Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 21 december 2018 – Federatie Nederlandse Vakbeweging tegen Van den Bosch Transporten BV, Van den Bosch Transporte GmbH, Silo-Tank kft

(Zaak C-815/18)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Federatie Nederlandse Vakbeweging

Verweersters: Van den Bosch Transporten BV, Van den Bosch Transporte GmbH, Silo-Tank kft

Prejudiciële vragen

Moet richtlijn 96/71/EG1 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1); (hierna: Detacheringsrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat deze mede van toepassing is op een werknemer die als chauffeur werkzaam is in het internationaal wegvervoer, en zijn arbeid dus in meer dan één lidstaat verricht?

a. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, aan de hand van welke maatstaf of welke gezichtspunten moet worden bepaald of een werknemer die als chauffeur werkzaam is in het internationaal wegvervoer, "op het grondgebied van een lidstaat" ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 3, van de Detacheringsrichtlijn, en of die werknemer "gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt" als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Detacheringsrichtlijn?

b. Komt bij de beantwoording van vraag 2)a. betekenis toe, en zo ja welke, aan de omstandigheid dat de onderneming die de in vraag 2)a. bedoelde werknemer ter beschikking stelt, is gelieerd – bijvoorbeeld in concernverband – aan de onderneming waaraan die werknemer ter beschikking wordt gesteld?

c. Indien de arbeid van de in vraag 2)a. bedoelde werknemer deels bestaat in cabotagevervoer dat wil zeggen: vervoer dat uitsluitend wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar die werknemer gewoonlijk werkt – wordt die werknemer dan in elk geval voor dat gedeelte van zijn werkzaamheden geacht tijdelijk te werken op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat? Zo ja, geldt in dit verband een ondergrens, bijvoorbeeld in de vorm van een minimumperiode per maand waarin dat cabotagevervoer plaatsvindt?

a. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, hoe moet het begrip "collectieve arbeidsovereenkomsten ... die algemeen verbindend zijn verklaard" als bedoeld in artikel 3 lid 1 en lid 8, eerste alinea, van de Detacheringsrichtlijn worden uitgelegd? Is sprake van een autonoom Unierechtelijk begrip en is dus voldoende dat in feitelijk opzicht is voldaan aan de in artikel 3, lid 8, eerste alinea, van de Detacheringsrichtlijn gestelde voorwaarden, of vereisen deze bepalingen tevens dat de collectieve arbeidsovereenkomst op grond van het nationale recht algemeen verbindend is verklaard?

b. Indien een collectieve arbeidsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 3, lid 1 en lid 8, eerste alinea, van de Detacheringsrichtlijn, verzet artikel 56 VWEU zich dan ertegen dat een in een lidstaat gevestigde onderneming die een werknemer beschikbaar stelt op het grondgebied van een andere lidstaat, langs contractuele weg wordt verplicht tot naleving van bepalingen van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst die geldt in laatstgenoemde lidstaat?

____________

1     Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1).