Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 6 november 2018 – Elsevier Inc./Cyando AG

(Zaak C-683/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Elsevier Inc.

Verwerende partij: Cyando AG

Prejudiciële vragen

a)    Verricht de beheerder van een „shared hosting”-dienst, waar gebruikers bestanden met auteursrechtelijk beschermde inhoud zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar stellen voor het publiek, een handeling bestaande in een mededeling in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG1 , wanneer

–    het uploaden automatisch en zonder voorafgaande inzage of controle door de beheerder verloopt,

–    de beheerder er in de gebruiksvoorwaarden op wijst dat inbreukmakende inhoud niet mag worden geplaatst,

–    hij met het beheer van de dienst inkomsten verwerft,

–    de dienst wordt gebruikt voor legale toepassingen, maar de beheerder er kennis van heeft dat ook een zeer grote inhoud (meer dan 9 500 werken) beschikbaar is die inbreuk maak op het auteursrecht,

–    de beheerder geen inhoudsopgave en geen zoekfunctie aanbiedt, maar de door hem beschikbaar gestelde onbeperkte download-koppelingen door derden in de vorm van gebundelde koppelingen worden geplaatst op het Internet, die informatie betreffende de inhoud van de bestanden bevatten en het zoeken naar bepaalde inhoud mogelijk maken,

–    hij door de regeling van de door hem afhankelijk van de vraag betaalde vergoeding voor downloads, stimuleert auteursrechtelijk beschermde inhoud te uploaden, die voor gebruikers verder alleen is te verkrijgen tegen betaling

en

–    door het bieden van de mogelijkheid om bestanden anoniem te uploaden, het waarschijnlijker wordt dat gebruikers niet ter verantwoording worden geroepen voor inbreuken op het auteursrecht?

b)    Verandert deze beoordeling wanneer via de „shared hosting”-dienst voor 90 tot 96 % van het totale gebruik inbreukmakend aanbod beschikbaar wordt gesteld?

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Valt de activiteit van de beheerder van een „shared hosting”-dienst onder de in de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG2 ?

Voor het geval dat de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet de daadwerkelijke kennis van de onwettige activiteit of informatie en het besef van feiten of omstandigheden waaruit de onwettige aard van de activiteiten of informatie blijkt, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG betrekking hebben op concrete onwettige activiteiten of informatie?

Daarenboven voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG, wanneer de rechthebbende ten aanzien van een dienstverlener, wiens dienst bestaat in de opslag van door een gebruiker van de dienst ingevoerde informatie, en wiens dienst door een gebruiker is gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten, pas om een verbod kan verzoeken wanneer er na een aanwijzing van een duidelijke inbreuk op het recht opnieuw een dergelijke inbreuk heeft plaatsgevonden?

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

Is de beheerder van een „shared hosting”-dienst onder de in de eerste vraag beschreven omstandigheden te beschouwen als inbreukmaker in de zin van artikel 11, eerste volzin, en artikel 13 van richtlijn 2004/48/EG3 ?

Voor het geval dat de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:

Mag de verplichting van een dergelijke inbreukmaker tot betaling van een schadevergoeding krachtens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG afhankelijk worden gesteld van het feit dat de inbreukmaker zowel met betrekking tot zijn eigen inbreuk alsook aangaande de inbreuk van de derde opzettelijk heeft gehandeld en wist of redelijkerwijs had moeten weten dat gebruikers het platform voor concrete inbreuken gebruiken?

____________

1 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2 Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1).

3 Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45).