Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 – LF / Google LLC, YouTube Inc., YouTube LLC, Google Germany GmbH

(Zaak C-682/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: LF

Verwerende partijen: Google LLC, YouTube Inc., YouTube LLC, Google Germany GmbH

Prejudiciële vragen

Verricht de beheerder van een internetvideoplatform, waar gebruikers video-opnamen met auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG1 , wanneer

hij met het platform reclame-inkomsten verwerft,

het uploaden automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de beheerder verloopt,

de beheerder volgens de gebruiksvoorwaarden voor de duur van de plaatsing van de video-opnamen een wereldwijde, niet-exclusieve en kosteloze licentie op de video-opnamen verkrijgt,

de beheerder er in de gebruiksvoorwaarden en in het kader van het uploaden op wijst dat er geen inbreukmakende inhoud mag worden geplaatst,

de beheerder hulpmiddelen ter beschikking stelt waarmee rechthebbenden inbreukmakende video-opnamen kunnen blokkeren,

de beheerder op het platform een analyse van de zoekresultaten verricht in de vorm van ranglijsten en inhoudelijke rubrieken en geregistreerde gebruikers een overzicht toont met aanbevolen video-opnamen, dat is gebaseerd op door deze gebruikers reeds bekeken video-opnamen,

indien hij niet concreet de kennis draagt van het feit dat inhoud die inbreuk maakt op het auteursrecht beschikbaar is of hij, nadat hij deze kennis heeft verkregen, deze inhoud onverwijld wist of onmiddellijk de toegang daartoe blokkeert?

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Valt de activiteit van de beheerder van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG2 ?

Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet de daadwerkelijke kennis van de onwettige activiteit of informatie en het besef van de feiten of omstandigheden waaruit de onwettige aard van de activiteiten of informatie blijkt, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG betrekking hebben op concrete onwettige activiteiten of informatie?

Daarenboven, voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG, wanneer de rechthebbende ten aanzien van een dienstverlener, wiens dienst bestaat in de opslag van door een gebruiker van de dienst ingevoerde informatie en wiens dienst door een gebruiker is gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten, pas om een verbod kan verzoeken wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden?

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

Is de beheerder van een internetvideoplatform onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden te beschouwen als inbreukmaker in de zin van artikel 11, eerste volzin, en artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG3 ?

Voor het geval dat de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:

Mag de verplichting van een dergelijke inbreukmaker tot betaling van een schadevergoeding krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG afhankelijk worden gesteld van het feit dat de inbreukmaker zowel met betrekking tot zijn eigen inbreuk alsook met betrekking tot de inbreuk van de derde opzettelijk heeft gehandeld en wist of redelijkerwijs had moeten weten dat gebruikers het platform voor concrete inbreuken gebruiken?

____________

1 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1).

3 Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45).