de punten 24 en 25 hierboven volgt, dient dus te worden geoordeeld dat het aangevraagde merk de commerciële herkomst van de betrokken diensten niet kan aanduiden ondanks het gestileerde karakter van het door dit merk weergegeven hart.

31      Overigens dient ook verzoeksters argument te worden afgewezen dat het door het aangevraagde merk weergegeven hart, anders dan de afbeelding van een niet-gestileerd hart, onderscheidend vermogen heeft omdat het de idee van „genezing” niet kan oproepen. Een dergelijke, overigens niet-onderbouwde bewering kan immers niet afdoen aan het feit dat het aangevraagde merk het relevante publiek slechts erop zal wijzen dat de erdoor aangeduide diensten betrekking hebben op het hart.

32      Derhalve volgt uit het voorgaande dat de tweede grief van het eerste middel ongegrond is. Hieruit volgt dat deze grief en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

 Tweede middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur

33      Met het tweede middel betoogt verzoekster, kort samengevat, dat het EUIPO de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur heeft geschonden door de inschrijving van het aangevraagde merk te weigeren terwijl het tevoren de inschrijving van eenzelfde merk voor farmaceutische preparaten van klasse 5 had aanvaard.

34      In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het EUIPO bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de algemene beginselen van het Unierecht moet naleven. Hoewel het EUIPO gelet op het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur rekening moet houden met beslissingen die reeds zijn genomen inzake soortgelijke aanvragen en zeer aandachtig moet onderzoeken of al dan niet een beslissing in dezelfde zin moet worden genomen, dient de toepassing van deze beginselen evenwel te worden verzoend met het wettigheidsbeginsel. Overigens dient elke inschrijvingsaanvraag, omwille van de rechtszekerheid en juist met het oog op behoorlijk bestuur, strikt en volledig te worden onderzocht teneinde te voorkomen dat een merk onterecht wordt ingeschreven of nietig verklaard. Bijgevolg moet elk concreet geval afzonderlijk worden onderzocht. Of een teken als merk wordt ingeschreven, hangt immers af van specifieke criteria die gelden naargelang van de feitelijke omstandigheden van het concrete geval en aan de hand waarvan moet worden nagegaan of een weigeringsgrond op het betrokken teken van toepassing is (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10, EU:C:2011:139, punten 73‑77, en beschikking van 26 mei 2016, Hewlett Packard Development Company/EUIPO, C‑77/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:373, punt 4).

35      Uit die beginselen volgt dat wanneer de kamers van beroep beslissen om anders te oordelen dan in eerdere beslissingen over bij hun aangevoerde soortgelijke aanvragen, zij uitdrukkelijk dienen te motiveren waarom van die beslissingen wordt afgeweken (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, EUIPO/Puma, C‑564/16 P, EU:C:2018:509, punt 66). Een dergelijke verplichting om een afwijking ten aanzien van eerdere beslissingen te motiveren, is evenwel minder belangrijk wanneer het een onderzoek betreft dat strikt afhangt van het aangevraagde merk dan wanneer het gaat om feitelijke vaststellingen die niet afhangen van dat merk (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, EUIPO/Puma, C‑564/16 P, EU:C:2018:509, punten 77 en 81).

36      Voorts volgt ook uit de hierboven in punt 34 aangehaalde rechtspraak dat beslissingen die de kamers van beroep krachtens verordening 2017/1001 ter zake van de inschrijving van een teken als Uniemerk nemen, op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten, zodat de rechtmatigheid van de beslissingen van die kamers van beroep enkel moet worden beoordeeld op basis van deze verordening, zoals uitgelegd door de Unierechter (zie arrest van 6 september 2018, Bundesverband Souvenir – Geschenke – Ehrenpreise/EUIPO, C‑488/16 P, EU:C:2018:673, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg zijn de kamers van beroep niet gebonden door eerdere beslissingen van het EUIPO.

37      In casu dient te worden opgemerkt dat het onderzoek van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk strikt afhangt van dat merk en niet van de door verzoekster aangevoerde feitelijke vaststellingen. Aldus kon de kamer van beroep zich ertoe beperken op te merken dat verzoekster zich niet met succes op eerdere beslissingen van het EUIPO kon baseren om af te doen aan de vaststelling dat het aangevraagde merk onder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 valt. Overigens kan niet worden betwist dat de kamer van beroep hoe dan ook uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de oplossing in de door verzoekster aangevoerde eerdere beslissing. Zij heeft immers, kort samengevat, erop gewezen dat de waren waarover het in die eerdere beslissing ging, niet specifiek betrekking hadden op cardiologie zodat die waren, anders dan de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde diensten, geen „rechtstreekse en onmiddellijk herkenbare band met het menselijke hart” hadden.

38      Voorts kan verzoekster de gegrondheid van die motivering niet betwisten zonder de gegrondheid van de weigering tot inschrijving van het aangevraagde merk ter discussie te stellen. Zoals volgt uit de punten 21 tot en met 32 hierboven, dient evenwel te worden opgemerkt dat de kamer van beroep op goede gronden heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk valt onder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001.

39      Uit een en ander volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen en het beroep dus in zijn geheel moet worden verworpen.

 Kosten

40      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Negende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Bayer Intellectual Property GmbH wordt verwezen in de kosten.

Gervasoni

Kowalik-Bańczyk

Mac Eochaidh

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 februari 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.