Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (Bulgarije) op 7 januari 2019 – Strafzaak tegen RH

(Zaak C-8/19)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Spetsializiran nakazatelen sad

Partij in het hoofdgeding

RH

Prejudiciële vragen

Is het verenigbaar met artikel 267 VWEU en artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten om een nationale bepaling zoals artikel 489, lid 2, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) in die zin uit te leggen dat de verwijzende rechter, hoewel hij een prejudiciële vraag heeft gesteld over de rechtmatigheid van een voorlopige hechtenis in een strafprocedure, meteen uitspraak moet doen over die rechtmatigheid in plaats van het antwoord van het Hof van Justitie af te wachten?

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet de nationale rechter zijn nationaal recht op grond van de laatste zin van overweging 16 van richtlijn 343/20161 in die zin uitleggen dat hij, alvorens de verlenging van de voorlopige hechtenis te gelasten „eerst [moet] nagaan of er voldoende belastende bewijzen […] zijn die de betrokken beslissing rechtvaardigen”?

Wanneer de verdediging op een gegronde en ernstige manier bestrijdt dat er „voldoende belastende bewijzen[…] zijn”, moet de nationale rechter daarop ingaan op grond van de in artikel 47, lid 1, van het Handvest neergelegde verplichting om een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen in het kader van de rechterlijke toetsing van de verlenging van de voorlopige hechtenis?

Is er sprake van schending van artikel 4, juncto artikel 3 van de richtlijn, zoals uitgelegd in het arrest Milev (C-310/18), wanneer de nationale rechter de verlenging van de voorlopige hechtenis motiveert overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM betreffende, ten eerste, artikel 5, lid 1, onder c), EVRM, en vaststelt dat er bewijzen zijn ter ondersteuning van de beschuldiging, die van die aard zijn dat zij „een neutrale en objectieve waarnemer ervan kunnen overtuigen dat de betrokkene het [strafbare] feit kan begaan hebben”, en betreffende, ten tweede, artikel 5, lid 4, EVRM, en effectief en daadwerkelijk uitspraak doet over de bezwaren van de verdediging met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis?

____________

1 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).