Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2018 door Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 25 september 2018 in zaak T-328/17, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/EUIPO

(Zaak C-766/18 P)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi (vertegenwoordigers: S. Malynicz QC, S. Baran, barrister, V. Marsland, solicitor)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie, M. J. Dairies EOOD

Conclusies

de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht in zaak T-328/17, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus named Halloumi/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), EU:T:2018:594, ontvankelijk verklaren en de vordering tot vernietiging van rekwirante toewijzen;

het Bureau en interveniënte verwijzen in hun eigen kosten, en in die van rekwirante.

Middelen en voornaamste argumenten

1.    Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door het collectieve merk HALLOUMI niet de gepaste status en bescherming te verlenen die verordening nr. 207/2009 voor dergelijke collectieve merken vereist, in strijd met artikel 74 van verordening nr. 207/2009;

2.    In het bijzonder heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door zijn aanpak van de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het collectieve merk HALLOUMI in het geheel niet te wijzigen, in strijd met artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 74 van verordening nr. 207/2009;

3.    Het Gerecht heeft de gevolgen van het arrest van het Hof in de gevoegde zaken C-673/15 P tot en met C-676/15 P, The Tea Board/EUIPO, en zijn met redenen omklede beschikking in zaak C-39312 P, Foundation for the Protection of the Traditional Cheese of Cyprus Named Halloumi/BHIM, onjuist ingeschat en toegepast, en heeft het arrest in zaak C-196/11 P, Formula One Licensing/BHIM, EU:C:2012:314 niet correct nageleefd; en

4.    Het Gerecht heeft de zaak ten onrechte niet naar de kamer van beroep terugverwezen voor een nieuwe behandeling in het licht van zijn vaststelling dat de vierde kamer van beroep – zelfs volgens het Gerecht – blijk had gegeven van ten minste twee onjuiste opvattingen bij de beoordeling van het verwarringsgevaar. Daarbij heeft het artikel 8, lid 1, onder b), en/of artikel 72, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geschonden.

____________