Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio (Italië) op 12 december 2018 – ZQ / Corte dei Conti e.a.

(Zaak C-790/18)

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ZQ

Verwerende partijen: Corte dei Conti, Presidenza del Consiglio dei Ministri, Ministero dell’Economia e delle Finanze

Prejudiciële vragen

Staan artikel 3, leden 2 en 3, VEU, de artikelen 9, 45, 126, 145, 146, 147 en artikel 151, lid 1, VWEU, artikel 15, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en de artikelen 3 en 5 van de Europese pijler van sociale rechten in de weg aan een nationale bepaling als artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, voor zover deze bepaling de Italiaanse overheidsinstanties ertoe aanzet om bij de werving van personeel en de toekenning van opdrachten de voorkeur te geven aan uitsluitend werknemers die reeds een pensioen van de Italiaanse socialezekerheidsinstellingen genieten?

Staan artikel 106, lid 1, en artikel 107 VWEU in de weg aan een nationale bepaling als artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, volgens welke de Italiaanse overheidsinstanties die economische activiteiten uitoefenen waarbij zij artikel 101 VWEU en volgende in acht moeten nemen, gebruik mogen maken van de arbeid van personen die ermee akkoord zijn gegaan om geheel of gedeeltelijk afstand te doen van de beloning voor de geleverde arbeid, wat een kostenbesparing oplevert die deze overheidsinstanties een concurrentieel voordeel ten opzichte van andere marktdeelnemers verschaft?

Staan de artikelen 2, 3 en 6 VEU, artikel 126 en artikel 151, lid 1, VWEU, artikel 15, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 en artikel 7, onder a), van de Europese pijler van sociale rechten in de weg aan een nationale bepaling als artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, volgens welke een werknemer, in de in deze bepaling genoemde omstandigheden, geldig geheel of gedeeltelijk kan verzaken aan de beloning voor de geleverde arbeid, ook al wil de werknemer met die verzaking alleen vermijden dat hij zijn werk verliest?

Staan de artikelen 2, 3 en 6 VEU, artikel 14, artikel 15, lid 1, artikel 126 en artikel 151, lid 1, VWEU, artikel 31, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en artikelen 5, 6 en 10 van de Europese pijler van sociale rechten in de weg aan een nationale bepaling als artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, volgens welke een werknemer, in de in deze bepaling genoemde omstandigheden, arbeidsprestaties kan verrichten ten behoeve van een Italiaanse overheidsinstantie en daarbij geheel of gedeeltelijk afstand kan doen van de vergoeding voor de geleverde arbeid, ook al is ten aanzien van een dergelijke afstand niet voorzien in enige wijziging van de arbeidsorganisatie, noch in termen van arbeidstijd noch voor wat betreft de omvang en de kwaliteit van de te verrichten arbeid, en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid, en derhalve ook wanneer de gedeeltelijke afstand van de vergoeding tot een aanzienlijke wijziging van de arbeidsverhouding leidt, zowel vanuit het oogpunt van de evenredigheid tussen de vergoeding en de kwaliteit en de omvang van de verrichte arbeid, als op grond van het feit dat de werknemer daardoor wordt gedwongen om zijn activiteit in niet-optimale arbeidsomstandigheden uit te oefenen, met als gevolg dat hij minder gemotiveerd is om te werken en het optreden van de overheidsinstantie dientengevolge minder doeltreffend is?

Staan de artikelen 2, 3 en 6 VEU, artikel 126 en artikel 151, lid 1, VWEU, artikel 15, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van de Europese pijler van sociale rechten in de weg aan artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, juncto artikel 23 ter, lid 1, van wetsbesluit nr. 201/2011, dat is omgezet in wet nr. 214/2011, voor zover deze bepalingen een Italiaanse overheidsinstantie de mogelijkheid bieden/verplichten om ook gedurende de arbeidsverhouding of in de loop van de samenwerking het aan de werknemer verschuldigde loon te verminderen op basis van de maximumvergoeding waarnaar voormeld artikel 23 ter, lid 1, van besluit nr. 201/2011, omgezet in wet nr. 214/2011, verwijst, welke vermindering dus het gevolg is van een niet-voorzienbare gebeurtenis en in ieder geval berust op een niet voor de hand liggende regeling, en dit ondanks de informatie die bij aanvang van de arbeidsverhouding aan de werknemer is verstrekt?

Staan de artikelen 2, 3 en 6 VEU, de artikelen 8 en 126 VWEU, de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 10 en 15 van de Europese pijler van sociale rechten in de weg aan een nationale bepaling als artikel 1, lid 489, van wet nr. 147/2013, volgens welke de Italiaanse overheidsinstanties, in de in deze bepaling genoemde omstandigheden, de vergoedingen voor hun werknemers en medewerkers die een pensioen van een socialezekerheidsinstelling genieten, dienen te verminderen, waarvan deze werknemers en medewerkers de dupe zijn doordat zij over andere inkomsten beschikken, wat een rem zet op de verlenging van het actieve beroepsleven, op het particulier economisch initiatief en op de opbouw en de groei van particuliere vermogens, die niettemin bronnen van rijkdom voor de natie vormen?

____________